Gezamenlijke waarheidsvinding

Stop met steggelen over de grenzen van vrije meningsuiting

Annelien-de-Dijn-foto Ivar Pel voor DUB
Annelien de Dijn, foto Ivar Pel/DUB

Vrijheid van meningsuiting is een van de hoogste idealen van de westerse wereld. Volgens veel voorvechters van dit ideaal mogen zelfs verwerpelijke of aantoonbaar onware uitlatingen in het publieke domein worden geuit, net als uitingen die racistisch en discriminerend zijn. Een goed voorbeeld van het verkondigen van onwaarheden is de bewering van Donald Trump dat de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020 van hem zijn gestolen.

Naar ‘free speech absolutism’ werd verwezen  in de recente controverse rond Nathan Cofnas, een postdoc aan de Universiteit Gent die op non-actief is gesteld, omdat hij racistische ideeën en denkbeelden zou verdedigen. Verschillende academici namen het voor hem op. Zij vonden dat hij het recht had om “controversiële opvattingen” te uiten, ook als zij het hartsgrondig met hem oneens waren.

Hoe is deze opvatting over vrije meningsuiting ontstaan? Hoe zijn we ertoe gekomen onbeperkte vrijheid van meningsuiting te beschouwen als een van de belangrijkste kenmerken van een vrije samenleving?

Na de Tweede Wereldoorlog
Die vraag staat centraal in een recent boek van de Indiaas-Amerikaanse historicus Fara Dabhoiwala, dat deze zomer op mijn leeslijstje stond. In What Is Free Speech? The History of a Dangerous Idea laat Dabhoiwala zien dat dit ideaal veel recenter is ontstaan dan we geneigd zijn te denken. 

De eerste verdedigers van vrije meningsuiting vinden we in het 17de-eeuwse Engeland. Maar de gedachte dat onbeperkte vrijheid van meningsuiting hét kenmerk van vrije samenlevingen vormt, werd pas veel later dominant: in de tweede helft van de 20ste eeuw. Vooral na de Tweede Wereldoorlog werd het idee dat uitingen nooit beperkt zouden mogen worden -  ongeacht hoe onjuist of haatdragend ze ook zijn -  breed aanvaard;  met name in de Verenigde Staten.

Tijdens de Koude Oorlog presenteerden de Verenigde Staten zich als leider van de ‘vrije wereld’. Vrijheid werd daarbij steeds meer gedefinieerd in termen van individuele rechten zoals vrijheid van meningsuiting. Daar tegenover stond het communistische model waarin juist collectieve en economische vrijheid centraal zou staan. Vanaf de jaren 70 raakte dit absolutisme bovendien verweven met het ideaal van economische-en marktvrijheid.

Tegenstellingen
De opkomst van free speech absolutism heeft een belangrijke impact gehad op het debat over vrije meningsuiting. Mede hierdoor heeft dit debat zich grotendeels ontwikkeld tot een weinig productieve strijd over de grenzen van die vrijheid. Veel Amerikaanse opiniemakers benadrukken daarbij dat uitingen nooit mogen worden beperkt, terwijl andere (vooral Europese) commentatoren juist wijzen op de gevaren van leugens en haatzaaiende uitingen en daarom beperkingen verdedigen. Deze tegenstelling zien we steeds opnieuw terug, bijvoorbeeld in discussies over cartoons van Mohammed, klimaatwetenschap en antisemitisme.

Zoals Dabhoiwala terecht laat zien, zijn deze debatten echter vaak weinig vruchtbaar. In steeds verder gepolariseerde samenlevingen is het moeilijk om grenzen aan meningsuiting te formuleren waarover brede overeenstemming bestaat. Wat precies als racisme, antisemitisme of discriminatie moet worden beschouwd, is zelf onderwerp van hevige politieke strijd. Het debat ontaardt daardoor gemakkelijk in een scheldwedstrijd, waarbij mensen vooral vrijheid van meningsuiting verdedigen voor de opvattingen die zij zelf belangrijk vinden.

