Het dorp waar ik opgroeide

Wie mijn 18-jarige ik laat vertellen over het dorp waarin hij opgroeit, het Limburgse Haelen, hoort geen lofzang à la Wim Sonneveld. Minder romantisch zou het zijn − een stuk platter ook. Het zou een verhaal zijn over het verkennen van mijn sportieve talent bij de voetbalclub, het experimenteren met softdrugs in het bos en het ontdekken van mijn puberlichaam op zolder. Alleen dat laatste valt mijn 18-jarige ik niet tegen. Na het eindexamen vertrek ik naar Utrecht.

Van een autoluwe gezinsbuurt verhuis ik naar de Amsterdamsestraatweg. The streetway that never sleeps. Het spit van de kebabzaak lijkt nimmer te stoppen met draaien. Naast het schapenvlees geeft het ook de nachtelijke economie kleur. Buiten doet men zich tegoed aan geestverruimende middelen, binnen aan adervernauwende kapsalons. Als ik ‘s nachts hongerig ontwaak, ga ik er weleens eten. Terwijl ik de charme van het Arabische gejengel uit de speakers probeer te ontdekken, vraag ik me af wanneer de voor de deur hangende jongens slapen. Waarschijnlijk nooit. Op de Straatweg is daar geen tijd voor.

Ook in mijn studentenhuis is de rust ver te zoeken. Onder de mannelijke bewoners heerst een traditie om flessen water gekanteld tegen elkaars kamerdeur te zetten. Wie zijn deur opent, ziet zijn vloer veranderen in de Limburgse uiterwaarden bij een hoge waterstand. Zodra dit niet grappig genoeg meer is, switchen we naar olijfolie en cola. Iedere ochtend kiepert een nieuwe vloeistof mijn kamer binnen. Totdat een huisgenoot een fles modder met sigarettenpeuken zijn kamer in ziet stromen en uit woede een bijl in de deur van de dader ramt. Dan is de grap er vanaf.

Inmiddels woon ik zeven jaar in Utrecht en bezoek ik nog af en toe mijn geboortedorp. Zo ook dit weekend. Bij het verlaten van de bus streelt een aangenaam briesje mijn gelaat. Een briesje dat ik voorheen nooit opmerkte. Utrechtse briesjes bestaan uit stikstofdioxide en fijnstoffen − die de longen van de Utrechter dagelijks verwennen met het equivalent van 5,7 sigaretten. Haelense briesjes zijn fris. Hier voelt ademen niet als deelname aan een inhalatieonderzoek van Volkswagen.

Samen met mijn ouders wandel ik door de Haelense bossen. We passeren een stel hooibalen, waarop de 18-jarige ik in de zomer lag te blowen en tegen zijn vriendjes klaagde dat er geen muziek meer wordt gemaakt als The Dark Side of the Moon. Ik slik deze herinnering in. Drugsgebruik ligt in huize Hekkens gevoelig − mijn moeders nekharen staan ongetwijfeld overeind nu ze deze column leest (hoi mam!). Al wandelend voert mijn vader het woord. Hij vertelt over klimaatneutrale huizen aan de rand van het dorp, want hij weet dat ik in Utrecht een linkse rakker ben geworden. Daarna lopen we zwijgend verder. Ik geniet.

Wim Sonneveld constateert enigszins verbitterd dat hij vervreemd is geraakt van 'Het Dorp' van zijn jeugd. Bij mij is daar geen sprake van. Integendeel. Het luiden van de kerkklok, de gesprekken met mijn ouders en de stilte van het bos. Niet eerder wist ik ze op waarde te schatten. Nu de 26-jarige ik terugkeert in zijn geboortedorp, ervaart hij de rijkdommen die de 18-jarige ik zijn ontgaan.

Advertentie