Hoogleraar Arnoud Visser schreef een geschiedenis van de betweter
‘Wetenschappers halen het bloed onder de nagels vandaan’
Als een kind iedereen door de benen speelt tijdens een potje voetbal op het schoolplein, zijn leeftijdgenoten vooral onder de indruk van diens talent. Maar als een leerling in de klas telkens gretig een vinger opsteekt om het goede antwoord te geven, leidt dat juist tot ergernis bij klasgenoten. Hoe kan dat?
Een intrigerende kwestie, vindt cultuurhistoricus en UU-hoogleraar Arnoud Visser. Op de basisschool was hij zelf zo’n jongetje dat moeilijke woorden gebruikte en overal vragen over stelde. “Ik was best bijdehand”, zegt hij. “Uiteindelijk kwam ik erachter dat mensen dat enorm irritant vonden. Dat zorgde ervoor dat ik een tijdlang behoorlijk verlegen was. Tegelijkertijd heeft het me altijd geïntrigeerd wat er nou eigenlijk mis was met mijn gedrag.”
Kennis geldt doorgaans als iets positiefs, maar kan ook afkeer veroorzaken. Vrijwel nergens is dat zo zichtbaar als bij de betweter: wie te nadrukkelijk met geleerdheid pronkt, wordt al snel onuitstaanbaar gevonden. En dat is een verschijnsel van alle tijden, zo is te lezen in het boek On Pedantry – A Cultural History of the Know-It-All, dat in november verscheen.
Daarin beschrijft Visser uiteenlopende geleerde figuren én de weerstand die zij opriepen bij hun tijdgenoten – van de Griekse filosoof Socrates, die belachelijk werd gemaakt in toneelstukken en zelfs ter dood werd veroordeeld, tot pedante professoren uit de twintigste eeuw die in Hollywoodfilms werden bespot.
Ook in een actuele context zijn er talloze voorbeelden van mensen die het stempel ‘betweter’ krijgen. Politicus Frans Timmermans, bekend om zijn talenknobbel, kreeg tijdens recente campagnes regelmatig het verwijt ‘elitair’ te zijn. In de Verenigde Staten wist Donald Trump mede te profiteren van de afkeer jegens de ‘belerende’ Democraten.
“En ook wetenschappers ervaren veel weerstand”, zegt Visser. “Dat zag je tijdens de coronacrisis, toen Jaap van Dissel werd bedreigd. Maar ook geesteswetenschappers, zoals ik, halen bij velen het bloed onder de nagels vandaan.”In On Pedantry onderzoekt Visser wat er in zulke situaties precies gebeurt – zowel aan de kant van degene die zich ergert als aan de kant van de betweter zelf. “Ik ben natuurlijk geen anti-intellectueel”, zegt hij. “Maar ik wilde ook niet dichtgetikt zijn en aannemen dat het probleem altijd bij de ander ligt.”
Volgens Visser hebben intellectuelen soms het idee dat zij irritant worden gevonden omdat ze de waarheid spreken. “Daarin volgen ze Socrates, die zichzelf zag als een horzel die mensen alert hield. Dat is comfortabel, omdat je dan niet over je eigen gedrag hoeft na te denken. Maar het lijkt mij ook goed om in de spiegel te kijken: zo kun je leren hoe je je kennis effectiever deelt.”
‘Het lijkt mij ook goed om in de spiegel te kijken’
Om in kaart te brengen hoe de afkeer jegens intellectuelen zich uit, analyseerde Visser spotprenten, polemieken, essays, theaterstukken en films uit een periode van meer dan tweeduizend jaar. “Erg uitdagend, omdat veel daarvan nogal buiten mijn comfortzone ligt”, zegt Visser, die is gespecialiseerd in vroegmoderne teksten. “En ik vond het spannend of je, wanneer je het geheel van een afstand bekijkt, er ook patronen in kunt ontdekken.”
Die patronen blijken er te zijn. Volgens Visser keren in onze omgang met betweters namelijk opvallend vaak dezelfde beelden terug. De afkeer richt zich zelden op hun ideeën, maar vooral op hun uiterlijk en gedrag: ze zouden lelijk of onverzorgd zijn, onaangepast, lang van stof, ruziezoekend en te veel ingewikkelde woorden gebruiken. Zelden gaat het over wát ze zeggen, des te vaker over hóé ze overkomen. Met andere woorden: de betweter overschrijdt een sociale norm – en dát is wat irriteert, niet zozeer de waarheid die hij verkondigt.
Welke norm dat is, verschilt door de tijd heen – en daarmee ook wie als betweter wordt gezien. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop het concept ‘mannelijkheid’ wordt ingezet om intellectuelen te diskwalificeren. Visser beschrijft hoe intellectuelen in het oude Rome vooral niet té fijnbesnaard mochten zijn: dat werd als onmannelijk beschouwd. Maar in de Parijse salons van de 17de eeuw werden degenen die hun kennis op een te lompe manier verkondigden juist verafschuwd: daar werd de betweter als té mannelijk gezien. En ook in onze tijd houdt de ultieme betweter, de mansplainer, zijn mannelijkheid niet in toom.
