“Those beautiful books really do matter”

Professor, poet and former dean Wiljan van den Akker has passed away

Wiljan van den Akker in zijn werkkamer.  Foto: Maartje Terhorst voor DUB, Ublad-archief
Wiljan van den Akker in his office Photo: Maartje Terhorst for DUB

Van den Akker initially planned to become a doctor, as was customary in his family. He opted for the science stream at grammar school to keep that career path open. However, a German teacher who introduced him to Paul Celan’s poem Todesfuge convinced him of the beauty of the humanities. He ended up studying Dutch at Utrecht University.

His passion for language was reinforced by his mentor, the professor of Modern Dutch Literature Guus Sötemann, and by the fellow student Frits van Oostrom, who later became Professor of Middle Dutch Literature at Utrecht University. 

In 1985, Van den Akker obtained his PhD with Een dichter schreit niet, a study of Martinus Nijhoff's work. He was appointed to the professorship only three years later, at the age of 32. As the head of the department, he gave the staff freedom to hold diverse literary-theoretical views and debate amongst themselves. He also turned his attention abroad after discovering a considerable interest in Dutch Studies in Germany and the US.

In 1994, he co-founded and served as the first director of the Research Institute for History & Culture. Then, in 2002, he worked for the Dutch Research Council (NWO), serving as chair of its Humanities Domain Board. Later, he also served at the Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences (KNAW).

Fusion and Aspasia
As an administrator, he merged the faculties of Arts, Theology, and Philosophy, which were independent at the time, into the current Faculty of Humanities, of which he later became dean. “I spent endless hours trying to convince different groups that they could retain their own identity,” he recounted a while later. He worked tirelessly on behalf of the Humanities, which needed to be taken seriously in academia and be funded accordingly. “I don't mean a Calimero complex, but rather showing that you are necessary, that those beautiful books and exhibitions matter.”

His time as a dean was also marked by less pleasant experiences, such as the closure of the Portuguese and Theology programmes due to declining student interest. After it emerged that the Netherlands was languishing near the bottom of the ranking for the number of women working as professors, Van den Akker devised NWO's Aspasia grant to promote women’s careers in academia.

Wiljan van den Akker geinterviewd door Bert van den Brink. Screenshot uit video UU

Wiljan van den Akker being interviewed by Bert van den Brink. Screenshot from a UU video.

Scholar and poet
Despite this incredibly busy life, his boundless energy enabled him to remain active as a researcher and lecturer. He published academic works on figures including Roland Holst, Van Schendel, Leopold and Lodeizen, and from the late 1990s worked with his Groningen colleague Gillis Dorleijn on Een Nieuw geluid - De geboorte van de moderne poëzie in Nederland 1900-1940, which was published last year.

In 2008, Van den Akker made his debut as a poet. He received the C. Budding Prize for his first collection, De afstand. In 2015, he published the novel Messias alongside his wife, Esther Jansma, who passed away last year. She was a professor of Dendrochronology and also a prominent poet.

They wrote the book under the pseudonym Julian Winter. Van den Akker described his fascination with poetry by saying that he “never ceases to be in awe about the act of touching on essential things in a concise manner." Weeks before his death, he was still regularly publishing poems on his Facebook page.

In addition to writing poetry, Van den Akker worked as a translator. His work in that area included Charles Simic's poetry. “This American Pulitzer Prize winner is world-famous but virtually unknown in the Netherlands,” Van den Akker remarked once, indignantly. Finally, he served on various literary juries, including the Libris Prize, the P.C. Hooft Prize, and the Prize for Dutch Literature. 

Even with all these activities, he still had time for hobbies: he played guitar every day, with flamenco as his favourite musical genre. “No, there’s no book waiting on my bedside table anymore. I’ve finished reading for the evening. If I have to fall asleep whilst reading as well, you’ll have to carry me away at some point.”

Wiljan van den Akker was 71 years old.

Login to comment

Comments

We appreciate relevant and respectful responses. Responding to DUB can be done by logging into the site. You can do so by creating a DUB account or by using your Solis ID. Comments that do not comply with our game rules will be deleted. Please read our response policy before responding.

