‘Plagiaat moet weer not done worden’

Body: 

Niet alleen grote wetenschappers als Diederik Stapel plegen fraude, ook studenten zijn er toe in staat. ‘Dit doen wij hier niet’, krijgen eerstejaars daarom te horen. Maar de druk op studenten én docenten stijgt.

Niet alleen grote wetenschappers als Diederik Stapel plegen fraude, ook studenten zijn er toe in staat. ‘Dit doen wij hier niet’, krijgen eerstejaars daarom te horen. Maar de druk op studenten én docenten stijgt.

Het is begin 2011, drie studenten Pedagogiek moeten een observatie uitvoeren op een school en daar verslag van doen. De afspraak met de school is met moeite gemaakt. Als op de bewuste dag twee van de drie studenten ziek blijken te zijn, hebben ze een probleem, want de opdracht moet wel af. De drie spreken het volgende af: de derde student doet de observatie, de twee die ziek zijn zullen vervolgens het verslag schrijven. Opdracht op tijd af, iedereen een voldoende, iedereen tevreden –denken ze.

De examencommissie van de opleiding denkt er anders over. Fraude, is het oordeel [pdf]. De student “heeft samen met de andere student die ziek was een uitgebreid gefingeerd verhaal geschreven waarbij een tweede observatie is verzonnen.” De gevolgen zijn groot voor de betrokken eerste student: ze volgt een premastertraject en kan die door het besluit van de examencommissie niet meer in datzelfde jaar afronden –iets wat ze juist wilde voorkomen.

Handelen en nalaten

Een observatie verzinnen is een ernstige vorm van fraude en doet denken aan de affaire-Stapel. Maar er is meer dat valt onder de noemer ‘fraude en plagiaat’. Natuurlijk valt het overnemen van lappen tekst zonder enige bronvermelding eronder, net als het spieken tijdens een tentamen. Maar denk ook aan het uitgebreid laten inzien van een kleine opdracht aan een medestudent, of het als recidivist inleveren van het werk van het jaar daarvoor.

Het valt allemaal onder de officiële definitie van fraude en plagiaat. Die is door de Universiteit Utrecht opgenomen in het model voor de examenrichtlijnen en luidt als volgt: “Onder fraude en plagiaat wordt verstaan het handelen of nalaten van een student waardoor een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt.”

Boosdoener

Deze brede definitie van fraude en plagiaat is niet oud. Hij stamt uit 2006, toen een commissie onder leiding van Dop Bär het College van Bestuur adviseerde over ‘een duidelijke en eenduidige aanpak ten aanzien van plagiaat.’ De reden voor het instellen van deze commissie was dat docenten vaker met plagiaat geconfronteerd werden. De opkomst van het gebruik van digitale bronnen en de tekort schietende voorlichting over het verwijzen naar je bronnen waren de boosdoener, stelde de commissie.

Het toverwoord moest volgens de commissie preventie zijn. De nadruk zou moeten liggen op voorlichting. Volgens George van Dongen, secretaris van de examencommissie van Sociale Wetenschappen, zijn de effecten hiervan goed terug te zien in het aantal plagiaatgevallen onder studenten. “Nadat het college van bestuur met het fraudeproject begon in 2006 zagen we dat terug in de cijfers. In 2008 steeg het weer, toen hadden we opeens meer dan twintig fraudegevallen bij alleen al de opleiding Psychologie. We schreven daarom intern een nota waarmee het onderwerp weer onder de aandacht was bij alle docenten. De aantallen gingen daarna weer voorzichtig omlaag.”

Pek en veren

Dat de opkomst van het internet veel veranderde, signaleert ook Hans Bertens, hoogleraar Amerikaanse letterkunde. “Daarvoor waren er simpelweg minder bronnen. Als docent kende je de meeste, dus als een student plagieerde kon je dat vaak zelf al zien. Daar had je geen software voor nodig.”

“Plagiaat was een veel kleiner probleem dan nu. Als docent handelde je een plagiaatgeval zelf af. Een betrapte student stond geen behandeling met pek en veren of een vierendeling te wachten, het werd gezien en behandeld als spieken op school. Het was vanzelfsprekend oneerlijk en niet geoorloofd, maar geen ernstig misdrijf,” zegt Bertens over de periode van voor de millenniumwisseling. Het nadeel: als docenten alles decentraal afhandelen is er geen faculteitsbreed overzicht, laat staan universiteitsbreed. Over de stand van zaken voordat de commissie-Bär in 2006 aan het werk ging is daarom weinig te zeggen. Het was eerder een goed fingerspitzengefühl dat de commissie bijeen bracht, dan hard cijferwerk.

In beroep

Ook voordat de commissie-Bär het fraudebeleid in 2006 opschudde konden studenten al in beroep gaan tegen beslissingen van hun examencommissie over gepleegde fraude of plagiaat. Maar toch is ook bij het aantal zaken dat belandde bij het universiteitsbrede College van Beroep voor de Examens het keerpunt in 2006 duidelijk zichtbaar.

Tot aan het begin van het afgelopen decennium was het aantal fraude- en plagiaatgevallen waar het beroepscollege zich over moest uitspreken soms nul, soms één per jaar. Na 2006 ging dit omhoog naar een handvol gevallen per jaar, met als voorlopige uitschieter zes gevallen in 2008. Het beleid bracht dus meer plagiaat- en fraudegevallen aan de oppervlakte.[Zie kader]

‘Dat doen wij hier niet’

Behalve dat er meer gevallen aan de oppervlakte kwamen, veranderde er ook veel voor eerstejaars. “Het College drukte ons op het hart: leg de nadruk op voorlichting,” zegt Van Dongen. “Leg eerstejaars uit wat fraude is.”

“Die voorlichting gebeurt vooral tussen neus en lippen door, we krijgen er geen apart college over,” geeft Britt Peer aan, bestuurslid van de studievereniging voor Sociale Wetenschappen, Alcmaeon. Ze hoort weinig over dit onderwerp van haar medestudenten, maar gelooft dat afgezien van sommige eerstejaars die net van de middelbare school komen de meeste studenten wel beseffen dat het niet kan.

Tjolina Proost, voorzitter van studentenbelangenvereniging Vidius, herinnert zich de fraudevoorlichting nog levendig: “Op de eerste dag van mijn studie kwamen ze er al mee. Het bleef meteen hangen. En bij de eerste vakken kreeg je altijd te horen: zo schrijf je een paper, zo gebruik je je bronnen. Tot op de dag van vandaag zijn docenten daar kritisch op.”

Tijdens een debat van Studium Generale zei Proost onlangs dat een aparte cursus Ethiek ‘nergens voor nodig’ is. “Het moet in het systeem zitten. Het is net als bij het opvoeden van kinderen, dat doe je altijd en niet in een apart uurtje.” Ze ziet de oplossing daarom vooral in een open academisch klimaat, waarin de sleutel bij de docenten ligt: “Docenten zijn het voorbeeld voor studenten. Zij moeten uitdragen hoe het hoort, stimuleren dat studenten nadenken over de vraag ‘waarom studeer ik?’ en zorgen voor peer review onder studenten: samen praten over de inhoud van een paper.”

Maar een jaarlijkse voorlichting aan docenten? “Institutionaliseer het niet. Fraude moet niet gebagatelliseerd worden, maar ook niet te groot gemaakt worden,” zegt Proost.

Succesvol

Of de aanpak van fraude en plagiaat de laatste jaren succesvol was, is moeilijk te zeggen. De grootte van het probleem is niet bekend. Het stijgende aantal gevallen dat bij het College van Beroep zegt weinig en is hoogstwaarschijnlijk voor een groot deel veroorzaakt door het feit dat het onderwerp fraude een hogere prioriteit kreeg.

Op facultair niveau is geen goed overzicht voorhanden. Herre Talsma, U-raadslid en secretaris van de examencommissie bij Farmacie, zegt dat dat samenhangt met het preventieve aspect van de voorlichting aan eerstejaars: “Als je in je eerste jaar betrapt wordt krijg je eerst een waarschuwing, dan heet het nog geen plagiaat.”

Het aantal echte gevallen dat Talsma langs ziet komen ligt binnen zijn opleiding op ‘een handvol’ per jaar. Ook bij Geesteswetenschappen ligt het in die orde van grootte. Sociale Wetenschappen noemt een iets groter getal. Van Dongen: “Hier gaat het om een klein aantal tientallen per jaar.” Maar exacte gegevens worden niet prijsgegeven. Decaan Willem Koops: “Ik ben niet verplicht die cijfers te geven. Bovendien werk ik momenteel principieel niet mee aan journalistieke arbeid dat raakt aan het onderwerp fraude.”

Onzekerheid

Deze week kwam er een onderzoek uit van NRC Handelsblad. Daaruit blijkt dat in Utrecht het aantal meldingen van fraude onder medewerkers hoog is. De druk om te publiceren wordt als een van de redenen genoemd.

Nu op tijd afstuderen belangrijker wordt, neemt ook de druk op studenten toe. Talsma neemt aan dat er daarom nu meer gefraudeerd wordt. Van Dongen denkt daarentegen van niet. Hij kijkt naar zijn statistieken: “Ik ga er vanuit dat geldt: als er meer gefraudeerd wordt, worden er ook meer studenten betrapt. Maar de laatste twee jaar zie ik geen toename.”

Ton Hol, rechtsfilosoof en vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit, denkt dat plagiaat minder voorkomt omdat de opsporingsprogramma’s beter zijn geworden. En als er dan wel fraude gevonden wordt, zullen de meeste docenten dat zelf willen oplossen. “Ze sluiten een student gewoon uit van de cursus.”

Talsma: “Nadeel is dat je geen facultair overzicht hebt. En bovendien weet je nooit hoeveel mensen er niet betrapt zijn.”

De onzekerheid leidt tot veel verschillende aannames. Wiljan van den Akker, decaan Geesteswetenschappen, wuifde eerder de suggestie dat een grotere druk op studenten leidt tot meer fraude weg: “Kletskoek.” Maar het Nijmeegse universiteitsblad Vox signaleerde onlangs na een rondgang langs de examencommissies daar dat de fraude onder studenten in Nijmegen wél toeneemt.

Bewijslast

Een groter probleem vormt de bewijslast. Het is aan de examencommissies om aan te tonen dat een student zich aan fraude of plagiaat heeft bezondigd. Dat is niet altijd even makkelijk.

Twee studenten van de Hogeschool van Amsterdam wonnen eerder dit jaar een opmerkelijke rechtszaak. Ze leverden bij een tentamen teksten in die voor maarliefst 62% met elkaar overeen kwamen, zo bleek uit de controlesoftware op plagiaat. Toch is de conclusie ‘plagiaat’ niet te maken op basis van die software alleen, besloot de rechter: de HvA moest haar oordeel beter onderbouwen.

Studenten kunnen makkelijk in beroep gaan, terwijl de universiteit veel werk moet verzetten om fraude aan te tonen. Iets soortgelijks zei Herre Talsma onlangs in een vergadering van de Uraad: “Je moet veel werk verzetten voor zulke zaken, maar de student gaat rustig telkens in beroep. Volgende keer laat je het dan wel zitten. Zo belonen we frauduleus gedrag.”

Talsma’s angst is niet uit de licht gegrepen. Onlangs [pdf] is een student Farmacie in Utrecht voor een jaar van de opleiding uitgesloten met het advies de opleiding te verlaten. Hier moest de universiteit inderdaad veel moeite doen om vast te stellen of er fraude was gepleegd –er kwam een taalkundig onderzoek aan te pas– waarna de student in beroep ging bij het landelijke beroepscollege voor de examens.

Not done

Deze twee zaken laten zien dat meegaan in een rat race tussen plagiaatsoftware en student geen optie is. “We moeten elkaar diep in de ogen kijken en dat ethisch besef weer oproepen. De morele kant is uiteindelijk belangrijker dan het technische kat en muisspel met plagiaatprogramma’s,” zegt Talsma.

Maar een nieuwe campagne om fraude en plagiaat groot op de agenda te zetten? Tjolina Proost is er geen voorstander van: “Laat de discussie vooral gaan over onderwijskwaliteit, dat is het belangrijkst.”

 

   

Plagiaat- en fraudezaken bij het College van Beroep voor de Examens

’97: 0 zaken
’98: 0 ,,
’99: 0 ,,
’00: 0 ,,
’01: 1 ,,
’02: 1 ,,
’03: 0 ,,
’04: 1 ,,
’05: 1 ,,
’06: 0 ,,
’07: 2 ,,
’08: 6 ,,
’09: 3 ,,
’10: 2 ,,
’11: 4 ,,

 

Facebook Twitter Whatsapp Mail