Criminoloog prof.dr. Frank Bovenkerk

Body: 
Een wetenschapper die werkt als politieman ofjournalist

'Je moet nooit het idee hebben dat je één van hunkunt worden, dat doorzien ze onmiddellijk'

'Uit deze boekenkast wordt niet geleend. (Sorry, geenuitzonderingen).' Het witte A4tje met zwarte letters hangt preciesop ooghoogte. De jonge onderzoeker of student die voor deboekenkast van criminoloog Frank Bovenkerk staat, kan de boodschapmet geen mogelijkheid missen. Tot zijn spijt, ongetwijfeld. Want detitels op de zijkant zijn voor de liefhebber van misdaad enspanning stuk voor stuk om van te watertanden. The silentSyndicate, Mob girl, Black Mafia, The mafia in America, AlCapone.

Mag echt niemand...? Bovenkerk begint onverbiddelijk: "Nee,absoluut niet. Er staan boeken bij die ik al vier keer heb moetenkopen en dat is niet echt handig." Om vervolgens terug tekrabbelen: "Nou ja, in de praktijk gebeurt het toch dat ik af entoe een boek uitleen, maar zo'n briefje maakt de kans dat ik hetweer terug krijg groter."

De bovenste plank van de boekenkast is gereserveerd voorbiografieën van misdadigers. Bovenkerk leest geendetectiveromans, dat vindt-ie niks. "Misdaadfictie vind ikoninteressant. Het moet echt gebeurd zijn bij mij. Het echte levenheeft de bijzondere eigenschap dat het, eh...nou ja, echt gebeurdis en dat maakt het spannender dan welke detective ook."

Meer mensen denken daar zo over. Dat merkt Bovenkerk aan deverkoop van zijn eigen werk. Van La Bella Bettien, een biografieover een Nederlandse vrouw die opklom tot de hoogste regionen vanhet beruchte Calikartel en die in 1992 gearresteerd werd, isinmiddels al de vierde druk verschenen. Het is een project waarBovenkerk met plezier aan terug denkt. In 1994 reisde hij ervoornaar de gevangenis van Paliano, ten zuiden van Rome. Daar voerdehij twintig lange gesprekken met Bettien, die in ruil voor eenaanzienlijke vermindering van haar straf, uitvoerige verklaringenaflegde tegenover justitie en de Amerikaanse Drugs EnforcementAdministration (D.E.A).

Zijn laatste boek dat in mei van dit jaar uitkwam, De maffia vanTurkije, is al toe aan een tweede druk. Bovendien wordt hetvertaald in het Turks en in het Grieks. Bovenkerk en co-auteurYücel Yesilgöz zijn nog op zoek naar een uitgeverij dieeen Engelse en een Duitse vertaling kan maken. Bovenkerk: "VooralDuits is interessant, want in Duitsland zitten veel meer Turken danhier."

Nog vóór het verscheen, wist Bovenkerk al dat ook Demaffia van Turkije een kassucces zou worden. "Dat klinkt hovaardig.Maar ik vind dat je alsbeoefenaar van de wetenschap de plicht hebthet zó op te schrijven, dat het voor een breed publiektoegankelijk is. Zeker bij een onderwerp als dit, wat veel menseninteresseert. Ik verschuil me niet achter allerlei ingewikkeldeformuleringen. Maar het kost soms wel moeite. Het is veelmakkelijker om te vervallen in het ingewijden-taaltje vanexperts."

Bovenkerk leunt ontspannen terug in de stoel naast zijn bureau.Een lange, stevige man, met sluik net-niet-kort haar en een grotesnor. Een man met een vriendelijke, bijna vaderlijke uitstraling.Trek hem een politie-uniform aan en er zit een geloofwaardigediender voor je, van wie je blind aanneemt dat hij echt alles inhet werk zal stellen om je gestolen tas terug te vinden.

