Nieuwe toets na voldoende mag nu echt niet meer

Body: 

Het was al niet de bedoeling, maar vanaf volgend collegejaar mogen studenten met een voldoende voor een toets echt niet meer proberen een hoger cijfer te behalen. Een verdeelde U-raad stemde deze week in met een verbod voor opleidingen om studenten deze kans te geven.

Het is soms best wrang om student in de U-raad te zijn. De afgelopen weken pleitten verschillende studentraadsleden ervoor dat studenten een nieuwe kans kunnen krijgen als ze een toets voldoende hebben gemaakt, maar niet tevreden zijn met hun cijfer. Een hoger cijfer kan immers belangrijk zijn, bijvoorbeeld als je een cum laude wilt halen of een selectieve master wil doen.

De paradoxale uitkomst van de discussie is dat het alle opleidingen nu strikt wordt verboden om studenten zo’n kans te geven. Dat werd afgelopen maandag duidelijk tijdens een vergadering van de U-raad.

Einde aan herkansingencircus
Wat is er gebeurd? Het universiteitsbestuur legde vorig maand de nieuwe Onderwijs- en Examenregeling (OER) voor aan de medezeggenschap. In de concepttekst daarvan had het CvB een verduidelijking toegevoegd aan het artikel dat stelt dat studenten één keer in de gelegenheid worden gesteld een aanvullende of vervangende toets te doen als zij aan de inspanningsverplichtingen hebben voldaan en een onvoldoende hebben van tenminste een 4.

Volgens het universiteitsbestuur liet die formulering de mogelijkheid open dat óók na een voldoende een nieuwe toets zou kunnen volgen. Op sommige plekken binnen de universiteit - onder andere bij enkele bètaopleidingen - uiten studenten de wens om toch nieuwe toetsen na voldoendes te accepteren.

Maar volgens het CvB is dat nooit de bedoeling geweest. De regeling uit 2002 was er juist op gericht om een einde te maken aan het eindeloze herkansingencircus waar docenten en opleidingen destijds over klaagden. Volgens het universiteitsbestuur bestaan herkansingen sindsdien formeel ook niet meer aan de universiteit; er is alleen nog een eenmalige aanvullende of reparatietoets.

Daarom nam het universiteitsbestuur in de concepttekst voor het nieuwe OER expliciet de bepaling op dat een student niet in aanmerking komt voor een nieuwe toets als al een voldoende is toegekend. Het betrof een aanbeveling aan faculteiten; opleidingen helemaal verbieden om studenten in de gelegenheid te stellen een hoger cijfer te halen, was volgens het universiteitsbestuur niet nodig.

Rector is niet enthousiast
Studenten in de raad beseften dat hun achterban waarschijnlijk het liefst alle beperkingen van tafel veegt. Zij hoopten daarom op een open discussie over de wenselijkheid van het “herkansen” van voldoendes. Rector Bert van der Zwaan was daar in een raadscommissie niet enthousiast over. Hij stelde dat hij zo min mogelijk wijzigingen wilde doorvoeren in het ‘fragiele bouwwerk’, omdat het in de praktijk in zijn optiek gewoon werkt. Sterker nog: volgens Van der Zwaan was de voorgestelde toevoeging uitsluitend een vertaling van dat wat faculteiten zelf al hadden geregeld.

De rector kreeg bijval van de personeelsgeleding van de universiteitsraad die eveneens bar weinig bleek te voelen voor nieuwe discussies over herkansingen. Ook volgens de docenten in de raad was er slechts sprake van een formalisering van de bestaande situatie. Zij wilden de deur naar nieuwe toetsen absoluut gesloten houden. Die leveren immers meer werkdruk op en lokken strategisch uitstelgedrag uit.

Een eenduidig standpunt
Tegelijkertijd vonden sommige raadsleden het moeilijk te verantwoorden dat er “potentiële verschillen onderling” tussen opleidingen toch bleef bestaan, omdat er slechts sprake was van een aanbeveling. Zij vroegen daarom een eenduidig standpunt van het universiteitsbestuur.

De beraadslagingen hadden tot resultaat dat het universiteitsbestuur in een nieuwe nota voorstelde om van de aanbeveling dan toch maar een verplichting te maken. De U-raad werd gevraagd in te stemmen met een verbod op “herkansen” na een voldoende.

De leden in de raad konden het daarop niet eens worden over een gemeenschappelijk standpunt. Voorzitter Gwenny Jongebloed liet tijdens de U-raad maandag weten dat er ook binnen de studentengeleding geen unanimiteit was.

Uiteindelijk moest er hoofdelijk gestemd worden, iets wat in de raad niet vaak voorkomt. In een stemverklaring zei studentraadslid Joost Gadellaa dat hij de regeling veel liever inhoudelijk en in samenhang met andere regelingen had besproken. Hij stemde daarom met bezwaard gemoed, tegen.

Uiteindelijk waren er veertien stemmen vóór het voorstel van het universiteitsbestuur en zeven tegen.

Facebook Twitter Whatsapp Mail