Academisch UU-debat over radicalisering
'De universiteit moet democratie actief verdedigen’
Hoofdvraag deze woensdagmiddag was of de universiteit een taak heeft bij de bescherming van de democratie. Aanleiding was de deelname van Thierry Baudet aan een verkiezingsdebat dit najaar. Die uitnodiging aan de Forum van Democratie-politicus schoot veertig studenten en medewerkers in het verkeerde keelgat. Zij schreven een brief aan het bestuur van de universiteit en van de faculteit Recht, Economie, Bestuur & Organisatie, waar drie studieverenigingen het debat met Baudet hadden georganiseerd. In de brief spraken de verontruste medewerkers en studenten hun teleurstelling en afschuw uit over het UU-besluit om FvD-politicus een podium te bieden.
Hoogleraar Politieke Geschiedenis, Ido de Haan, nam het initiatief voor de brief. Aan het begin van het debat woensdag herhaalde hij zijn positie dat de UU had moeten verhinderen dat “extremistisch en fascistisch gedachtengoed een platform krijgt voor propaganda en mobilisatie.” Hij hoopte dat de universiteit nu lessen zou trekken naar aanleiding van het verkiezingsdebat met Baudet.
Zo’n zeventig studenten en medewerkers hadden woensdag een plaats bemachtigd in de collegezaal in het Minnaertgebouw. Zij merkten dat de concrete vraag of de Universiteit Utrecht een democratisch gekozen politicus kan/moet uitsluiten van debat aan de universiteit slechts op enkele momenten aan bod kwam. De discussie werd veel breder.
Zo kregen aanwezige bestuursleden van de studieverenigingen die het debat met Baudet organiseerden, ook geen expliciet antwoord op hun vraag of ze nu daadwerkelijk “de universiteit en de democratie hadden verraden”, zoals de briefschrijvers stelden. Wel bleek de zaal er diepgrondig van doordrongen dat de universiteit zich in een tijd van opkomend rechts-extremisme strijdbaar, concreet, kritisch en actief zal moeten inzetten om de interne en externe democratie te bevorderen.
Onder leiding van hoogleraar Politieke Filosofie Rutger Claassen gingen acht panelleden in twee discussierondes in op de vragen: "Is de democratie in gevaar?" En: "Heeft de universiteit een verantwoordelijkheid om die democratie te beschermen?"
Niet geheel onverwacht werd de eerste vraag door alle panelleden bevestigend beantwoord. Al verschilde de insteek. Hoogleraar Urban Futures Maarten Hajer wees op de gevaren van “digitalisering” en “mediatisering” van de samenleving. De impact, invloed en macht die deze twee fenomenen uitoefenen op het leven van mensen, moet volgens hem worden ingeperkt om persoonlijk contact weer mogelijk te maken. “Soms zie je ’s ochtends eerder het gezicht van Trump op je telefoon dan dat van je geliefde die naast je ligt.”
Diverse sprekers, zoals hoogleraar Politieke Geschiedenis Annelien de Dijn en ook Ido de Haan, wezen er op dat inmiddels bijna een derde van de Tweede Kamer wordt ingenomen door ‘extreem-rechtse’ politici. Ze doelden op FvD, PVV en ook Ja21, waarvan de Kamerleden deels afkomstig zijn van FvD. Hoogleraar Staatsrecht Jurgen Goossens betoogde dat autocratisering internationaal onmiskenbaar aan een opmars bezig is en dat Nederland daar zeker niet immuun voor is. Hij wees op de relatief gebrekkige bescherming die de Nederlandse grondwet daartegen biedt. “In vergelijking met andere landen hebben we hier minder staatsrechtelijke vangrails.” Volgens Goossens is het zaak “ons voortdurend in te zetten voor de democratie, elke dag opnieuw, ook hier aan de UU”.
Vooral studenten in de zaal signaleerden dat het “samen werken aan democratie” erg lastig lijkt te zijn geworden, omdat de opvattingen over democratie zo uiteen zijn gaan lopen. Ze zeiden dat studenten aan de rechterzijde van het politieke spectrum democratie lijken te interpreteren als een “zero sum game”. Een strijd waarbij de meerderheid haar zin krijgt en de minderheid geen recht van spreken heeft. “Het lijkt erop dat we hetzelfde zien maar het anders interpreteren”, constateerde ook Universiteitsraadslid en opleidingsdirecteur Natuurkunde Gerhard Blab vanuit de zaal.