Bovenkerks werk als misdaadonderzoeker heeft inderdaadraakvlakken met het politiewerk. En met de journalistiek, vindthij. "Maar het grote voordeel van de wetenschap boven dejournalistiek is, dat het de mogelijkheid biedt dingen échtgoed uit te zoeken. Bovendien onderzoek je ook de theoretischebetekenis van iets."

De studie van Bovenkerk en Yesilgöz naar de georganiseerdemisdaad onder Turken in Nederland, is zo'n voorbeeld van een studiedie een wetenschappelijke theorie op zijn kop zet."We hebben altijdgedacht bij het onderzoek naar georganiseerde misdaad in Nederlanddat je moet kijken naar de mensen uit de onderwereld die zichomhoog werken door bijvoorbeeld in de politiek of een bepaaldebedrijfstak te infilteren. Het idee is altijd: van onderop naarboven.

"De tweede vooronderstelling die we altijd impliciet hanterenbij georganiseerde misdaad is, dat het niet-ideologisch is. Mensenworden lid van een criminele organisatie, puur om zichzelf teverrijken op een oneerlijke manier. En ten derde is uiteindelijk destaat altijd het slachtoffer. Omdat de georganiseerde misdaad inplaats komt van de staat.

"Wat blijkt nu in dit geval van Turkije? Dat die definitie datmensen zich vanuit de onderwereld proberen op te werken naar boven,niet klopt. Het is niet een misdadiger die zich opwerkt. Het is deoverheid of een politieke organisatie die het initiatief neemt enaansluiting zoekt bij de onderwereld om allerlei smerige karweitjesvoor ze op te knappen. Wat wij hier in Nederland hebbenaangetroffen in de Turkse gemeenschap, is het uiteinde van een helelange keten van gebeurtenissen, die zijn aanvang vindt in Turkijezelf en voor een deel wel degelijk ideologisch bepaald is.

"Turkije is gekortwiekt in de Eerste Wereldoorlog.Ultranationalisten hebben zich politiek verenigd in de MHP en hunideaal is: de verwezenlijking van het grote Turkse Rijk. De Turkseoverheid gebruikt die sentimenten om die lui voor allerlei smerigezaakjes in te zetten. In naam van de vaderlandsliefde of dehereniging van het Turkse Rijk. Datgaat gepaard met de bestrijdingvan zelf gecreëerde vijanden. Vroeger waren dat de Armeniers,tegenwoordig zijn het de moslim-fundamentalisten en op de eersteplaats de Koerdische beweging.

"Dat zijn vijanden die de interne stabiliteit en homogeniteitvan de Turkse staat bedreigen. Turkije voert een oorlog tegen diegroepen. Daar worden wapens voor ingezet. En die kosten geld. Datkan je niet officieel op je begroting zetten, natuurlijk. Het geldwaarmee de overheid buiten de officiële wegen om wapens koopt,is afkomstig van handel in heroïne. Maar ook de koerdischebeweging PKK ontvangt haar geld van drugshandelaren."

Hoe kwam u daarachter?

"We hadden daarvoor verschillende aanwijzingen. Om te beginnende reactie van de Turkse overheid, naar aanleiding van mijnomstreden uitspraak dat tientallen procenten van de Turkse mannenbetrokken zijn bij de handel in drugs. Dat was tijdens deIRT-enquête. De Turkse Staat toonde zich beledigd. Laterspraken we met een aantal Turkse drugshandelaren in Nederland en inTurkije. Zij vertelden van hun kontakten met vooraanstaandebureaucraten, met ministers. Ja, zelfs met de minister-president!Dat dwong ons de definitie van georganiseerde misdaad nog eens goedte doordenken."

Maar wat is het verhaal van een crimineel waard? Hoeis dat te controleren?

"Dagelijks zijn aanwijzingen voor de vervlechting van de maffiaen de overheid te zien in de media. Op de Turkse televisie zijndiscussies waar maffiabazen gewoon te gast zijn. Verder was er nogdat rare auto-ongeluk. Eind 1996 werden in Susurluk aan de Westkustvan Turkije bij een ongeval een mafialeider, een hogepolitiefunctionaris, een parlementariër en een voormaligeschoonheidskoningin in één auto aangetroffen. Dit beweesdat de banden tussen politie, staat en maffia innig zijn."

