Opinie: Onderzoek is zeker niet eenduidig
'Een laptopverbod lost het verkeerde probleem op'
Zo nu en dan komt het idee weer voorbij: the pen is mightier than the keyboard. In twee recente artikelen op dit platform (hier en hier) wordt beschreven hoe docenten studenten vragen hun laptops in de tas te houden. De kop van het eerste artikel windt er geen doekjes om: “wetenschappelijk bewezen beter”. Bij zo’n stevige stelling gaat mijn onderwijskundige pet op: klopt die claim eigenlijk wel?
Het argument voor laptopvrij onderwijs bestaat uit twee beweringen die door elkaar lopen. Eén: pen en papier leidt tot betere verwerking. Twee: laptops zorgen voor afleiding. Die twee worden samengeperst tot één conclusie: laptops eruit. Maar wat zegt onderzoek?
Wat doe je met je notities?
Er bestaan diverse meta-analyses over pen versus laptop. Drie daarvan (Allen et al., 2020; Lau, 2022; Flanigan et al., 2024) vinden een klein positief effect voor handschrift. Twee andere (Voyer et al., 2022; Urry et al., 2021) vinden geen significant verschil. De meest recente vindt een effectgrootte van 0.248. Statistisch significant, maar erg klein: de overlap tussen beide groepen is ruim 85 procent.
Dat effect treedt bovendien vooral op wanneer studenten hun aantekeningen herlezen. Zonder herlezen wordt het verschil nog kleiner. Het gaat dus niet om pen of laptop, maar om wat je doet met je notities. De literatuur laat consistent zien dat de hamvraag is hoe je noteert, niet waarmee. Letterlijk overschrijven leidt tot oppervlakkiger verwerking. Dat gebeurt vaker op een laptop, maar het is geen eigenschap van het apparaat.
Wie verder graaft, stuit op nog een probleem. Een veelgeciteerd EEG-onderzoek van Van der Weel en Van der Meer (2024) wordt aangehaald als bewijs dat schrijven het leren bevordert, maar in die studie werden geen leeruitkomsten gemeten. Er werd hersenconnectiviteit vastgesteld, en de sprong naar “dus beter leren” is een aanname. Pinet en Longcamp (2025) waarschuwen dat meer breinactiviteit net zo goed belastend kan zijn voor het werkgeheugen.
Onderwijs is meer dan onthouden
Dan de vraag welke variabele we eigenlijk meten. De hoofdvariabele in vrijwel al deze studies is retentie: hoeveel onthoud je?. Retentie richt zich op het verleden: kun je herhalen wat je geleerd hebt? Transfer richt zich op de toekomst: kun je het toepassen?
De pen-versus-laptop-studies meten vrijwel uitsluitend het eerste. Maar is onthouden altijd het doel van onderwijs? Soms wil ik een idee opdoen, een verband leggen, iets vastleggen om later op terug te komen. Die functies worden zelden meegenomen. In het DUB-panel brengt masterstudent Lester Prins een vergelijkbaar punt naar voren: hij heeft slides soms open staan om iets terug te kijken. Is dat afleiding, of een bewuste leerstrategie?
Zelfs als je het kleine effect accepteert, volgt daar niet uit dat laptops verboden moeten worden. Dat is een sprong van een individueel cognitief effect naar een collectieve gedragsregel. Meerdere panelleden in het DUB-artikel maken hetzelfde punt: onderwijswetenschapper Casper Hulshof noemt het betuttelend, innovatiewetenschapper Frank van Rijnsoever pleit voor cultuurverandering, pedagoog Kirsten Buist zou de keuze aan studenten laten.
Nuance verdwijnt, het label blijft
Hoogleraar Lars Tummers erkent dat de verschillen klein zijn. Tegelijkertijd zegt hij bewust een prikkelende stelling in te nemen, omdat dat beter werkt om mensen in beweging te krijgen. In een privégesprek erkende Tummers dat het te gemakkelijk kan zijn om de schuld bij het digitale te leggen, en in een vervolgpost op LinkedIn gaf hij ruimte aan meerdere perspectieven. Die openheid siert hem. Maar de publieke boodschap die beklijft, is vaak de eerste: laptops eruit.
Als je als wetenschapper je stelligheid groter maakt dan je bewijs, creëer je het risico dat mensen beleid gaan voeren op basis van die stelling. Prikkelende stellingen krijgen bereik, maar het zijn ook die stellingen die beklijven en beleid vormgeven. De nuance verdwijnt, het label blijft. Dit is zelfs op politiek niveau zichtbaar. Het kabinet koos onlangs voor een adviesleeftijd van 15 jaar voor sociale media, terwijl de wetenschappers uitkwamen op 13 jaar. Onderzoeker Ina Koning schreef dat deze leeftijden “een politieke keuze” zijn. Dat is het mechanisme waar ik me zorgen over maak, ook bij het laptopdebat.
Dan het afleidingsargument. Dat kan kloppen. Maar als afleiding het probleem is, zit de crux in je onderwijsontwerp. De variabele is taakstructuur en didactiek, niet het apparaat. Hetzelfde probleem heb je met studenten die wegdromen. Een laptopverbod is dan symptoombestrijding.Risico van symptoombestrijding
Filosoof Floris van den Berg stelt in het DUB-panel dat PowerPoint niet het standaardformat voor een college zou moeten zijn. Dat sluit aan bij een bredere vraag: is het hoorcollege eigenlijk wel altijd een goede werkvorm? Kijk naar probleemgestuurd onderwijs aan de Universiteit Maastricht of het Connected Curriculum van University College Londen. In onderwijsvormen waar studenten actiever worden betrokken en meer betekenis ervaren, speelt het laptopprobleem minder.
In toetsingsland kennen we het begrip consequentiële validiteit: welk gedrag lokt je ontwerp uit? Als je onderwijsvorm ertoe leidt dat studenten gaan scrollen, klopt er iets niet in de samenhang tussen je doelen, je toetsing en je opdrachten. Wie een afleiding wegneemt zonder de oorzaak aan te pakken, lost weinig op. Los je het dan op met een verbod, of door je onderwijs anders in te richten?
Dit is een ingezonden opiniestuk. Het standpunt in dit artikel is niet per definitie ook het standpunt van DUB.
Ik merk zelf heel erg dat de aantekeningen die ik op papier heb gemaakt ergens rondslingeren, in een kast liggen. Soms daarvoor al, maar zeker nadat het tentamen is gemaakt ben ik die kennis letterlijk kwijt.
Digitale aantekeningen heb ik jaren later nog steeds zo teruggevonden en kan ik vaak zo toepassen. Ik zou willen dat ik al mijn aantekeningen digitaal had gemaakt de afgelopen jaren.