Met als gevolg excessen als het maken van bangalijsten

Studenten zitten te veel in bubbel voor ontwikkelen goed karakter

StuKaFest drank
Foto Irem Zoodsma/ DUB

Onlangs werden twee personen opgepakt voor hun betrokkenheid bij de online verspreide bangalijst. Hierin werden foto’s van studenten van de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging (UVSV) voorzien van seksistisch commentaar, met daarbij hun telefoonnummers en adressen. Deze bangalijst is geen incident, maar onderdeel van een verwerpelijke cultuur van het Utrechtsch Studenten Corps (USC). De bredere context blijft helaas onderbelicht. De gebeurtenissen zijn een product van hoe het studentenleven is vormgegeven. Studenten met een gebrekkige karakterontwikkeling vind je niet alleen binnen het USC. De studententijd is naar mijn mening een periode van gebrekkige karaktervorming met alle gevolgen van dien. 

Karaktervorming
In de deugdenethiek van Aristoteles staat karaktervorming centraal. Het gaat om de brede ontwikkeling van een persoon die hem of haar in staat stelt om ‘het goede’ te doen, ook in moeilijke omstandigheden. Karaktervorming lijkt op persoonsvorming, maar er is een belangrijk verschil. Persoonsvorming gaat over neutrale eigenschappen. Voorbeelden hiervan zijn discipline, zorgvuldigheid en betrouwbaarheid. Wouter Sanderse, docent aan de Universiteit voor Humanistiek, beschreef dit met een sprekend voorbeeld: een crimineel kan over discipline bezitten, zorgvuldig en betrouwbaar zijn tegenover collega-criminelen, en toch zullen wij zijn daden niet als goed bestempelen. 

Karaktervorming, daarentegen, gaat over eigenschappen die als ‘deugdzaam’ beoordeeld worden. Terugkoppelend naar de student, een student kan bij een vereniging leren om verantwoordelijkheid te nemen, loyaal te zijn naar elkaar of communicatief vaardig te worden, maar deze vaardigheden betekenen niet dat iemand over de karaktereigenschappen beschikt die hem of haar in staat stellen het ‘juiste’ te doen als het er op aan komt. Daar zijn andere eigenschappen voor nodig. Zo zijn er binnen de deugdethiek vier kerneigenschappen voor de ontwikkeling van een ‘goed’ karakter: rechtvaardigheid, moed, maat en verstandigheid; eigenschappen die een persoon laten floreren en positief bijdragen aan de directe omgeving en hiermee aan de samenleving. 

Hoewel de beoordeling van deze eigenschappen subjectief is, zal er onder het overgrote deel van de Nederlanders consensus zijn over een ‘waardevol’ karakter en een ‘gebrekkig’ karakter. De vier genoemde kerneigenschappen van Aristoteles passen bij een ‘waardevol’ karakter.

Spiegel voorhouden
Een persoon zal zijn of haar karakter thuis of op school ontwikkelen. Als een kind een ander onrechtvaardig of slecht behandelt, zal de omgeving hierop reageren. De omgeving houdt het kind een spiegel voor. Leraren, trainers, docenten en ouders zullen (hopelijk) zeggen dat onrechtvaardig gedrag niet getolereerd kan worden. Daarnaast geven zij het goede voorbeeld. Kortom, de context van een persoon zorgt voor positieve, karaktervormende momenten. 

Vanaf ongeveer het 18e levensjaar gebeurt er iets opmerkelijks. De context waarbinnen karaktervorming plaatsvindt verandert volledig. Studenten starten een opleiding aan de universiteit of hogeschool en verlaten het ouderlijk huis om op kamers te gaan wonen. 

Op deze leeftijd is de karaktervorming van jongeren nog volop in ontwikkeling. Ideeën over identiteit, wat goed en slecht is en de wereld om hen heen zijn pril, waardoor deze gemakkelijk door anderen kunnen worden beïnvloed. Het zijn voor deze jongeren vooral andere studenten die in belangrijke mate het karakter helpen vormen. En dat terwijl deze studenten zelf nog geen robuust karakter hebben ontwikkeld. 

Met andere woorden: studenten leven in een bubbel. Denk aan studentenhuizen, (sport)verenigingen, disputen en jaarclubs die het gemiddelde studentenleven domineren. Studenten zijn hier kwetsbaar voor en vormbaar door zowel ‘goede’ als ‘slechte’ normen en waarden uitgedragen door medestudenten. Dit kan dus zowel positief als negatief uitpakken. Studenten komen intensief in aanraking met andere normen en waarden en kunnen zich op deze manier verrijken, maar de negatieve waarden en normen kunnen misschien wel net zo goed de boventoon gaan voeren. Zeker omdat studenten maar minimaal te maken krijgen met voorbeeldfuncties of mentoren die constructief reflecteren op hun gedrag. Er zijn wel  voorbeelden van verenigingen, mentoren en extracurriculaire activiteiten die bijdragen aan de karaktervorming van studenten. Maar dit zijn uitzonderingen en spelen voor de meeste studenten slechts een kleine rol. 