Even terug naar de commotie rond uw uitsprakentijdens de IRT-affaire. Was het een 'slip of the tongue', dattientallen procenten van de Turken betrokken zijn bijdrugshandel?

"Nee, dat liep alsvolgt. Aanleiding voor het onderzoek was decommissie Van Traa die het parlementaire onderzoek leidde naar deIRT-affaire. Van Traa benaderde ons - dat wil zeggen: vierhoogleraren Criminologie onder leiding van professor Fijnaut - metde vraag: 'Kun je de aard en omvang vaststellen van degeorganiseerde misdaad in Nederland'?

"Wij hebben daarvoor onder meer de dossiers van de politieAmsterdam, Nijmegen en Arnhem onderzocht. Die bleken bestanden tehebben over Turken en Koerden. De politie wist veel van ze af,omdat die groeperingen - voor zover ze zich met georganiseerdemisdaad bezighielden - in heroïne deden. Heroïne heefteen heel hoge opsporingsprioriteit. Doordat de politie opheroïne joeg, kwam ze dus vanzelf in aanraking met Turken enKoerden. De politie van Amsterdam liet ons een bestand zien metalle namen van Turken en Koerden die ooit betrokken zijn geweestbij drugshandel. Ik was buitengewoon onder de indruk van deduizenden namen die daar in zaten. We hebben de lijst gecheckt,onder meer op dubbeltellingen.

"Toen bleef er nog steeds een lijst over met eenduizelingwekkende hoeveelheid namen. Op de eerste dag van deParlementaire Enquête werden wij verhoord door Van Traa. Hijdrong ontzettend aan op het doen van een concrete uitspraak over deomvang van georganiseerde drugshandel onder Turken. Dat kon ikniet. Maar ik wist wel dat het een enorm aantal was, en dat decriminaliteit zich concentreerde in een aantal wijken. Ik heb toen,in een poging om het aantal bewust vaag te houden, gezegd dat hetom tientallen procenten van de Turkse gemeenschap ging. Enfin, entoen brak de pleuris uit."

U werd door minister Dijkstal openlijk bekritiseerddat u ongenuanceerde uitspraken deed, er verschenen krantenkoppenals: het abrupte einde van Bovenkerks reputatie. Deed dat uiets?

"Natuurlijk. Ik ben in die tijd heel ernstig aangevallen doorVan Doorn in de HP/De Tijd. Hij maakte mij uit voor racist. Datdeed mij pijn, omdat ik Van Doorn heel hoog acht. Nu pas heeft hijzijn beschuldiging herroepen. Een paar maanden geleden, na onsboek, heeft hij in zijn column gezegd dat er toch wel goede grondenzijn om aan te nemen dat veel Turkse mannen betrokken zijn bijdrugshandel. Toen hij mij destijds aanviel, wist ik dat Van Doornongelijk had, dat hij mij ten onrechte dat verwijt maakte. Nu hijmij - net als anderen - bijvalt, denk ik: 'Daar heb ik eigenlijkook niks mee te maken'. Ik heb daardoor niet opeens méérgelijk dan daarvoor.

"Ik sta op het standpunt: ik heb heel vaak dwars tegen deheersende opinies in dingen volgehouden. En of men het nou met meeens is of niet, ik heb alleen tegenover mijzelf verantwoording afte leggen. Punt uit. Het maakt het leven aangenamer als jemedestanders krijgt en als ze je waarderen. Maar dat heeft met dewaarheidsvraag niets te maken."

'De maffia van Turkije' is opgedragen aan Maarten VanTraa. Waarom?