‘In de digitale wereld is het lastig om de kwaliteit van kennis te waarborgen’
Daarmee dringt zich een andere vraag op. Als die sociale norm telkens verandert, geldt dat dan ook voor hoe gemakkelijk dat etiket wordt opgeplakt? En worden intellectuelen in onze tijd – waarin feiten niet zomaar voor waar worden aangenomen – wellicht sneller bestempeld tot betweter? “Dat is historisch lastig meetbaar, dus dat durf ik niet te zeggen”, zegt Visser. “Maar ik heb wel het idee dat er iets aan de hand is: irritaties over betweterigheid zijn zo alomtegenwoordig.”
Een mogelijke verklaring ziet Visser in de veranderingen in de infrastructuur van kennis. “In de digitale wereld is het lastig om de kwaliteit van kennis te waarborgen. Daar heeft de opkomst van kunstmatige intelligentie nog een dimensie aan toegevoegd”, zegt hij. “Daarnaast zien we ook een opkomst van populisten in de politiek, die een sterke nadruk op het afwijzen van het establishment – waaronder ook traditionele kennisinstituten vallen. Dat geeft veel ruis.”
Arnoud Visser. Foto: Ed van Rijswijk
Maar we moeten ons ook niet blindstaren op de huidige situatie, waarschuwt Visser. “Als je naar de geschiedenis kijkt, zie je dat deze reflex – het afwijzen van ‘geleerde’ kennis – voortdurend terugkeert.”
In On Pedantry beschrijft Visser bijvoorbeeld de campagne van Andrew Jackson, die aan het begin van de 19de eeuw de Amerikaanse verkiezingen won van John Adams. Jackson, een oud-generaal, deed een beroep op common sense, terwijl Adams, die aan Harvard had gestudeerd, werd neergezet als iemand die met zijn dure taal ver afstond van de gewone man.
‘Vaak is de reactie: wie denkt hij wel niet dat hij is?’
Waarom vinden mensen het eigenlijk zo onuitstaanbaar als mensen hun geleerdheid te opzichtig tentoonspreiden? ‘Als historicus heb ik meer bewijs voor hoe dat gebeurt, dan waarom’, benadrukt Visser. Maar hij vermoedt dat macht een belangrijke rol speelt. Het uiten van kennis kan namelijk overkomen als een claim op sociale distinctie: dat je boven de samenleving staat. “Vaak is de reactie daarop: wie denkt hij wel niet dat hij is”, zegt Visser.
In de oudheid vonden machthebbers bijvoorbeeld dat filosofen te veel praatjes hadden voor hun sociale positie. Wie tijdens de middeleeuwen te wijsneuzerig deed, was niet bescheiden genoeg ten overstaan van God. En sinds de opkomst van het kapitalisme worden al te geleerde figuren geregeld weggezet als nutteloos, omdat hun kennis weinig directe economische waarde zou hebben.
Wat kunnen we daarvan leren? Visser: “Wie zich stoort aan een betweter, zou zich moeten afvragen: welke sociale norm wordt hier precies overschreden, en is dat werkelijk zo problematisch?” Maar ook de betweter kan de hand in eigen boezem steken, vindt hij. “Die zou een sociale antenne moeten ontwikkelen, waarmee hij aanvoelt welk gedrag tot irritatie leidt. Dat mensen boos worden, betekent niet dat je op de goede weg bent. Wie dat inziet, wordt een effectievere betweter. Wat ook altijd helpt: een gezonde dosis twijfel aan jezelf.”
‘Binnen de universiteit is er een neiging om vooral te zenden’
Wat dat precies betekent binnen een universitaire context, vindt Visser ingewikkeld. “Dan klink ik al snel zélf belerend, en dat wil ik juist vermijden”, zegt hij. “Al kan ik wel stellen dat een college een open uitwisseling van ideeën hoort te zijn, waarin mensen fouten durven maken. Ik merk dat we binnen de universiteit soms de neiging hebben om vooral te zenden. Docenten en studenten stellen vragen die eerder opmerkingen zijn; onderzoekers presenteren hun papers op congressen zo ingewikkeld, dat ze onbegrijpelijk worden. Daar valt winst te behalen.”
Daarnaast denkt Visser dat wetenschappers, vooral in hun omgang met het grote – en vaak niet bepaald welwillende – publiek, iets kunnen leren van Benjamin Franklin. “In zijn autobiografie schrijft hij dat hij in zijn jeugd een fanatiek debater was, maar merkte dat dat hem niet geliefd maakte. Hij ontdekte dat het effectiever is om kritische vragen aan de ander te stellen, dan agressief je positie te verdedigen. Gelijkhebberigheid, zelfs als je daar het volste recht toe hebt, werkt meestal contraproductief.”
Reacties
We stellen prijs op relevante en respectvolle reacties. Reageren op DUB kan door in te loggen op de site. Dat kan door een DUB-account aan te maken of met je Solis-ID. Reacties die niet voldoen aan onze spelregels worden verwijderd. Lees eerst ons reactiebeleid voordat u reageert.