‘Er is een gevaar dat universiteiten zich loszingen van de rest van de samenleving’

Body: 

Hogere collegegelden? Engels als voertaal? De ondersteunende diensten de deur uit? Voor veel universiteiten zijn het al lang geen taboes meer. Maar bestuurskundige Mark Bovens hoort het volk morren: “Voor je het weet heeft iedereen het over een academische jetset van internationale types die in hun eigen wereld leven.”

Hogere collegegelden? Engels als voertaal? De ondersteunende diensten de deur uit? Voor veel universiteiten zijn het al lang geen taboes meer. Maar bestuurskundige Mark Bovens hoort het volk morren: “Voor je het weet heeft iedereen het over een academische jetset van internationale types die in hun eigen wereld leven.”

De Trump-supporters die zich afzetten tegen de eastcoast liberals met hun dure Ivy League-universiteiten. Of de Brexiteers die de Londense City en de Oxford-intelligentsia in hun hemd zetten. De recente politieke botsingen worden in de media steeds vaker toegeschreven aan verschillen in opleidingsniveau.

De Utrechtse hoogleraar Bestuurskunde Mark Bovens doet al jaren onderzoek naar nieuwe sociale en politieke tegenstellingen en de scheiding tussen hoog- en laagopgeleiden. Hij maakte onder meer naam met zijn boek Diplomademocratie waarin hij waarschuwde voor een politieke elite die in steeds sterkere mate gedomineerd wordt door hbo- en universitair afgestudeerden.

Hoog tijd om Bovens te vragen naar de positie van universiteiten in een samenleving die langs opleidingslijnen uit elkaar lijkt te vallen. Recht tegenover het Binnenhof zegt Bovens in zijn Haagse kantoor bij de Wetenschappelijke Raad van het Regeringsbeleid: “De universiteit moet op zijn tellen passen.”

“Het gaat over immigratie, Europa, Zwarte Piet.”

Voor Bovens zijn de Trumpmania en de Britse EU-uittocht exponenten van ontwikkelingen die ook in Nederland zichtbaar zijn. Links of rechts, kerkelijk of niet-kerkelijk; het zijn achterhaalde discussies. Tegenwoordig is vooral de vraag van belang in hoeverre iemand zich aangetrokken voelt tot een kosmopolitische samenleving dan wel tot een meer gesloten nationalistische maatschappij, meent Bovens: “Het gaat over immigratie, Europa, Zwarte Piet.”

De positie die iemand inneemt in dat debat valt volgens hem opmerkelijk vaak samen met zijn of haar opleidingsniveau. “Kijk naar de politieke partijen die zijn opgekomen. De kiezers van de SP en de PVV zijn laagopgeleid, die van D66 en GroenLinks hoogopgeleid.”

Door processen van globalisering worden economische en culturele tegenstellingen blootgelegd, legt Bovens uit. “De hoogopgeleiden zijn de winnaars. Zij studeren over heel de wereld met studiebeurzen en hun arbeidsmarkt wordt vergroot door Europese samenwerking. Vrachtwagenchauffeurs en schilders daarentegen zien opeens allerlei oneerlijke concurrentie uit Oost-Europese landen verschijnen. Hoogopgeleiden treden die nieuwe wereld met zelfvertrouwen tegemoet, laagopgeleiden voelen ongemak bij het verdwijnen van de gulden en de komst van vreemdelingen.”

Volgens Bovens vormt vooral de opkomst van de hoogopgeleiden als grote homogene groep de stuwende kracht achter de groeiende verschillen. “Laagopgeleiden zijn niet zoveel veranderd, die doen wat ze altijd al deden.”

Hij wijst op de explosie van het aantal hoogopgeleiden in de afgelopen decennia. “In 1960 betrof het nog maar 1 procent van de bevolking, nu al ruim een kwart. Die verschuiving is terug te zien in stemgedrag bij verkiezingen en in het lidmaatschap van allerlei maatschappelijke belangengroeperingen als Amnesty International of Greenpeace bijvoorbeeld.”

