Promovendus verdient geen beurs

Body: 

Een beurzenstelsel voor promovendi bedreigt de kwaliteit van de wetenschap. Dat schrijven Rivke Jaffe (UvA) en de Utrechtse sociaal wetenschapper Rens van de Schoot namens De Jonge Akademie.

Een beurzenstelsel voor promovendi bedreigt de kwaliteit van de wetenschap. Dat schrijven Rivke Jaffe (UvA) en de Utrechtse sociaal wetenschapper Rens van de Schoot namens De Jonge Akademie.

Vorig jaar heeft het ministerie van OCW een experiment goedgekeurd met ernstige implicaties voor de arbeidsrechtelijke positie van promovendi. In het experiment worden promovendi niet als werknemer aangesteld, maar tot studenten gedegradeerd. Nederland kent sinds de jaren negentig een promotiestelsel waarin de promovendi medewerkers zijn van de universiteit. Sindsdien is er een wildgroei aan promotievarianten ontstaan. Zo zijn er nu ook buitenpromovendi met een salaris van een bedrijf en contractpromovendi met een beurs van een buitenlands overheidsfonds. Het experiment van OCW introduceert dus nóg een variant, namelijk de bursaal of ‘promotiestudent’. De introductie van deze laatste term lijkt bedoeld om het verdwijnen van de medewerkersstatus te normaliseren.

Bursalen bouwen geen pensioen op en maken in beginsel geen aanspraak op secundaire arbeidsvoorwaarden zoals doorbetaald zwangerschapsverlof. Dit klinkt niet als het ‘maatwerk’ waarover minister Bussemaker spreekt in haar antwoord op de Kamervragen van Mei Li Vos en John Kerstens – dit is een ingrijpende verandering die leidt tot een fundamentele verzwakking van de arbeidsrechtelijke positie van promovendi. De Jonge Akademie vindt dat werk dat leidt tot een doctorstitel gelijk beloond zou moeten worden en maakt zich daarom zorgen over de invoering van het bursalenstelsel en de daarmee gepaard gaande rechtsongelijkheid.

Hoewel de KNAW in haar rapport Promoveren werkt stelt dat het Nederlandse promotiestelsel toekomstbestendig is, zien wij als De Jonge Akademie een drietal redenen om niet te pleiten voor het bursalenstelsel of andere vormen van ‘maatwerk’ die de rechtsongelijkheid doen toenemen: de nadruk op kwantiteit boven kwaliteit, de moeilijkheid adequate begeleiding te garanderen, en de rol van financiële prikkels.

Voorstanders van het bursalenexperiment stellen dat het meer mensen de kans zal geven te promoveren. Dit mogelijk voordeel weegt voor ons niet op tegen het nadeel van een zwakkere arbeidsrechtelijke positie van promovendi. Bovendien druist het in tegen de recente verschuiving in de beoordeling van wetenschap van kwantiteit naar kwaliteit. Vroeger werd bij onderzoeksvisitaties van universiteiten onder andere geteld hoeveel promovendi succesvol werden afgeleverd. Tegenwoordig tellen juist de kwaliteitsindicatoren zwaarder. In het landelijke protocol voor evaluatie van wetenschappelijk onderzoek (het Standard Evaluation Protocol, opgesteld door de KNAW, VSNU en NWO) is het punt ‘productiviteit’ zelfs komen te vervallen. De Jonge Akademie vindt dat de universiteit geen diplomafabriek moet worden, waar zoveel mogelijk proefschriften door het systeem worden gejaagd, ten koste van wetenschappelijke vernieuwing.

Een toename van het aantal promovendi roept ook de vraag op hoe een goede begeleiding van al deze extra promovendi gegarandeerd wordt. Er bestaat nu al een wanverhouding, waarbij de (vaste) staf steeds meer promovendi te begeleiden heeft (figuur 5.1). Wij vrezen dat een toename in tijdsdruk bij begeleiders het risico op dubieuze onderzoekspraktijken vergroot.

Het bursalenstelsel heeft natuurlijk ook een financiële kant. Promovendi die geen werknemers zijn, zijn goedkoper. Daardoor krijgen onderzoeksgroepen meer financiële bewegingsruimte, want hun budget is deels gekoppeld aan het aantal promovendi dat zij hebben, via een “promotiebonus”. Die bonus is niet gekoppeld aan de feitelijke kosten die worden gemaakt voor het aanstellen van een promovendus. Dus hoe goedkoper de promovendus, hoe meer geld er overblijft voor andere onderzoekskosten, zoals laboratoria. Dit financiële fenomeen weegt extra zwaar voor onderzoeksgroepen die niet voldoende nationaal of Europees onderzoeksgeld binnenhalen, omdat zij voor hun inkomsten meer afhankelijk zijn van de promotiebonus. 

De promotiebonus werd steeds belangrijker om de begroting van onderzoeksgroepen of graduate schools rond te krijgen en vormde tot voor kort gemiddeld 24% van de rijksbijdrage aan onderzoek (bron: Rathenau). Om te voorkomen dat promoties teveel een middel werden om geld binnen te halen, heeft het ministerie van OCW bepaald dat deze promotieparameter wordt gemaximeerd op 20 procent. De ‘Wetenschapsvisie 2025’ van Bussemaker en Dekker stelt zelfs dat de promotiebonus geheel zou moeten verdwijnen. Hierachter zit de overtuiging dat de keuze om een promovendus aan te nemen niet gebaseerd zou moeten zijn op financiële overwegingen.

De Jonge Akademie is voor wetenschappelijke kwaliteit boven kwantiteit. Zeker wanneer een toename in aantallen promovendi ten koste gaat van rechtsgelijkheid. Het bursalenstelsel vergroot de ongelijkheid om een kwantitatieve doelstelling te verwerkelijken. Moeten we streven naar een verhoogde productie van doctorstitels? Of is ons belang vooral het waarborgen van een promotiestelsel dat innovatieve, onafhankelijke wetenschappers oplevert? Dat laatste kost tijd en geld – maar als we een kennisland willen zijn, moeten we ook durven investeren in de mensen die dat land mogelijk maken.

Rivke Jaffe en Rens van de Schoot zijn lid van De Jonge Akademie. De Jonge Akademie is een zelfstandig platform van jonge wetenschappers die internationaal tot de top van hun vakgebied behoren. Ze vertegenwoordigen samen een breed spectrum van wetenschappelijke disciplines en zijn werkzaam bij Nederlandse universiteiten en een groot aantal onderzoeksinstituten. Dit artikel stond eerder op Scienceguide.nl

Facebook Twitter Whatsapp Mail