Promotiestelstel kraakt
Is het tijd voor de terugkeer van de promotiestudent?
“Een promovendus is ook een student,” schreef Erik van Sebille onlangs in zijn column in DUB. Tegelijkertijd benadrukte hij dat promovendi “allereerst collega’s en werknemers” zijn. Hij deed dat in een bredere discussie over hoe we het Nederlandse promotiestelsel eigenlijk hebben ingericht, en trok dit vooral door naar hoe weinig aandacht er soms is voor de scholing van promovendi.
Eriks opiniestuk raakt aan een fundamentele vraag: wat is promoveren eigenlijk? Is een promotietraject primair arbeid, of toch vooral opleiding?
Dat zijn goede en belangrijke vragen om kritisch over na te denken. Ze raken aan een spanning in het Nederlandse promotiestelsel waar we het misschien te weinig over hebben. Want als promovendi allereerst werknemers zijn, waarom vinden we het dan vreemd dat promotietrajecten soms als arbeid worden georganiseerd? Maar als promoveren in essentie een opleiding is, waarom behandelen we promovendi dan vrijwel volledig als werknemers?
Dus laat ik een voor sommigen ongemakkelijke gedachte op tafel leggen: misschien moeten promovendi in Nederland weer studenten worden.
Niet omdat promovendi “te veel” verdienen. Niet omdat deze onderzoekers in opleiding minder bescherming zouden verdienen. Maar omdat het huidige systeem financieel steeds moeilijker houdbaar wordt en daarmee uiteindelijk de Nederlandse wetenschap zelf onder druk zet.
Het huidige model begint zichtbaar te kraken
Nederland heeft ervoor gekozen promovendi vrijwel volledig als werknemers te behandelen. Dat levert een sterke rechtspositie op, maar creëert tegelijkertijd een fundamentele spanning. Een werknemer wordt primair afgerekend op output voor een werkgever, een student werkt primair toe naar een diploma, terwijl een promovendus uiteindelijk toewerkt naar een doctoraat. Tegelijkertijd organiseren we promoveren als opleiding, met Graduate Schools, trainingsprogramma’s en studiepunten, terwijl de juridische en financiële realiteit die van een arbeidsrelatie is.
In zijn column stelt Erik ook de vraag: “Het kan toch niet zo zijn dat de promotor bepaalt wat een promovendus kan en mag leren?” Maar dat wringt nu juist met hoe we promoveren institutioneel hebben ingericht. In een arbeidsrelatie is het immers niet vreemd dat een werkgever bepaalt welke werkzaamheden prioriteit krijgen. Dat botst onvermijdelijk met het idee van promoveren als academische vorming.
Dat is geen semantische discussie meer, want het huidige model begint zichtbaar te kraken.
Een Nederlandse promovendus kost over vier jaar inmiddels enorme bedragen aan salaris, werkgeverslasten, pensioenpremies en cao-gerelateerde verplichtingen. Zo staat in mijn meest recente onderzoeksaanvraag 321.594 euro begroot voor één promovendus aan personeelskosten over een vierjarig promotietraject. En zelfs dat bedrag weerspiegelt niet de volledige kosten: het betreft het relatief lage UNL-tarief, waarbij de universiteit zelf nog moet bijleggen.
Wie als private partij vandaag een promotietraject bij een Nederlandse universiteit wil financieren, mag rekening houden met tarieven die zijn berekend volgens de Integrale Kosten Systematiek. Deze IKS-tarieven lopen afhankelijk van de instelling op tot tussen de 480.000 en 650.000 euro. De UU speelt daarbij eerder in de eredivisie van de tarieven dan in de kelder van het klassement. Dan is het niet vreemd dat private partijen ervoor kiezen het onderzoek elders te laten uitvoeren. We hebben onszelf uit de markt geprijsd.