Een bijzondere man. Kleine correctie: hij werd niet gevraagd om hoogleraar te worden. Hij heeft gewoon gesolliciteerd. Over de voordracht naar aanleiding van die sollicitatie is veel te doen geweest.

SOV:

Ja, het is inderdaad een bijzondere procedure geweest. In die tijd werd een voordracht van de Benoemingsadviescommissie door de Faculteitsraad besproken en de Raad had het laatste woord over de voordracht. Nu alle hoofdrolspelers zijn overleden is het wel geoorloofd, in het belang van de geschiedschrijving over de Utrechtse neerlandistiek, om over die procedure nog wat te zeggen.

Voor de voordracht werd verlangd dat er twee kandidaten werden voorgedragen, waarbij de benoemingsadviescommissie (bac) een volgorde aangaf. De bac had gekozen voor een ervaren wetenschapper, die zich had gespecialiseerd in de 18e eeuw, Hij had mooie publicaties over de Werther van Goethe en Julia van Rhijnvis Feith en kon daar met zijn martiale snor en een stem die tijdens colleges vele octaven zonk heel verdienstelijk college over geven. Soms maakte hij zelfs uitstapjes naar de Camera obscura van Hildebrand.
Waarom de bac voor deze kandidaat koos is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is een reden dat de meeste andere medewerkers van de afdeling nog niet gepromoveerd waren.
Wiljan werd inderdaad, zoals Armand schreef, gevraagd door de commissie om te solliciteren. In die tijd was het echter 'not done' om op eigen initiatief te solliciteren op een hoogleraarsvacature, je moest daarvoor gevraagd worden. 'De deur ging alleen van binnen open', zoals dat heette. Het was echter uitdrukkelijk niet de bedoeling van de bac dat Wiljan benoemd zou worden op deze vacature. Door zo'n jonge, onervaren kandidaat op nr 2 te plaatsen dacht de commissie echter de benoeming van nr. 1 veilig te hebben gesteld.

Daar dacht de Faculteitsraad echter anders over. Hij vond dat op de leerstoel Moderne letterkunde iemand benoemd moest worden die interesse en expertise had in meer recente perioden. De Raad draaide daarom de voordracht om.
Dat leverde inderdaad een hoop gedoe op, en prof Wim Gerritsen, die als voorzitter van de bac het allemaal zo mooi bedacht had, wendde zich nog tot het CvB om dit besluit van de Raad terug te draaien, maar dat zat er niet meer in.

Ook achteraf is duidelijk dat de Raad een juiste beslissing genomen heeft, gelet op de beschikbare opties. Eigenlijk was de bac tekort geschoten. Heden ten dage zou een bac zich veel meer afgevraagd hebben of het voor de staf, de studenten en de buitenwereld wel zo geslaagd is om op de leerstoel Moderne letterkunde iemand te benoemen die zich gespecialiseerd heeft in een zo ver verleden.

De Raad corrigeerde de voordracht dus terecht. Maar daarmee was wel een flink probleem gecreëerd. Voor Wiljan, die zich als jong broekje als leidinggevende aangesteld zag van een staf die daar niet op zat te wachten. Maar, het moet gezegd, dat heeft hij prima gedaan; hij had toen kennelijk al de bestuurlijke talenten waar hij later als bestuurder ook veel gebruik van heeft gemaakt.

Voor de oorspronkelijke nummer 1 was dit natuurlijk extreem pijnlijk. Voor hem is vervolgens een speciale leerstoel gecreëerd, Sociale geschiedenis van de literatuur, in het bijzonder de 18e en 19e eeuw.

Ik heb Wiljan zelf leren kennen als mentor van mijn eerstejaarsgroepje. Hij was toen derdejaars, en we kwamen tweewekelijks samen bij hem thuis. Nederlands had toentertijd erg veel studenten en de studie was behoorlijk selectief. Moderne letterkunde speelde in die selectie een grote rol, terwijl het onderwijs in de betreffende vakken maar heel beperkt was. Vandaar dat we in het mentorgroepje ons vooral op dat vak richtten om te proberen ervoor te slagen. Ik kan natuurlijk niet anders zeggen dan dat ik het met deze mentor enorm getroffen had. Hij stimuleerde het denken over de voorgeschreven literatuur en zorgde voor een heel prettige opvang van ons studenten.

Advertisement