Fotocredit: Martha Stewart) (PRNewsFoto/Stichting Praemium Erasmianum)

Wetenschappelijke kwaliteitsbepaling vraagt om diversiteit

Body: 

Wetenschapssocioloog Ruud Abma ging op 21 november naar de conferentie Diversity in Science over ongelijkheid en diversiteit in de academische wereld. Van de elf sprekers was hij het meest onder de indruk van Erasmusprijswinnaar Michèle Lamont.

Bij ‘diversiteit’ in het universitaire beleid gaat het om meer dan sekse en etnische herkomst: de wetenschapsbeoefening is zelf ook een diverse aangelegenheid. Hoe gaan we daar op een verstandige manier mee om? Dat is de kortst mogelijke samenvatting van de conferentie die op 21 november in de Utrechtse Gertrudiskapel werd gehouden, met de Noordamerikaanse cultuursocioloog Michèle Lamont als eregast. Lamont ontvangt vandaag (28 november) de Erasmusprijs voor haar ‘buitengewone bijdrage op het gebied van de sociale wetenschappen’. De prijs (150.000 euro) krijgt ze uit handen van koning Willem-Alexander.

Lamont bestrijkt in haar werk, en ook in de tour van lezingen en discussies deze weken in Nederland, een breed scala aan onderwerpen op het gebied van macht, ongelijkheid, uitsluiting en diversiteit. In haar Erasmus-essay Prisms of Inequality: Moral Boundaries, Exclusion and Academic Evaluation komen al deze thema’s samen. Ze fileert daarin het huidige neoliberale klimaat waarin ook kansarmen zichzelf moeten bewijzen als succesvolle spelers op de arbeidsmarkt.

Bij de conferentie Diversity in Science ging het in de eerste plaats om ongelijkheid en diversiteit in de academische wereld. De centrale vraag was: hoe beoordeel je de kwaliteit van wetenschappelijk werk op een manier die recht doet aan de verschillen tussen vakgebieden en onderzoekstijlen? Voor haar boek How professors think (2009) bestudeerde Lamont dit in de diepte door het werk van twaalf beoordelingscommissies voor onderzoekaanvragen in de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen op de voet te volgen en de commissieleden te interviewen over de toepassing van beoordelingscriteria. Hoe bepalen ze of er sprake is van bijvoorbeeld originaliteit of methodische deugdelijkheid? Hoe kan het proces dat zich in dergelijke commissies afspeelt het best getypeerd worden?

Een belangrijke uitkomst van haar onderzoek is dat zoiets als ‘de’ wetenschappelijke methode niet bestaat. Disciplines en subdisciplines verschillen sterk in hun theoretische en methodologische oriëntaties, en dat betekent dat het ondoenlijk en ook onzinnig is om eenduidige standaarden voor ‘excellentie’ te formuleren. In de praktijk van de onderzoekbeoordeling worden deze standaarden gezamenlijk ontwikkeld in een proces van ‘deliberatie’, een openhartige gedachtewisseling over kwaliteit aan de hand van concrete casussen. Deze vorm van kwaliteitsbepaling, face-to-face peer review, contrasteert met de bibliometrische vorm van kwaliteitsbepaling die leunt op kwantitatieve criteria als de journal impact factor en de h-index.

Hoewel deze kwantitatieve criteria de laatste decennia in academische kringen aan populariteit hebben gewonnen, pleiten bibliometrisch deskundigen juist voor terughoudendheid bij het hanteren ervan. Onderzoeker Sarah de Rijcke van het Leidse Centre for Science and Technology Studies (CWTS) liet in haar lezing zien dat het leunen op impactfactoren en citatiescores van invloed is op de inhoudelijke en methodologische keuzes die onderzoeksgroepen maken, ten koste van andere criteria zoals originaliteit, lange-termijn-vooruitgang in de wetenschap, maatschappelijke relevantie en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dit onderstreepte nog eens het belang van Lamonts concept ‘deliberatie’: kwaliteit is geen optelsom, maar een inhoudelijke afweging op basis van uiteenlopende criteria.

Als disciplines divers zijn, hoe kom je dan tot goede interdisciplinaire projecten? Deze vraag liep als een rode draad door de conferentie. Disciplines zijn belangrijk, want ze helpen je om een vak te leren en geven je een gemeenschappelijke taal om onderzoeksvragen en –resultaten te bespreken. De werkelijkheid die wij bestuderen houdt zich echter niet aan de door onszelf getrokken disciplinegrenzen, en dat verklaart waarom de drang tot interdisciplinaire samenwerking telkens de kop opsteekt. Net als bij kwaliteit is interdisciplinariteit echter geen optelsom, zoals Spinozaprijswinnaar Annemarie Mol (UvA) betoogde. Als we bijvoorbeeld obesitas zien als een biologisch probleem waaraan we een snufje psychologie en een deel sociologie toevoegen, missen we de clou: de meervoudigheid en complexiteit van de concrete situaties waarvan obesitas deel uitmaakt. Om die te achterhalen moet je als onderzoeker de werkelijkheid in: kennis verwerven ‘in het wild’.

De conferentie Diversity in Science was zo opgezet dat tijdens de discussies, geleid door Naomi Ellemers, Bernita Bagchi en Jojanneke van den Toorn, ruime gelegenheid was voor inbreng vanuit de zaal. Met name de jonge academici lieten zich niet onbetuigd. Uit hun vragen en opmerkingen rees een grote bezorgdheid op over hun eigen toekomst in de wetenschap maar ook over de toekomst van de universiteiten in een tijd van bezuinigingen en competitie om onderzoeksgeld. Daarmee kreeg de conferentie ook een politiek randje: ongelijkheid is niet alleen een theoretische kwestie.

Je mag hopen dat de uitreiking van de Erasmusprijs aan Michèle Lamont een belletje doet rinkelen, en de overheid ertoe beweegt de Nederlandse universiteiten ruimhartiger te bedelen. De petitie daarvoor wordt op 5 december 2017 aan de Commissie Onderwijs van de Tweede Kamer aangeboden.

Facebook Twitter Whatsapp Mail