Internationaal kunnen met hetzelfde onderzoeksbudget meer jonge onderzoekers worden gefinancierd
Ook internationaal begint de Nederlandse situatie op te vallen. In veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië, hebben promovendi primair een studentenstatus of bevinden zij zich in een hybride positie tussen student en werknemer. Nederland behoort juist tot de landen die promoveren vrijwel volledig als arbeid hebben ingericht. Collega’s van buitenlandse universiteiten staan soms met hun oren te klapperen wanneer ik vertel dat mijn jonge(re) UU-collega’s momenteel uit een ERC Starting Grant van 1,5 miljoen euro niet veel meer dan twee promovendi kunnen financieren. Hoewel hoge overhead een significante rol speelt, blijft het salarisgebouw de grootste kostenpost. Daardoor kan hetzelfde onderzoeksbudget in veel andere landen eenvoudig meer jonge onderzoekers financieren.
We kunnen onszelf blijven feliciteren met uitstekende arbeidsvoorwaarden voor promovendi, maar als het resultaat is dat we steeds minder jonge onderzoekers kunnen opleiden, dan moeten we tenminste de vraag durven stellen of het systeem nog doet wat het moet doen.
Nu is de ‘promotiestudent’ natuurlijk geen nieuw idee. Het werd uitgebreid onderzocht in het Experiment Promotieonderwijs, dat van 2016 tot 2024 aan de Rijksuniversiteit Groningen liep. Dat experiment hangt nog altijd als een schaduw boven dit debat en is voor velen reden om de discussie direct af te sluiten.
Maar het belangrijkste probleem van Groningen was niet noodzakelijk het idee dat promovendi student zouden kunnen zijn. Voor veel critici lag het grootste probleem in de ongelijkheid die het creëerde. Twee promovendi op dezelfde afdeling deden hetzelfde werk, terwijl de één werknemer was en de ander bursaal met een andere rechtspositie en beloning. Dat was terecht moeilijk verdedigbaar.
Een uniforme hervorming van het promotiestelsel
Dat betekent niet dat iedere vorm van ‘promotiestudentschap’ principieel verkeerd is. Sterker nog: Nederland kent feitelijk nu al een hybride systeem. Veel internationale promovendi werken via buitenlandse beurzen of externe financiering zonder Nederlandse werknemersstatus. Nu al accepteren we impliciet dat promoveren ook anders georganiseerd kan worden.
Misschien moeten we daarom een stap verder durven denken. Niet een klein experiment naast het bestaande systeem, maar een uniforme hervorming waarbij promovendi weer primair onderzoekers in opleiding worden. Met een degelijk netto inkomen, goede basisbescherming en duidelijke rechten op begeleiding en opleiding, maar zonder de volledige werknemersstructuur die promoveren steeds duurder maakt.
Om terug te komen op Erik’s column: Dat zou bovendien ruimte bieden om de opleidingscomponent meer prominent te maken. Minder nadruk op productie draaien voor onderzoeksgroepen, meer nadruk op academische vorming en autonomie. Als we promovendi écht als studenten zien, hoort daar ook meer intellectuele vrijheid bij.
Huidige systeem niet langer houdbaar
Natuurlijk zitten hier risico’s aan. Minder werknemersbescherming kan leiden tot afhankelijkheid of machtsmisbruik. Daarom zou een nieuw systeem alleen kunnen functioneren met harde nationale minimumeisen voor begeleiding, sociale zekerheid en academische vrijheid.
Maar ook het huidige model is niet risicoloos. Een systeem dat financieel steeds zwaarder wordt, leidt tot minder promotieplaatsen, minder onderzoekscapaciteit en minder ruimte voor jonge wetenschappers.
Laat ik benadrukken dat ik geen volledig uitgewerkt beleidsplan heb liggen. Daarvoor zijn de belangen te groot en de details te complex. Zie het liever als een poging om een discussie opnieuw open te breken die we in Nederland misschien iets te snel hebben afgesloten.
Misschien ligt de echte ongemakkelijke gedachte niet in mijn voorstel, maar in de mogelijkheid dat het huidige systeem niet langer houdbaar is.
Als er een degelijk netto inkomen aan vast moet zitten (inclusief sociale zekerheid) maakt vast het niet veel uit of je een beurs of een werknemer bent. Alleen is een bursaal nog veel kwetsbaarder. Dus nee, en liefst de volgende keer eerst nakijken waarom beurspromovendi, die er ook aan de UU waren, zijn afgeschaft.