"Omdat onder leiding van Van Traa de eerste onthullingen zijngedaan over dit verschijnsel. Van Traa was bepaald niet gemakkelijkmoet ik zeggen, hij heeft het me echt heel lastig gemaakt met zijnvragen. Maar dat kan ik alleen maar waarderen. Hij wastegelijkertijd als parlementariër buitenlandspecialist met eenbijzondere belangstelling voor de mensenrechten in Turkije. En datinteresseerde ons ook erg. Dus daarom hebben we het boek aanhemopgedragen.

"Ik kende Van Traa al voor de enquête. Onder meer van eencommissie van de PvdA waar we beiden in hebben gezeten. Ik kwam ookwel bij hem thuis. In die periode dat hij met zijn commissieonderzoek deed, vond hij dat hij ook met de onderwereld zelf moestpraten. Dus niet alleen met de politiebonzen en justitiemensen.Daarin was hij net zo'n soort jaren zestig jongen als ik. Voor deeerlijkheid wilde hij met alle partijen praten. Maar het was weleen beetje een romantisch idee, want die criminelen zijn niet zulkeprettige mensen, hoor. Van Traa ging ervan uit dat - omdat ik hetdichtst bij dat criminele milieu zou staan - hij via mij met ze inaanraking kon komen. We zijn toen samen er op uit geweest om metzulke mensen te praten. Om te kijken of hij ze ook voor deenquêtecommissie kon laten verschijnen. Maar hij kreeg al gauwin de gaten dat een verhoor van die mensen voor de commissiehelemaal mis zou gaan. Zij zijn zo slim, dat ze de situatie zoudenkunnen omdraaien om er echt een nummer voor zichzelf van te maken.Dus heeft Van Traa er toch maar vanaf gezien."

Draagt u altijd boeken aan mensen op?

"Nee, helemaal niet. Alleen mijn promotieonderzoek heb ik aanmijn vader opgedragen... en nu dit. Het boek verscheen kort na VanTraa's sterven. Ik was daar, zoals zoveel mensen in Nederland, zeerdoor aangedaan."

Als u spreekt met mensen uit criminele circuits,spreekt u die bij hun thuis?

"Nooit. Ze komen niet bij mij thuis en ik ga niet naar hun huis.Dat is een ongeschreven code. Je spreekt altijd af op neutraleplaatsen. In wegrestaurants, net als de politie. Of op de sportclubwaar ze vaak worstelen. Dat is heel wezenlijk, dat leer ikstudenten en onderzoekers ook: je mag niet naar mensen thuis toe,nooit in hun eigen sfeer. Dan ben je veel te afhankelijk enchantabel. Zeker als het om zwaardere onderwerpen gaat, dan zou jewel eens dingen kunnen horen of zien die heel gevaarlijk zijn voorde mensen in kwestie. Dus het simpele risico dat jij dat aan depolitie zou kunnen vertellen, dat maakt jou kwetsbaar.

Als onderzoeker ben je altijd een professional stranger. Je moetnooit het idee hebben dat je één van hun kunt worden, datdoorzien ze onmiddellijk. Je moet professioneel zijn. Dat betekentdat je een zekere ambachtelijke afstand houdt. Zonder dat gaat hetniet, dan ben je echt verloren. Going native, heet dat te dichterop zitten. Ik zal niet beweren dat het mij nooit is overkomen. Jeziet het gebeuren bij misdaadonderzoekers en bijmisdaadjournalisten; het is een bekende valkuil."

Waar let u op bij het aanvaarden van eenonderzoeksopdracht?

"Primair is natuurlijk of ik het belangwekkend vind, of ik erzelf in geïnteresseerd ben. Ik kijk ook of er kansen in zittenvoor jonge onderzoekers om op aangesteld te worden, of erpromotiemogelijkheden in zitten. Ja, en je moet het ookkúnnen. Vanmorgen waren hier een paar heren van de politie dietwee onderzoeken voorstelden. Van het ene zei ik: 'Dat kan ik niet,want dat beheers ik niet'.

