Gedeeld idealisme bindt jonge hond en oude rot die veldwerk doen in gevaarlijke landen

Body: 

‘Jonge hond’ Tessa Diphoorn (33) en ‘oude rot’ Wil Pansters (58) komen voor hun veldwerk als cultureel antropologen regelmatig in gevaarlijke situaties terecht. Dat doet echter geen afbreuk aan hun passie voor het werk. Integendeel misschien.

Wanneer je als antropoloog onderzoek doet naar thema’s als geweld en veiligheid, hoort het er nu eenmaal bij dat je weleens in gevaarlijke situaties terechtkomt. Docent-onderzoeker Tessa Diphoorn: “In Zuid-Afrika maakte ik een schietpartij mee. Achteraf gezien was dat best onverantwoord. Daarna heb ik bepaalde maatregelen genomen. Vooral nu ik moeder ben, ontwijk ik bijvoorbeeld op sommige momenten bepaalde wijken.”

Hoogleraar Wil Pansters beleefde zijn angstigste veldwerkmoment toen zijn collega door de politie was meegenomen voor een alcoholcontrole, waardoor hij middenin de nacht in zijn eentje in de auto zat in zo’n beetje de gewelddadigste regio van Mexico. 

Hebben ze door de risico’s nooit overwogen om te stoppen? Pansters: “Natuurlijk heb ik weleens gedacht: waar ben ik nu in verzeild geraakt? Maar het is vooral een privilege om dit werk te doen.” Diphoorn: “Stoppen zou ik nooit doen, ik zou dan eerder kiezen voor een andere focus binnen mijn onderzoek.”

Handen vol aan het geweld
Universitair docent Diphoorn promoveerde bij Pansters op het onderwerp particuliere beveiligingsbedrijven in Zuid-Afrikaanse steden, waarvoor ze onder andere twintig maanden meeliep met gewapende beveiligers. Momenteel zit ze – met dank aan een Veni-beurs – met man en kind in Kenia. Daar onderzoekt ze politiehervormingen en regulering van wangedrag onder politieagenten.  “Dat is momenteel erg lastig, want de politie heeft de handen vol aan het geweld en de complicaties rond de afgelopen verkiezingen. Daardoor gaat het allemaal wat langzamer.”

Ook Pansters doet onderzoek naar thema’s als veiligheid en overheid. Maar dan in Latijns-Amerika, met een sterke focus op Mexico. Recente onderzoeksprojecten gingen bijvoorbeeld over drugsgeweld en zelfverdedigingsgroepen in het Midden-Amerikaanse land. Zijn tijd verdeelt hij tussen Utrecht en Groningen. In Utrecht is hij hoogleraar bij de afdeling Culturele Antropologie en hoofd van het departement Social Sciences van het University College. En in Groningen bijzonder hoogleraar Latin American Studies en directeur van het Mexican Studies Centre.

‘We kunnen het land zo uit’
Gevaar lijkt dus inherent te zijn aan het veldwerk van de cultureel antropologen. Je eigen veiligheid riskeren: nogal een opoffering voor de wetenschap? Diphoorn: “Ik heb het nooit ervaren als een opoffering, eerder als een voorrecht. Bij ons onderzoek gaat het uiteindelijk niet om onze veiligheid, maar vooral om die van anderen. Bovendien zitten wij in de luxe positie dat we het land zo uit kunnen als het te gevaarlijk wordt.” Pansters: “Sterker nog: onveiligheid en geweld zijn verschijnselen die zó ingrijpend zijn voor de lokale bevolking, dat het vreemd zou zijn als we ons daarvan zouden afkeren.”

Nog een stuk moeilijker dan het gevaar is de emotionele dimensie van het veldwerk. Diphoorn: “In Zuid-Afrika is een sleutelinformant van mij overleden aan aids. Dat vond ik veel heftiger en heeft me langer beziggehouden dan die schietpartij.”

Pansters deed onderzoek naar een grote brand in een Mexicaanse crèche. “Tijdens gesprekken met ouders van overleden baby’s dacht ik vaak: ‘Hoe lang wil ik nog met zulke gruwelijke zaken bezig zijn?’. Maar door de verbinding met deze strijdbare en verwonde mensen ervaar je op een intense manier de menselijkheid.”

Diepgeworteld idealisme
Beide onderzoekers worden gedreven door een diepgeworteld idealisme. Diphoorn heeft tijdens haar promotieonderzoek stage gelopen bij de ambassade in Soedan, met de gedachte dat ze via ontwikkelingssamenwerking voor meer maatschappelijke impact kon zorgen. Uiteindelijk kwam ze toch tot de conclusie dat ze als onderzoeker meer kan bewerkstelligen. Een blijk van Pansters’ idealisme is dat hij zich in het publieke debat – liefst tot ver na zijn emeritaat – wil blijven inzetten voor de Latijns-Amerikaanse zaak.