In het tweede deel van de discussie stond de vraag centraal of de universiteit een specifieke verantwoordelijkheid heeft bij het beschermen van de democratie. Meerdere panelleden meenden dat de universiteit vooral een bijdrage kan leveren door de democratische beginselen in het onderwijs “voor te leven”: in de collegezaal, in het bestuur, en ook door daarbij steeds contact te zoeken met de maatschappij. De theorie moet meer verbonden worden aan de praktijk. Van diverse kanten werd daarbij geopperd dat de universiteit zelf zou moeten experimenteren met gelote raden. Dit zijn representatieve raden van medewerkers en studenten die bij loting worden geselecteerd om mee te denken over bepaalde aspecten van beleid.
Volgens universiteitshoogleraar James Kennedy is “geëngageerd onderwijs” de beste manier om studenten een gevoel van goed burgerschap bij te brengen. Iets wat in zijn moederland, de Verenigde Staten, naar zijn mening vrijwel is verdwenen. Kennedy citeerde tijdens zijn betoog het boek What Universities Owe Democracy van Ronald J. Daniels, waarin wordt beklemtoond dat universiteiten verbinding moeten zoeken met de samenleving. Daartoe moet er sprake zijn van “optimale inclusiviteit”, “met dus ook ruimte voor mensen met denkbeelden die we verachten”. Maar tegelijkertijd moet er ook sprake zijn van “onderscheidingsvermogen”. “Het grote doel van onderwijs is zin van onzin te onderscheiden. Dat betekent dat we studenten de skills bieden waarmee je elkaar kritisch en respectvol kunt bevragen: Hoe weet jij dat? Is het betrouwbaar? Waar komt het vandaan?” Volgens Kennedy is de universiteit geen plek waar politieke partijen hun ideeën ongefilterd kunnen spuien.
Marc Hertogh, faculteitshoogleraar Maatschappelijke & Institutionele Dimensies van de Rechtstaat, stelde dat de universiteit geen platform voor politieke partijen moet willen zijn, maar moet doen aan ‘platforming voor democratie’. Het is volgens hem de taak van de universiteit om critici te overtuigen van het belang van de rechtsstaat. Dat kan volgens hem door onderwijs en onderzoek meer te koppelen aan de realiteit: waar kunnen dingen worden verbeterd? Academici zouden ook meer in gesprek moeten gaan met burgers die het vertrouwen in de democratie zijn verloren.
Maar het was vooral hoogleraar Moderne Politieke Geschiedenis Annelien de Dijn die de vraag opwierp of universiteiten zich niet zélf grote zorgen moeten maken. Kijkend naar ontwikkelingen in Amerika, noemt ze dat “een heel urgente kwestie”. Ook voor Nederland.
“Het is duidelijk dat er nu politieke partijen zijn die geen respect voor en voeling hebben met academische vrijheid. Hoe gaan we om met die dreiging?” Wat te doen als een filosoof in zijn lessen wil spreken over Plato en gender, maar dit niet mag? In Texas overkwam het een filosoof dat hij deze lessen moest aanpassen, omdat het niet over gender mocht gaan. Vanuit de zaal en vanaf het podium werd daarop aangegeven dat ook Utrechtse wetenschappers die zich uitspreken in de media, nu al te maken hebben met bedreigingen en soms beschermd dienen te worden.
Naar de mening van De Dijn zouden bestuurders zich ferm moeten uitspreken tegen elke mogelijke vorm van censuur. Maar vooral zouden universiteiten zich er volgens haar ook bewust van moeten zijn dat de huidige weinig democratisch organisatievorm van de universiteit risicovol is in tijden van een existentiële bedreiging. Ze pleit voor concreet “handelingsperspectief” op dat terrein: “We moeten nadenken over hoe onze universiteit nu werkt. Die is ondemocratisch georganiseerd en daardoor kwetsbaar.”
Op dit punt kreeg ze later tijdens het debat onder meer steun van universitair docent Stefanie Beyens, voorzitter van de faculteitsraad van Rebo. Volgens haar was er in de faculteitsraad van Rebo op een heel goede manier gediscussieerd tussen voor- en tegenstanders over de komst van Baudet. Maar het debat dat daar plaatsvond had uiteindelijk weinig gewicht. Zij neemt bovendien waar dat universitaire bestuurders nu - vaak gedwongen door de politieke realiteit - besluiten nemen, zonder de gemeenschap daar daadwerkelijk bij te betrekken. “En wij hebben dat maar te slikken.”
Beyens pleit daarom voor een gekozen rector. “Waarom maken we de rector geen verkiesbare positie voor studenten en medewerkers? Dan moet hij verantwoording afleggen en responsief zijn naar onze universiteit. Dan kunnen we een begin maken om collectief na te denken over wat wij nu vinden dat er moet gebeuren om tegenwicht te bieden tegen al het politieke geweld.”