"Ik moet zeggen, ik word erg veel gevraagd voor allerleionderzoek. Ik zeg meestal nee. Maar wat ik over hou is toch nog eenheleboel. Mijn opdrachtgevers zijn vaak politie en ministeries.Maar ook wel eens een branche-organisatie van de exploitanten vangokautomatenhallen. Die zaten met het probleem dat hen vaakvergunningen werden geweigerd omdat er zoveel criminaliteit in debranche zou zitten. Zij zeiden: 'Volgens ons is dat niet waar. Kunjij dat niet eens voor ons uitzoeken.' Toen zei ik: 'Dat kan ik welonderzoeken, maar dan wil ik wel eerst een onafhankelijkegeldschieter vinden. Ik doe het niet met jullie geld. Want als deuitkomst blijkt te zijn dat de branche zo misdadig is als de pest,wil ik dat ook kunnen publiceren. Toen zijn ze naar het Ministerievan Justitie gestapt. En die wilden dat ook wel eens uitgezochthebben. Dus had ik een onafhankelijke geldbron. Toen heb ik drieonderzoekers in dienst genomen, waarvan twee studentes. Die zijngewoon gaan werken in die gokhallen, op acht verschillende adressenin Nederland. Verder was er een jurist die alle verordeningenbekeek. Van binnenuit hebben we geprobeerd te achterhalen hoe hetmet de misdaad in die branche zat. We kwamen tot de conclusie dathet meeviel.

"De verklaring bleek bovendien redelijk voor de hand liggend.Het aantal vergunningen is zeer sterk gelimiteerd in Nederland.Iedereen met een gokhal verdient goud geld. Ze hebben het dushelemaal niet nodig om zich met criminaliteit in te laten."

Karin Alberts


De straat opgaan...

Zijn CV lijkt wel een jongensboek. Het leven van criminoloogFrank Bovenkerk zit vol met reizen - naar Suriname, Italië, deVerenigde Staten - en met fascinerende mensen: emigranten,gevangenisboeven en marechaussees.

"Ik heb zoveel leuke dingen gedaan. Een oude inbreker uitUtrecht geportretteerd, zeventig jaar is ie inmiddels. 'Ondeugendedingetjes' deed-ie. Hij had dertien jaar van zijn leven ingevangenissen doorgebracht. En hij had altijd prettig gezeten, zeihij. Hij komt nu nog wel eens aan, even koffie drinken. Prachtigeman.

"Aan een onderzoek naar Italiaanse schoorsteenvegers inNederland bewaar ik ook goede herinneringen. Ik ben mee het dakopgegaan. Een schoorsteenvegersbaas heeft me geleerd hoe je op dedaken in Amsterdam kon herkennen, van wie welke schoorsteen was. Jekunt het namelijk ruiken. Dan snoof hij boven een schoorsteen degeur op en zei: 'Hier woont een slager' of: 'Dit ruikt naar eenoude, alleenstaande dame'. Bovendien stonden er tekentjes op dieschoorstenen. Codes die door andere schoorsteenvegers warenachtergelaten. Om de collega's te waarschuwen wie goed van betalenwas en wie niet.

"De straat opgaan, da's mijn manier van werken. Er zijncollega's die zweren bij andersoortig onderzoek. Die zeggen: 'Hetenige, ware onderzoek is kwantificeerbaar'. Er zijn echt frappantegevallen bij in de Nederlandse criminologie, waarbij mensen heleboeken schrijven over een bepaald soort criminaliteit zonder dat zeooit een mens gezien hebben! Dat vind ik onbegrijpelijk. Diezelfdecriminologen die dat doen zeggen: 'Wat die Bovenkerk doet issubjectief'.

"Mijn stijl van werken is te verklaren vanuit mijn achtergrond:ik ben antropoloog, geen socioloog. Antropologen doen het liefstparticiperende observatie. Over het algemeen nemen zij diesociologen met hun enquêtes niet erg serieus. Maar dat geldtdus omgekeerd ook!"