Gezamenlijk waarheid zoeken
Hoe kunnen we dan verder? Ook hier biedt Dabhoiwala’s boek een belangrijke les. Het huidige debat over de grenzen van vrije meningsuiting verhult namelijk een veel fundamentelere vraag: hoe is de infrastructuur van het publieke debat georganiseerd? 

Want waarom vinden we vrije meningsuiting eigenlijk waardevol? Zelfs de meest uitgesproken verdedigers van vrije meningsuiting zullen doorgaans antwoorden dat deze vrijheid het algemeen belang dient, omdat zij ons in staat stelt gezamenlijk naar de waarheid te zoeken. Samenlevingen worden immers geconfronteerd met vragen die collectieve beslissingen vereisen: hoe bestrijden we klimaatverandering? Hoe gaan we om met migratie? Mogen homoseksuele stellen trouwen? Vrije meningsuiting moet een publiek debat mogelijk maken, waarin we gezamenlijk proberen het beste antwoord te vinden op die vragen.

Daarachter schuilt echter een belangrijke aanname: dat de waarheid vanzelf boven komt drijven wanneer ideeën vrij met elkaar kunnen concurreren. Dit wordt vaak voorgesteld als de ‘markt van ideeën’: wanneer iedereen zijn ideeën aan het publiek kan aanbieden, zullen uiteindelijk de beste ideeën winnen.

De media
In  werkelijkheid bestaat zo’n gelijk speelveld niet. Vrijheid van meningsuiting geeft burgers misschien formeel het recht hun ideeën te uiten, maar de verspreiding ervan wordt in hoge mate bepaald door mediabedrijven. Deze zijn doorgaans commerciële ondernemingen die niet primair het algemeen belang dienen, maar de belangen van hun eigenaren – miljardairs als Elon Musk, Mark Zuckerberg en Rupert Murdoch. Het gevolg is dat deze media bestaande machtsstructuren eerder reproduceren en legitimeren dan dat zij de macht ter verantwoording roepen.

De geschiedenis laat echter zien dat dit probleem niet onoverkomelijk is. Met de opkomst van radio en televisie in de jaren 20 en 30, bijvoorbeeld, werden in Europa en de Verenigde Staten nieuwe toezichthouders opgericht. Zij stelden spelregels op om ervoor te zorgen dat deze nieuwe media eerlijke en objectieve informatie voorzagen aan burgers. En met succes – tenminste tot deze toezichthouders werden ontmanteld onder invloed van het neoliberale marktdenken van de jaren 90. 

De geschiedenis laat daarmee zien dat onze huidige media-infrastructuur niet onvermijdelijk is. Het is mogelijk om door collectieve actie een publieke sfeer te creëren die vrije meningsuiting daadwerkelijk ondersteunt: een vorm van vrije meningsuiting die bijdraagt aan de gezamenlijke zoektocht naar waarheid.

Kortom, het wordt tijd om het vruchteloze gevecht over de grenzen van vrije meningsuiting achter ons te laten en ons te richten op een meer fundamentele vraag: hoe creëren we een gelijk speelveld voor de uitwisseling van ideeën? Hoe kunnen we een publieke ‘markt van ideeën’ organiseren waarin iedereen daadwerkelijk een gelijke kans heeft om gehoord te worden, zonder bestaande machtsstructuren onbedoeld te reproduceren? Dat is wellicht de belangrijkste les die we kunnen trekken uit de lange en complexe geschiedenis van de vrije meningsuiting.

Login to comment

Reacties

We stellen prijs op relevante en respectvolle reacties. Reageren op DUB kan door in te loggen op de site. Dat kan door een DUB-account aan te maken of met je Solis-ID. Reacties die niet voldoen aan onze spelregels worden verwijderd. Lees eerst ons reactiebeleid voordat u reageert.

Advertentie