Normalisering van feesten
Een student kan dag in dag uit feesten zonder dat iemand hier raar van opkijkt of hier kritisch op is. Sterker nog, waarschijnlijk werkt het statusverhogend of wordt het de volgende keer weer aangemoedigd door de omgeving. Dit is een normalisering van iets wat in de rest van de maatschappij als abnormaal beschouwd zou worden; een uitkomst van de bubbel waarin studenten leven. 

Normalisering van zaken die misschien niet normaal zouden moeten zijn, typeert het studentenleven. Iedere student ziet en hoort van seksueel grensoverschrijdend gedrag, extreme ontgroeningen, vandalisme, overmatig drank- en drugsgebruik. Op sommige van deze zaken zal het antwoord zijn dat dit ‘er bij hoort’, de studententijd ‘de tijd van je leven’ moet zijn. Ik vind dit onbegrijpelijk. Excessen die in iedere andere levensfase als denigrerend, (zelf)destructief of zelfs crimineel worden gezien, zijn dit evengoed tijdens de studententijd. 

De cijfers over de studententijd laten zien dat er echt wat aan de hand is. Volgens het Trimbos-Instituut is 16 procent zwaar drinker en 10 procent  procent van de studenten zelfs overmatig drinker. Meer dan de helft van de studenten ervaart hinder door psychische klachten. Daarnaast had in 2022 de helft van de 16- tot 24-jarige vrouwen te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag. En volgens Amnesty  wordt 1 op de 10 studentes tijdens de studententijd slachtoffer van verkrachting.

Rol universiteit
De universiteit is de grote afwezige in de karakterontwikkeling van studenten. De universiteit richt zich enkel op academische vorming en laat de karakterontwikkeling bijna volledig links liggen. De gemiddelde relatie tussen student en docent is even hecht als die met de kassamedewerker in de supermarkt. Mentorbijeenkomsten zouden een moment kunnen zijn dat de focus wordt gelegd op karakterontwikkeling, toch worden ook deze momenten hiervoor niet gebruikt. In mijn eerste jaar heb ik de mentorbijeenkomsten ervaren als iets wat afgevinkt moest worden en ik vermoed dat veel anderen er ook met deze insteek zaten. Studenten leren op de onderwijsinstelling vooral het efficiënt binnenharken van studiepunten. 

Plekken binnen de universiteit die hiervan afwijken, zoals bijvoorbeeld een universiteits- of faculteitsraad, zijn kleinschalig vergeleken met de duizenden studenten die studeren aan de UU. De universiteit is geen plek waar de gemiddelde student betrokken is bij de universiteit en de universiteit betrokken is bij de gemiddelde student. Het gebrek aan betrokkenheid zorgt ervoor dat de universiteit geen plek is voor (zelf)reflectie. Daarom zal positieve karakterontwikkeling niet plaatsvinden binnen de muren van de onderwijsinstelling. Studenten komen vooral andere studenten tegen, maar niet zichzelf. 

Niet typisch USC-cultuur
In mijn ogen zijn de misselijkmakende bangalijsten van de USC-leden een symptoom van gebrekkige karaktervorming tijdens de studententijd. Blijkbaar ontbrak er tijdens het maken van deze lijsten iemand met de deugdzame eigenschappen die opstond om te zeggen wat hier gebeurt niet oké is. Niemand hield de studenten een spiegel voor of bracht hun de rechtvaardigheid, moed, maat en verstandigheid bij die nodig is om op te staan tegen dergelijke uitwassen. Het is niet typisch voor de USC-cultuur, maar speelt zich overal af in het studentenleven. Het is niet dat er geen studenten zijn zonder positief karakter, maar de studententijd is niet een periode waarin dit breed gestimuleerd wordt. 

De studententijd is voor velen de ‘tijd van je leven’, maar zou volgens mij ook een tijd moeten zijn waarin aandacht besteed wordt aan positieve karaktervorming. Deze periode dient immers als voorbereiding voor het verdere leven. Daarom moet er ook binnen het universitair onderwijs meer gedaan worden dan het meegeven van academische en professionele vaardigheden. De studenten die later in allerlei beleids- of leidinggevende functies terechtkomen, mogen niet het slachtoffer worden van gebrekkige karaktervorming. Uiteindelijk zullen deze karakters de toekomst van de samenleving vormgeven. 

Advertentie