Onderwijs Natuur- en Sterrenkunde in orde

Body: 
Op het niveau van het onderwijs van Natuur- en Sterrenkunde-opleidingen is weinig aan te merken. Dat concludeerde de visitatiecommissie gisteren aan het eind van een driedaags bezoek aan Utrecht. Toch waren er wat kritische noten.

Net als andere visitatiecommissies die recentelijk Utrecht bezochten, heeft ook de commissie onder leiding van de Leidse hoogleraar theoretische fysica Nienhuis zich laten overtuigen van de verdiensten van het Utrechtse bachelorconcept. “ Je zou misschien verwachten dat de grote keuzevrijheid de samenhang in het programma kwetsbaar maakt, maar in de praktijk valt dat mee”, aldus Nienhuis woensdagmiddag tijdens een mondelinge rapportage in het Minnaertgebouw.

Over het niveau van het Utrechtse onderwijs was Nienhuis daarna kort en stellig. “Dat is in orde. Er is grote inzet van docenten en de studenten zijn tevreden.”

Wat betreft de kwaliteitsbewaking en de studiebegeleiding zag Nienhuis echter grote verschillen tussen de bacheloropleiding en de masterprogramma’s. De bacheloropleiding kent, volgens de commissie, een goed omschreven structuur voor inspraak en kwaliteitsborging. Studenten kunnen ook rekenen op adequate begeleiding door mentoren en tutoren. Bij enkele masteropleidingen waren dat soort zaken minder goed geregeld, zo constateerde de commissie.

Nienhuis merkte daarnaast op dat de commissie graag zou zien dat Utrechtse masterstudenten -meer dan nu het geval is- in direct contact komen met onderzoekers. “Wij pleiten ervoor studenten in de masterfase een plaats te geven in of in de nabijheid van een onderzoeksgroep.” Nienhuis zei zich te realiseren dat aan deze wens een prijskaartje hangt. Hij riep het faculteitsbestuur op zich hierover te beraden.

Een laatste aanmerking betrof de relatieve geringe aandacht voor experimentele vaardigheden in de als ‘theoretisch’ bekendstaande Utrechtse opleiding. “Waarnemen, meten en experimenteren, blijft de basis van de natuurkunde”, meende Nienhuis. En dan is alleen een eerstejaars practicum misschien wel erg lang geleden wanneer je aan je master begint.”

Afsluitend zei Nienhuis dat hem was opgevallen dat studenten het in Utrecht erg naar hun zin hebben, blijkens ook het geringe aantal bachelorstudenten dat er voor kiest hun master elders te doen. Ook had hij grote waardering voor de inspanningen die worden verricht om studenten uit het buitenland naar Utrecht te halen. “Dat begint duidelijk op gang te komen. We hebben behoorlijk wat gesprekken in het Engels moeten voeren.”

XB