Juliette Mattijsen, manager life science comunity van de unit planetary health, wees er als panellid op dat het voor de bescherming van de democratie van groot belang is dat de universiteit zich rekenschap geeft van met wie ze in zee gaat. “Wees een hoeder en beschermer van de kennis die wij produceren. Sta op tegen desinformatie.” De universiteit moet geen relaties hebben met fossiele industrie die onze kennis misbruikt. Ook niet met multinationals die geweld en militarisering normaliseren, zo stelde ze. Om vervolgens te vragen: “Heeft de universiteit relaties met Brittish Petroleum? Zijn we medeplichtig aan de genocide in Gaza?”
Uiteindelijk was het historicus en universiteitsraadslid Eleni Braat die de discussie wist te koppelen aan de directe aanleiding van het debat. Zij vroeg zich af of het de taak van de universiteit is om alle meningen te laten horen. Ze wees erop dat er een verschil is tussen vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid. Die laatste, academische vrijheid, vraagt om meer kadrering, meent ze.
Ze stelde daarom voor om bij “omstreden” uitnodigingen een debat te voeren over de vraag of iemand binnen de universiteit een podium kan krijgen. “Ik denk dat zo'n uitnodiging kan, maar dat we dat wel moeten inkaderen. Zo zou iemand ook tegengesproken moeten kunnen worden en zouden we ervoor moeten zorgen dat er een wetenschappelijk debat ontstaat.” Haar opmerking leidde tot een applausje.
Aan het einde van het debat kregen Rebo-decaan Elaine Mak en rector Wilco Hazeleger het woord. Mak staat nog steeds achter haar beslissing om het debat met Baudet doorgang te laten vinden. Ze zei trots te zijn op de studieverenigingen die jaarlijks de debatten organiseren. En ze wees erop dat het belangrijk is dat studenten op deze manier ook kunnen oefenen met en leren over democratie.
Mak wil als bestuurder het goede voorbeeld geven. Ze vindt dat alle studenten en medewerkers kunnen zeggen wat ze willen en ook iets kunnen organiseren als ze dat willen, zo zei ze. “Maar tegelijkertijd voel ik een verantwoordelijkheid om ons uitnodigingsbeleid nog beter te doordenken. We moeten blijven monitoren wat de impact ervan ook op de langere termijn is.”
Overigens was Baudet volgens haar door debatleider en Perikles-bestuurslid Justin Hermsen wel degelijk op een adequate manier tegengesproken, toen de FvD’er het debat te veel naar zijn hand wilde zetten.
Rector Hazeleger benadrukte dat hij en zijn medebestuursleden - ook al zijn ze niet gekozen - een grote verantwoordelijkheid voelen voor het beschermen van de academische vrijheid en om verantwoording af te leggen over besluiten. “We hebben inderdaad wat te verdedigen. Als ik zie dat er censuur is en ook zelfcensuur, dan doet me dat pijn.”
Hij wees er ook op dat de zeventig aanwezigen waarschijnlijk niet representatief zijn voor de hele UU-gemeenschap. “De universiteit is divers, diverser dan hier aanwezig. En de samenleving ziet er ook anders uit. Dat betekent dat we voor de legitimiteit van de universiteit en het draagvlak wel hebben te bedenken: Klopt dit nog? Zien we de samenleving voldoende? En ook: Hoe leiden we op tot kritische wetenschappers?”
Ook de rector staat nog steeds achter het besluit om Baudet uit te nodigen. “Maar ook wij vragen ons af of we voldoende alle perspectieven hebben meegewogen, of we de bijeenkomst voldoende hebben kunnen inkaderen. En of we dat allemaal voldoende zichtbaar hebben gemaakt. Daar moeten we van leren en daarbij helpt dit debat.”
Over de zorgen om de universiteit zelf verzekerde hij de aanwezigen dat het UU-bestuur “echt staat voor een open universiteit”. Ook als dat betekent dat er pijn moet worden geleden. “Als het moeilijk wordt, hebben we wat meer te strijden.” Hij sloot af met de woorden: “Ik ben strijdbaar.”
Dank voor het verslag en spijtig dat ik deze bijeenkomst moest missen. Hier worden mijns inziens een aantal belangrijke zaken aangestipt, zoals hoe academische vrijheid vorm te geven en open te staan voor iedereen in een debat via de juiste inkadering. En een gekozen rector, wat een interessant idee! Op Duitse universiteiten zijn expliciet democratische beslis-structuren ook al gebruikelijker. Food for thought and action.