‘Academici zijn veel kosmopolitischer dan niet-academici’

Een opmerkelijk fenomeen is de extreme positie die academici innemen als het gaat om politiek culturele issues, bijvoorbeeld immigratie of Europa. “Academici zijn veel kosmopolitischer dan niet-academici, ook veel meer dan hbo'ers”, concludeert Bovens op basis van gegevens van het Sociaal Cultureel Planbureau. “De opvattingen van hbo’ers neigen op een relatieve schaal meer naar die van mbo’ers en lbo’ers.”

Een deel van de verklaring is waarschijnlijk dat studenten binnen een universitaire opleiding juist léren om zich te verplaatsen in andere perspectieven. Bovens: “Zeker binnen de Geesteswetenschappen en Sociale Wetenschappen is dat misschien wel de kern van de opleiding. Studenten krijgen daar het intellectuele kapitaal om om te gaan met culturele diversiteit, meer dan binnen de bèta-studies. Al loopt de causaliteit waarschijnlijk ook andersom: mensen die interesse hebben in culturen kiezen eerder voor die opleidingen.”

Volgens Bovens wordt het open wereldbeeld van academici door verreweg de meeste Nederlanders niet gedeeld. “Als je alleen op de universiteit hebt gewerkt of gestudeerd, besef je waarschijnlijk niet dat je in een bubble leeft. Dan denk je dat iedereen denkt zoals jij en je vrienden, kennissen en collega’s. Dat is dus zeker niet het geval.”

Dat deze situatie daadwerkelijk politieke en maatschappelijke consequenties heeft, maakt Bovens aannemelijk in zijn boek de diplomademocratie. Hij berekende dat 90 procent van alle Tweede Kamerleden een hbo- of universitaire graad heeft, een percentage dat de afgelopen decennia enorm is gegroeid.

Bovens: “Je loopt dan het risico dat Kamerleden hun eigen wereld als norm nemen en dat geluiden van andere bevolkingsgroepen niet meer worden gehoord. Recent onderzoek toont ook aan dat dat gebeurt. De politieke agenda van de Tweede Kamer rond culturele issues komt voor 96 procent overeen met de belangen en interesses van hoogopgeleiden.”

‘Kantinemedewerkers mochten terugkomen in McDonaldsbanen’

Hoewel Bovens geen sociale strijd voorziet tussen hoog- en laagopgeleiden (“niemand noemt zichzelf trots laagopgeleid, daar zit eerder een enorme gêne), wil hij toch waarschuwen. “Er is een gevaar dat universiteiten zich loszingen van de rest van de samenleving.”

Als voorbeeld noemt hij de grote internationaliseringsambities van veel universiteiten: “Ik ben zelf ook erg voor internationalisering, maar als je alleen maar daarop inzet, gaan mensen zich afvragen waarom ze daar zo nodig aan mee moeten betalen. Voor je het weet heeft iedereen het over een academische jetset van internationale types die in hun eigen wereld leven.”

Ook het enthousiasme van veel universiteitsbestuurders voor hogere collegegelden en voor uitbreiding van het aantal Engelstalige opleidingen, wordt door Bovens niet gedeeld. “In de bètahoek is Engels als onderwijstaal misschien logisch, maar in de geneeskunde of in mijn eigen vak bestuurskunde vind ik dat toch zorgelijk. Tachtig procent van de studenten maakt straks deel uit van het maatschappelijk kader in Nederland en zal zich toch vooral in helder Nederlands moeten kunnen uitdrukken.”

Het outsourcen enkele jaren geleden van de kantinemedewerkers en portiers ging Bovens, destijds voorzitter van de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Bijlhouwerstraat, ook persoonlijk aan het hart. “Al die mensen die er een eer in stelden om een kantine te draaien of om portier te zijn, maakten plotseling geen deel meer uit van de academische gemeenschap. Ze mochten terugkomen in McDonaldsbanen met lage lonen. De UU denkt dan als grote publiek gefinancierde werkgever niet goed na over haar maatschappelijke verantwoordelijkheid.”

