Studenten in evaluaties vaker bot dan onfatsoenlijk

Body: 

Scheldkanonnades en beledigingen komen voor, maar docenten storen zich meer aan de ongenuanceerde en slecht onderbouwde kritiek van studenten die cursusevaluaties invullen. Dat blijkt uit een steekproef binnen het DUB-panel.

Scheldkanonnades en beledigingen komen voor, maar docenten storen zich meer aan de ongenuanceerde en slecht onderbouwde kritiek van studenten die cursusevaluaties invullen. Dat blijkt uit een steekproef binnen het DUB-panel.

De meeste leden van DUB-panel zijn voorstander van het openbaar maken van de resultaten van de cursusevaluaties, ook van de antwoorden op open vragen. Maar, zo vinden zij, kwetsende commentaren van studenten moeten worden geschrapt of mogen alleen na bewerking worden weergegeven.

Dat blijkt uit de antwoorden die de redactie van DUB ontving van zijn panel dat sinds dit voorjaar een nieuwe samenstelling kent. Het panel bestaat nu uit 35 personen. DUB ontving van 21 panelleden een reactie op de volgende stellingen:

Studenten uiten zich in cursusevaluaties vaak/regelmatig/incidenteel/nooit onfatsoenlijk over hun docent of hun onderwijs. Streep door wat niet van toepassing is en licht toe.

Onfatsoenlijke uitingen zijn een reden om cursusevaluaties niet openbaar te maken. Waarom wel/niet?




 
Binnen het DUB-panel geven studenten en medewerkers hun mening over universitaire kwesties. Klik hier voor de samenstelling van het panel en eerdere discussies.

De aanleiding voor deze stellingen is een al maanden lopende discussie binnen de faculteit Geesteswetenschappen. Docenten vrezen daar voor reputatieschade en schending van hun privacy wanneer alle opmerkingen van studenten in cursusevaluaties openbaar worden. Het faculteitsbestuur vindt deze openheid van groot belang en gaat ervan uit dat deze ook zal bijdragen aan een zelfreinigend vermogen bij studenten. Ook DUB-columnist Bald de Vries sprak zich onlangs uit over de kwestie.

Uit de reacties van de panelleden blijkt dat het eigenlijk wel meevalt met het aantal echt onfatsoenlijke uitingen van studenten. De meeste leden zeggen dat deze ‘incidenteel’ zijn te lezen in cursusevaluaties. Zo kan een docent beschuldigd worden van het hanteren van “nazi-regels”. Ook kunnen studenten racistische opmerkingen maken over het Nederlands van een buitenlandse docent of zich beledigend uitlaten over de kledingkeuze van een docent.

Panelleden hebben meer moeite met de kort-door-de-bocht-formuleringen in de anonieme evaluaties. Commentaar in de antwoorden op open vragen kan twee kanten opgaan. Studenten maken expliciet complimenten, maar vaker komen ze met ongefundeerde en botte kritiek.

“Studenten kunnen heel duidelijk zijn over een docent” of “reacties zijn recht voor z’n raap.” Dat zijn typerende reacties van panelleden op de eerste stelling. Niet onderbouwde negatieve opmerkingen kunnen bovendien wel degelijk als kwetsend worden ervaren. Wat moet je als docent doen met een losse flodder als: “de posterpresentaties waren een chaos”?

Sommige panelleden waarschuwen dat de openbare evaluaties hun doel hierdoor voorbij kunnen schieten. Volgens docent Bouke van Gorp is het moeilijk een cursus te verbeteren op basis van weinig onderbouwde observaties en meningen. Bovendien lijkt het er soms op dat een student “zijn gram moet halen”. “Waarom achteraf klagen als je ook tijdens de rit iets kenbaar kan maken. Of is dat dan te eng?”

Hoogleraar Els Stronks wijst erop dat de vertrouwensband tussen docent en studenten geschaad kan worden. “Zo’n openbare evaluatie stimuleert mogelijk consumentengedrag; studenten wachten tot na de cursus om gal te spuwen, en reflecteren daarbij niet op eigen gedrag dat mogelijk ook wel tot een minder geslaagde cursus leidde.”

Volgens student Jurriaan Jacobs zijn studenten niet gewend en niet getraind om feedback te geven. Ze zouden dat kunnen leren door elkaars werk of gedrag te beoordelen, maar dat gebeurt binnen de meeste opleidingen maar mondjesmaat. “Dan is het logisch dat studenten tijdens een cursusevaluatie lomp doen.”

Dat studenten zich af en toe onfatsoenlijk of bot uiten, mag echter geen reden zijn om af te zien van publicatie van de resultaten van de cursusevaluaties, menen veel panelleden. In tegenstelling tot het faculteitsbestuur van Geesteswetenschappen vinden zij echter wel dat ongepaste reacties moeten worden verwijderd.

Student Tycho Wassenaar: “Een medezeggenschapscultuur ontstaat niet vanzelf. Als studenten betere weten wat er met hun feedback wordt gedaan, kan daar een begin mee worden gemaakt. Het lijkt me niet de grootste moeite om de antwoorden op open vragen die echt onfatsoenlijk zijn te verwijderen.”

Femke van Esch, docent, verwoordt de gedachte van andere panelleden. “Studenten worden beschermd doordat zij de evaluaties anoniem invullen, die bescherming moet je als werkgever werknemer ook gunnen (…)  Uitgaan van een zelfreinigend vermogen lijkt me naïef. Studenten vullen anoniem in en worden nooit ter verantwoording geroepen.”

Sommige panelleden suggereren dat opleidingen er goed aan doen voor publicatie van de resultaten van de cursusevaluaties een aantal gelijksoortige opmerkingen met eenzelfde strekking kan bundelen om daar vervolgens alleen de strekking van weer te geven.

Een enkel panellid vindt dat ook de ongepaste opmerkingen integraal gepubliceerd moeten worden. Student Sven Hermans zegt bijvoorbeeld: “Het filteren van commentaren lijkt me niet wenselijk, dat brengt de universiteit in een lastig parket (zweem van censuur). Het beste is te accepteren dat hevige uitingen (sporadisch) kunnen voorkomen en erop vertrouwen dat studenten deze op waarde weten te schatten.”

Onduidelijk bij veel reacties blijft overigens of het verschil maakt dat Geesteswetenschappen de antwoorden op de open vragen alleen openbaar wil maken voor studenten die een cursus gevolgd hebben en hun docent. Voor docent Frank Brandsma is dat wel van belang. “De studenten die hebben deelgenomen en zelf de evaluatie hebben ingevuld, mogen, wat mij betreft, wel alle opmerkingen zien, maar buiten de groep heeft dat geen enkele zin.”

UCU-onderwijsdirecteur Fried Keesen tenslotte werpt een heel ander licht op de zaak. “Als het om principiële redenen gaat zou je misschien nog eerder geneigd moeten zijn om de numerieke gegevens onder de pet te houden. Voor een docent is het heel wat vervelender om een onvoldoende gemiddeld rapportcijfer van een hele groep gepubliceerd te zien dan een onbezonnen opmerking van een individuele student.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail