De knutselaar, de manager en de regisseur

Body: 
De sportbestuurder heeft het niet gemakkelijk. Detraditionele binding tussen leden en vereniging bestaat niet meeren de recreatiespeler heeft weinig boodschap meer aan de prestatiesvan het eerste team. Onderzoekers Anton Anthonissen en JanBoessenkool stellen in hun proefschrift 'betekenissen van besturen'vast dat de bestuurder die er in slaagt belangen op elkaar af testemmen nog een zeldzaamheid is.

In het proefschrift waar de onderzoekers van het Centrum voorBeleid en Management (CBM) vrijdag op promoveren worden driestijlen van sportbestuurders onderscheiden. In de eerste plaatsbeschrijven de twee de 'bricoleur'. Dat is de bestuurder die nogbehept is met een nostalgisch gevoel voor clubliefde en dat ook bijanderen verwacht. Met oud-papier-acties en bingo-avonden probeertdeze 'knutselaar' de kas van de vereniging te spekken. "Dit soortbestuurders leeft vooral in het verleden en weet zich niet tevernieuwen", zegt Anton Anthonissen. "Sommigen bezoekenbijvoorbeeld scholen om jongeren te werven. Wanneer dat dan nietlukt gaan ze gewoon nog wat vaker naar die scholen."

De bricoleurs worden volgens de twee onderzoekers steeds meerverdrongen door managers die uitgaan van een bedrijfsmatige aanpakvan hun vereniging. Deze 'ingenieurs' regeren de club met hardehand en werken het liefst met blauwdrukken van betaalde clubs. "Hetbarst van het bedrijfskundig jargon in de amateursport", verteltJan Boessenkool. "Zelfs op het laagste niveau wordt gesproken over'het produkt voetbal dat verkoopbaar moet zijn met name naar desponsor toe'."

Volgens mede-promovendus Anthonissen zijn het ook de ingenieursdie bij gebrek aan vrijwilligers kadertaken willenprofessionaliseren. Steeds meer trainers, kantinemedewerkers enschoonmakers bij amateursport-verenigingen worden betaald.

Volgens de twee promovendi is de vanzelfsprekendheid waarmeehele buurten, kerken of fabrieken lid werden van dezelfdevereniging voorbij. Mensen sluiten zich nu om heel uiteenlopenderedenen bij een sportclub aan. "Maar veel bestuurders sluiten zichaf voor die ontwikkeling. Zij hebben de neiging zich vooral metelkaar bezig te houden.", vertelt Anthonissen. "Ze vereenzelvigenzich daarnaast met het eerste team en de entourage van sponsorendaaromheen. Leden van lagere teams accepteren dit niet. Zij eiseneenzelfde aandacht."

De ideale stijl die door Boessenkool en Anthonissen wordtbeschreven isdie van de 'regisseur'. Dat is de bestuurder die dichtbij de vereniging staat en een dialoog tot stand weet te brengen.Zo nodig is hij in staat zijn visie te herzien. Voor hem is elk lidvan de vereniging even belangrijk. "Helaas zijn er maar verrekteweinig van dat soort bestuurders", zegt Boessenkool.

De twee onderzoekers beklemtonen er niet op uit te zijngoedwillende mensen die twintig, dertig of meer uur in hunvereniging stoppen te bekritiseren. Zij willen hen echter wel 'eenspiegel voorhouden'. Anthonissen: "Laat ze maar eens kijken naarhun eigen handelen en bedenken hoe hun vereniging in elkaar zit enhoe ze met de leden willen omgaan."

Boessenkool wil nog wel een normatieve noot aan het verhaaltoevoegen: "Ik zou zelf veel meer pleiten voor een bestuurlijkeaanpak die weer uitgaat van de sociale functie van desportvereniging. Door de trend naar een produktmatige houding valtdie langzaam weg. En dat is jammer."

Xander Bronkhorst