‘Meet the Professor was een fantastisch initiatief’

Hoe moet het dan wel? Bovens: “Als universiteit zul je oog moeten hebben voor de zorgen en noden van gewone mensen. Universiteiten richten zich vaak op samenwerking met vanzelfsprekende hoogopgeleide experts in andere kennisinstellingen of in bedrijven. Valorisatie moet echt meer zijn dan dat. Kijk of je een band met de stad of regio kunt opbouwen, bijvoorbeeld. Het initiatief Meet the Professor waarbij hoogleraren naar basisscholen fietsten, vond ik fantastisch. Maar ook de Nationale Wetenschapsagenda, wat je er verder ook van vindt, is een poging geweest om burgers te betrekken bij de wetenschap.”

In het onderwijs zou de universiteit haar studenten duidelijk moeten maken dat ze een uiterst bevoorrechte en beperkte uitsnede van de bevolking vormen. “Studenten kunnen snel geborneerd raken. Opleidingen zouden hen ervan moeten doordringen dat anderen evengoed legitieme wensen en belangen hebben. Dat je Wildersstemmers bijvoorbeeld niet kunt wegzetten als xenofoben aan wie je het gewoon nog een keertje beter moet uitleggen.”

Meer maatschappelijke stages en onderzoeks- en afstudeerprojecten die zich richten op behoeften binnen de samenleving, kunnen daarbij helpen denkt hij. “Maar ik zou studenten ook aanraden hun baantjes daarop uit te kiezen. Ik ben zelf jarenlang schoonmaker geweest en heb lang in een tehuis voor demente bejaarden gewerkt: in de keuken, maar ook als verpleger. Daar heb ik enorm veel van geleerd.”

'Dat de grenzen openstaan voor academici is niet meer vanzelfsprekend'

Universiteiten moeten dus op hun tellen passen en de samenleving niet uit het oog verliezen, concludeert Bovens. In de eerste plaats uit een welbegrepen eigen belang. “In Engeland waren mijn collega’s gewend naar Europa te stappen voor ERC-beurzen en dat is opeens voorbij. Zwitserse universiteiten hebben problemen nadat de bevolking in een referendum voor een immigratiequotum stemde. Je ziet dat grote groepen mensen het niet meer vanzelfsprekend vinden dat grenzen openstaan voor academici en internationale uitwisseling.”

Maar het grootste risico is de groeiende tweedeling in de samenleving en de ontwrichtende krachten die daarbij los kunnen komen. “Kijk naar de polarisatie in de VS waar politieke compromissen al bijna niet meer mogelijk zijn. Dat soort conflicten, daar moet je erg mee oppassen.”

NPO-radio sprak Mark Bovens na publicatie van dit artikel over de scheidslijn tussen hoog- en laagopgeleiden. Ook Jan Sinnige, voorzitter van studentenbond ISO en UU-student en DUB-columnist, kwam aan het woord. Luister hier.

Mark Bovens (1957) studeerde staats-en bestuursrecht, politicologie en wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Leiden en aan Columbia University Lawschool in New York.

Bovens introduceerde het begrip ‘klokkenluiders’ in Nederland en promoveerde in 1990 in Leiden op een onderzoek naar dat fenomeen.

In 1997 werd hij in Utrecht benoemd als hoogleraar, aanvankelijk met als leeropdracht Rechtsfilosofie en later ook met als leeropdracht Bestuurskunde.

In 2000 richtte hij, samen met hoogleraar Paul Verweel, de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) en werd hij full time hoogleraar Bestuurskunde en voorzitter van het bestuur van de School. In 2013 trad hij terug als bestuurder en werd hij lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

In de afgelopen jaren verschenen van zijn hand meer dan twintig boeken en bundels op het terrein van politiek, openbaar bestuur, democratie en rechtsstaat. In 2011 verscheen diplomademocratie dat hij schreef samen met de Leidse onderzoeker Anchrit Wille.

Mark Bovens is lid van de KNAW en voorzitter van de Sociaal Wetenschappelijke Raad.

Facebook Twitter Whatsapp Mail