Zowel op fundamenteel als op toegepast niveau levert hun antropologisch onderzoek een bijdrage aan een betere maatschappij, stellen de onderzoekers. Ook in Nederland. Zo wil Diphoorn een uitwisseling organiseren tussen de Keniaanse en Nederlandse politie: “Volgens mij kan de Nederlandse politie een hoop leren over het berechten en reguleren van politieagenten.” Pansters stelt dat cultureel antropologen een belangrijke bijdrage leveren in vraagstukken rondom migratie, integratie en fundamentalisme: “Antropologen duiden niet alleen culturele verschillen, maar ook verbanden tussen cultuur, macht en economische processen.”

‘Niet alles heeft per se direct nut’
Het onderzoek van het duo (en dat van antropologie anno nu in het algemeen) staat mijlenver af van in de rimboe een inheemse groep observeren. Toch is dat nog steeds een invloedrijk beeld dat mensen hebben van antropologen. Bemoeilijkt dit hardnekkige vooroordeel de financiering van onderzoek? Diphoorn: “Als antropoloog krijg je inderdaad áltijd vragen over je methodes, de toepasbaarheid van je onderzoek en het generaliseren van de resultaten. Anderzijds mogen we niet klagen, want bijna elk jaar krijgt een antropoloog een Veni.”

De afgelopen paar jaar is er ook binnen de antropologie een sterke nadruk op kennisvalorisatie komen te liggen, signaleren ze. Als idealisten kunnen ze dit alleen maar toejuichen. Toch vindt Pansters het ergens spijtig: “Sommige onderzoeken hebben misschien niet per se direct nut. Maar ze dragen wel bij aan de vorming van ideeën en inzichten, die van grote waarde kunnen zijn in het maatschappelijke debat.”

Keukentafelgesprekken
In de periode dat Diphoorn onderzoek deed in Zuid-Afrika, moest Pansters daar regelmatig zijn voor gastcolleges. Avondenlang hebben ze toen gekletst. De professionele relatie is vanaf toen tevens uitgegroeid tot een vriendschappelijke, waarna vele gesprekken aan Pansters’ keukentafel volgden. Naast een collega en vriend is de hoogleraar bij tijd en wijlen ook Diphoorns coach.

Zoals toen ze er doorheen zat in de eindfase van haar promotietraject. Pansters: “Tessa dacht toen onterecht dat ze alles beter door de worstmolen kon draaien. In een lang gesprek heb ik toen geprobeerd duidelijk te maken dat ze er anders naar kon kijken: ze was al op 90 procent en hoefde alleen nog maar de laatste eindjes aan elkaar te knopen, maar dat is vaak het moeilijkst.”

Academische bucket list
Twee jaar na het behalen van haar PhD, publiceerde Diphoorn een (goed ontvangen) boek over haar promotieonderzoek. Het uitbrengen van een tweede boek, het liefst over haar huidige Kenia-onderzoek, staat hoog op haar academische bucket list. Diphoorn: “Daarnaast zou ik dolgraag een onderzoeksgroep willen leiden en daarmee een groot project opzetten. Maar dat is meer iets voor later.”


Hoewel Pansters de 60 nadert, is zijn bucket list een stuk langer: “Ik hoop nog een grant te krijgen waarmee ik langere tijd geconcentreerd onderzoek kan doen. Verder wil ik een bijdrage blijven leveren over Latijns-Amerika in het publieke debat, ook na mijn pensioen. En ik zou nog meer met wetenschappers van andere disciplines willen samenwerken, zoals nu met een historicus.”

Pansters: “Ik signaleer dat de Utrechtse afdeling Culturele Antropologie volop in beweging is. Er zijn nieuwe mensen, onder wie een hoogleraar en jonge onderzoekers zoals Tessa. Daardoor is er een nieuw elan. Ik zou mijn bijdrage daaraan graag vernieuwen en verdiepen.” Diphoorn: “Ik hoop ook van harte dat we Wil vaker zien. Niet alleen omdat het goed zou zijn voor de vakgroep in zijn geheel. Maar ook omdat ik onze sparringsgesprekken mis.”
 

Pansters over Diphoorn:

“Tessa is energiek, werkt hard en is toegewijd. Ze is een goede veldwerker en niet bang om achter de pc te kruipen en meteen te gaan schrijven. Daardoor heb je altijd dingen om mee te werken en kom je steeds een stap verder.”

“Ik zeg het met grote voorzichtigheid, want tot nu toe is het altijd goed gegaan. Maar Tessa moet uitkijken dat ze door haar enthousiasme niet te veel op haar bordje neemt. Zeker nu ze een jong gezin heeft. Het is learning by doing om daar een balans in te vinden, weet ik uit eigen ervaring.”

Diphoorn over Pansters:

“Wil is voor mij een bron van inspiratie, zowel op intellectueel als op persoonlijk vlak. Wat ik ook waardeer is dat hij altijd vertrouwen heeft gehad in mijn kunnen, ongeacht de omstandigheden. Hoe pittig zijn kritiek als begeleider ook was, ik heb me er nooit onzeker door gevoeld.”

“Iets wat ik minder aan hem vind? Het enige wat ik kan bedenken, is dat hij altijd zo druk is. Ik zou hem namelijk wel wat vaker willen zien. Maar goed, het hoort er vast bij als je zoveel verschillende functies en bestuurlijke verantwoordelijkheden hebt als Wil.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail