Interview Thomas Vaessens
Decaan over beladen plannen Geesteswetenschappen: 'We willen het wel sámen doen'
De Utrechtse faculteit Geesteswetenschappen wil in 2029 financieel gezond zijn. Dat streven leidde eerder al tot het veelbesproken besluit om enkele talenopleidingen te sluiten. Ook werd een vacaturestop afgekondigd. Maar het is vooral een andere inrichting van het bacheloronderwijs die uitkomst moet bieden. Die moet ervoor zorgen dat er straks zo'n 85 voltijds medewerkers minder nodig zijn.
In het afgelopen jaar maakte het faculteitsbestuur bekend hoe het dit voor elkaar wil krijgen. Studenten van verschillende opleidingen gaan samen vakken volgen in thematische ‘verbindingspakketten’ en studenten zullen vaker onderwijsvormen krijgen waarbij de docent een minder intensieve rol heeft dan voorheen.
Decaan Thomas Vaessens benadrukte daarbij keer op keer dat de wijzigingen óók moeten leiden tot een vernieuwing van de geesteswetenschappen. Het versnipperde onderwijsaanbod zorgt voor hoge werkdruk en hoge kosten. Bovendien vraagt de hedendaagse wetenschap én ook de samenleving volgens hem om meer samenwerking tussen disciplines.
Maar bij een groot deel van de geesteswetenschappers is er nog ongemak en onvrede. Over de wijze waarop de plannen tot stand komen, maar ook over de risico’s die er mogelijk gelopen worden. Want gaan studenten nog wel voldoende leren van de discipline waarvoor ze hebben gekozen? En hoe weet de decaan zo zeker dat studenten wel geïnteresseerd zijn in de nieuwe opzet? Wellicht lopen er straks juist wel studenten weg.
Als ik vraag hoe u kijkt naar het proces tot nu toe, wat zegt u dan?
“Dat we halverwege zijn. We zijn immers op de helft van de transitieperiode waarin we financiële ondersteuning van het UU-bestuur krijgen. Onze uitgaven moeten voor eind 2028 drastisch omlaag, en daarmee liggen we keurig op schema. Ook inhoudelijk gaat het volgens plan. Daarvoor is het essentieel dat we onze werkzaamheden aanpassen aan de krimpende staf. En dat is heel spannend. Veel docenten in de faculteit merken nu pas echt dat er dingen moeten veranderen. Voor hen is dit het begin.”
We horen vaak de kritiek dat het een topdown proces is waar docenten zelf weinig over te zeggen hebben. Hoe komt dat?
“Nou, de ingrijpendste momenten liggen alweer twee jaar achter ons. Toen, in de zomer van 2024, was er geen tijd voor een rustig bottom up proces. Het was – zeker gezien de Haagse bezuinigingen op dat moment - noodzakelijk om de bakens te verzetten. En daar neem ik ook de verantwoordelijkheid voor. Maar er is in die twee jaar veel gebeurd. Er zijn ontzettend veel mensen met volle kracht aan het werk gegaan. Inderdaad, nog niet iedereen is aangesloten, maar de groep die zich betrokken voelt is gegroeid. En daar ben ik heel blij mee.”
Maar wat zegt u nu tegen die medewerkers die het gevoel hebben dat alles toch al besloten is ….
“Die nodig ik uit aan tafel en die probeer ik mee te laten praten. We hebben eerder deze maand twee ontzettend inspirerende sessies gehad, waarin we hebben gesproken over aspecten van wat de onderwijsdirecteuren bedacht hebben voor de nieuwe bachelor. Daar was zoveel enthousiasme en de gesprekken waren zo constructief. Ik zie er echt naar uit om dat vaker te doen. Misschien denken veel medewerkers dat het een rijdende trein is. Dat is voor een groot deel ook zo, want er moet heel gedaan worden. Maar ja, we willen dat natuurlijk wel samen doen.”
U hebt het vaak over de noodzakelijke ‘verduurzaming’ van de Geesteswetenschappen en wat er nodig is om de disciplines aantrekkelijk te houden. Wordt uw visie daarop wel gedeeld binnen de faculteit?
“Voor wat betreft de uitgangspunten voor ons nieuwe bacheloronderwijs denk ik dat veel mensen die wel steunen. Iedereen voelt dat we een opdracht hebben om nog beter te laten zien dat eenzijdige technologische of economische oplossingen de maatschappij niet verder helpen. Onze kennis van geschiedenis, talen, filosofie, kunst en religie is net zo cruciaal. En iedereen voelt ook dat we daarom meer samen moeten werken in interdisciplinaire verbanden en met stakeholders binnen de samenleving. Het wordt lastiger als mensen zien welke consequenties die insteek vervolgens heeft voor hun eigen programma’s. En dat snap ik ook.”
Dat er veel zorgen zijn, bleek onder meer uit een petitie die de afgelopen maanden rondging binnen de faculteit. Hoe hebt u daarnaar gekeken?
“Dat een grote groep mensen zich verenigt en zich uitspreekt voor de geesteswetenschappen vind ik mooi. We nemen dat soort geluiden natuurlijk mee. We hebben ook een goed gesprek gehad met de initiatiefnemers van de petitie.”
De initiatiefnemers zelf geven aan wat minder positief te zijn over dat gesprek ….
Vaessens heft zijn handen, en blijft stil.
Vanuit de petitie sprak onder meer de zorg dat de invoering van de verbindingspakketten te zeer ten koste gaat van de disciplinaire opleiding en studenten mogelijk wegjaagt.
“Wij zien dat niet als een risico. Wij anticiperen op de ontwikkelingen in het onderzoek, op de behoeftes van de arbeidsmarkt en op de belangstelling van studenten. Studenten uit verschillende opleidingen gaan meer samendoen, en dat doen ze op grote thema’s die onze expertise dringend nodig hebben. Denk aan democratie, AI en erfgoed."
“En geen misverstand: we blijven inzetten op waar we sterk in zijn, namelijk in herkenbare, disciplinair georiënteerde programma's. Alleen verstevigen we die programma’s nu door een gezamenlijk deel, waardoor je schaalvoordelen krijgt én waardoor die programma’s inhoudelijk nog sterker worden.”
Hoe weet u zo zeker dat dit de juiste koers is?
“We varen op de vele analyses die er in de afgelopen decennia zijn gemaakt naar aanleiding van de problemen die de Geesteswetenschappen hebben. Die zijn allemaal vrij helder. De opleidingen zijn te kleinschalig georganiseerd en laten te weinig zien wat we waard zijn. We weten al vrij lang wat voor soort dingen er nodig zijn, en die zijn we nu ook echt aan het doen.”
Maar wanneer weet u voor uzelf straks dat u op de goede weg bent? Wanneer is dit veranderingsproces een succes?
“We hebben een convenant met het College van Bestuur. Voordat dat afloopt moeten we in ieder geval onze financiële beloftes aan het College van Bestuur hebben waargemaakt. Verder zijn er wat mij betreft drie doelstellingen. Studenten en medewerkers moeten straks studeren en werken binnen uitdagende programma’s die relevant zijn en die ook door de buitenwereld als relevant worden gezien. Daarnaast moet de faculteit financieel robuuster worden. En ten slotte willen we met ons onderzoek internationaal toonaangevend blijven.”
U zegt niet: meer studenten?
“Nee, dat zou een ambitie zijn die we niet kunnen waarmaken gezien de demografische ontwikkeling. Er komen in Nederland immers steeds minder achttienjarigen. Ook is de kijk op de internationalisering van het onderwijs veranderd waardoor minder studenten van over de grenzen welkom zijn in Nederland.”
Dan blijft het succes lastig te meten. Waar bent u straks op af te rekenen?
“Ik wil heel graag met iedereen in gesprek over hoe we dit gaan monitoren. Voor nu zeg ik: er zijn heldere afspraken met het College van Bestuur. Die moeten we nakomen. En die afspraken komen voort uit een inhoudelijk plan met de drie dimensies die ik net noemde. Want dit is niet louter een financiële exercitie.”
En dan de werkdruk. Die was al hoog. Maar nu “piept en het kraakt het” echt, horen we vaak.
“Het is juist een van de kerndoelstellingen van het hele transitieplan om iets aan die werkdruk te doen. Hoe we dat doen? Door taken te verminderen. Zo gaan we werken met onderwijsvormen die voor studenten heel intensief blijven, maar voor docenten minder. Model B noemen we dat. Dat gaat allemaal niet van de ene op de andere dag. Maar aan het einde van de transitieperiode moet er echt merkbaar meer rust en ruimte voor docenten zijn.”
Op termijn moet de werkdruk dus afnemen, maar docenten moeten nu aan de slag om nieuwe cursussen te ontwikkelen en hun huidige cursussen ombouwen naar model B. Hoe houdt u die werkdruk binnen de perken?
“Het is heel fijn dat het College van Bestuur extra middelen beschikbaar heeft gesteld. Zo kunnen we docenten extra tijd geven om dat nieuwe onderwijs te ontwikkelen. Aanvankelijk dachten we dus dat daar geen ruimte voor was. En we kijken echt elke dag welke taken minder essentieel zijn. We kunnen verder alleen maar vragen om geduld en medewerking tot 2028. Dat is niet een eeuwigheid.”
Sommigen denken dat u harder op deur van het CvB had moeten bonzen … .
“Het CvB helpt ons al met 9 miljoen. Daarmee krijgen we tijd om veranderingen door te voeren en daarmee voorkomen we een reorganisatie. En daarbij krijgen we de ruimte om die veranderingen zélf inhoudelijk vorm te geven. Het is ónze verduurzamingsagenda. Ik voel me kortom al zeer gesteund.”
Maar geesteswetenschappers lezen dat de universiteit weer 25 miljoen overhoudt en dat sommige faculteiten moeite moeten doen om hun reserves niet te groot te laten worden ….
“Ik snap dit hoor. Maar die faculteiten zijn al heel lang solidair en loyaal met de geesteswetenschappen. Dat is mooi, maar ook heel wankel. Zeker als in de komende jaren iedereen de studentenaantallen zal zien teruglopen. Wij moeten gewoon als sterke en zelfbewuste faculteit onze eigen broek kunnen ophouden.”
Uw collega-decaan in Nijmegen stapte op omdat zij vindt dat haar universitair bestuur zich laat leiden door consultants. Ze kreeg veel bijval. Wat denkt u dan?
“Dat herken ik in Utrecht helemaal niet. Onze bestuursleden nemen waar het de geesteswetenschappen betreft besluiten op basis van de inhoud en geloven in het grote belang daarvan voor de hele universiteit. En dat laten ze ook gewoon zien.”
Zeker binnen de Geesteswetenschappen is een grote roep om weer meer democratisering toe te staan binnen universiteiten. Ook naar aanleiding van de bezuinigingen kwam die vraag weer op. Waarom geeft u de faculteitsraad geen instemmingsrecht op de veranderingen in het onderwijs?
“De medezeggenschap hééft instemmingsrecht op de nieuwe onderwijsprogramma’s, zoals die straks worden vastgelegd in de OER (Onderwijs- en Examenreglement, red). De roep om meer democratisering begrijp ik best, maar ik vind óók dat te vaak vergeten wordt dat er verschillende vormen van democratische borging naast elkaar bestaan. Er is de interne inspraak via de medezeggenschap, maar aan de andere kant is er ook de externe democratische borging via de Raad van Toezicht, de minister en de Kamer, waarbij het er vooral om gaat of we verantwoord omgaan met publieke middelen.”
En ten slotte: hoe zit het met de studenten? Daar doet u het uiteindelijk voor. Leiden uw plannen er niet toe dat de band met docenten en de opleiding minder hecht wordt.
“In de eerste plaats is het natuurlijk niet de bedoeling dat de betrokkenheid van studenten bij hun opleiding afneemt. En het is ook niet zo dat we willen dat studenten en docenten elkaar minder zien. Echt niet. Wat we wel willen is dat we minder afwijkend worden ten opzichte van andere faculteiten die minder contactonderwijs hebben. We kunnen van hen ook leren hoe ze dat doen, hoe ze de betrokkenheid waarborgen en met welke werkvormen.”
Het helpt dan misschien niet dat voorstellen om de studentenbegeleiding te verbeteren in de ijskast zijn gezet.
“We willen echt gaan inzetten op de professionele en persoonlijke ontwikkeling van studenten, zoals ook in het vernieuwde universitaire onderwijsmodel wordt bepleit. Er ligt nu een mooi en ambitieus advies voor een uitgebreider tutoraat en een leerlijn door het curriculum heen. Daar hebben we nu nog geen besluit over kunnen nemen, want er zitten veel aspecten aan. Ja, ook een kostenaspect. Maar laat duidelijk zijn dat we dit cruciaal vinden. Studiesucces moet studentsucces worden.”
Tja het gaat allemaal heel voorspoedig. Alleen geeft wel de ene na de andere vice-decaan vroegtijdig de pijp aan Maarten. Geeft te denken.