Foto: Shutterstock, illustratie DUB

Boekentips voor als je deze zomer ergens gestrand bent

Body: 

Terugkijken op het verleden, heel dichtbij of juist lang geleden. Het is de rode draad in de publicaties van UU’ers die we voor deze zomereditie van ons halfjaarlijks boekenoverzicht. Zo vertellen eerstegeneratiestudenten over hun studietijd, blikt Geert Buelens terug op het milieubeleid van de jaren 70, kijkt historicus Gerard Trienekens met milde spot naar zijn eigen carrière en beschrijft student Tessel ten Zweege een traumatische studentenrelatie. De 900ste verjaardag van Utrecht  is eveneens aanleiding voor een stroom van publicaties die in het overzicht aan bod komt.  

Dat zou jij nooit toelatenWat je denkt ben je zelfRennen in de buitenbocht1122 Een Utrechts familieboek

Rondje SingelHet wonder van Sint-MaartenHoe meneer Prins zijn gedachten kwijtraakteGezien door de ijsvogel

Wat we toen al wistenVertalen in de Nederlanden  

 

Hartverscheurende literatuur

Dat zou jij nooit toelaten is het verhaal van de Utrechtse student Genderstudies Tessel ten Zweege die tijdens haar studententijd verstrikt raakt in een gewelddadige relatie. We maken kennis met de 19-jarige studente literatuurstudies, die op vakantie in Engeland de charmante Luis ontmoet. Luis trekt bij haar in, maar al snel wordt de manier waarop hij met haar omgaat steeds giftiger. Tessel beschrijft met een bewonderenswaardig dappere eerlijkheid hoe ze maandenlang wordt mishandeld en misbruikt, vanaf de eerste alarmbellen tot haar uiteindelijke herstel. Maar ze weet ons nog breder te informeren dan dat. Zonder de tendens van het boek te doorbreken geeft ze tussen haar verhaallijn door literair onderbouwde uitleg over processen die ten grondslag liggen aan partnergeweld. Verhalen van andere slachtoffers van partnergeweld dragen bij aan een compleet beeld van dit complexe fenomeen, wat het boek naast oneindig boeiend, ook verrassend informatief maakt.

Tessel weet uitermate kundig haar vlotte en gevatte schrijfstijl te combineren met scherpzinnige, beeldende taal. Je kruipt in het hoofd van de jonge feministe, die, ondanks haar eigen emanciperende blik op andermans relaties, vast loopt in schaamte, manipulatie en het gebrek aan een uitweg. Tessel ontkracht met haar boek het hardnekkige idee dat mensen die slachtoffer worden van partnergeweld zelf steviger in hun schoenen moeten staan. Het wordt pijnlijk duidelijk dat de gebeurtenissen die Tessel beschrijft niet op zichzelf staan en ook niet worden voorkomen zolang er niets wordt gedaan tegen onderliggende maatschappelijke problemen. ‘Dat zou jij nooit toelaten’ is hartverscheurende, broodnodige literatuur. (Marieke Braat)

Tessel ten Zweege, Dat zou jij nooit toelaten. 2022. Uitgeverij De Geus, 22,50 euro.


Het zonnestelsel van je hoofd

‘Eindelijk!’, dacht ik toen ik het boek Wat je denkt ben je zelf las. Het boek mag dan wel voor kinderen zijn geschreven, hoogleraar ontwikkelingspsychologie Sander Thomaes weet de spijker goed op de kop te slaan.

In het boek neemt hij je mee op reis door je eigen hoofd langs het zogenoemde ‘zonnestelsel van je hoofd’ met planeten Gevoel, Gedachten, Gedrag, Ik, en School. Toen ik dit boek las, merkte ik pas echt waar ik behoefte aan had toen ik nog jonger was. Ik wilde de wereld beter begrijpen – wie van ons wil dat nu niet? – maar liep vooral tegen het begrijpen van mezelf aan.

Thomaes legt op ludieke en simpele wijze uit hoe de menselijke psychen in elkaar zit, aangevuld met de prachtige en toepasselijke illustraties van Geert Gratama. Van waarom een volwassene nooit huilt (stiekem wel!), tot waarom we soms zo’n behoefte hebben aan zoet en vettig eten. Thomaes weet op een prettige manier lastige thematiek aan te tippen en te verklaren, maar ook bespreekbaar te maken. Het sprongetje naar een voor jongeren lastig onderwerp als anorexia is soepel gemaakt.

Misschien had dit boek voor mij wel een burn-out kunnen voorkomen, en misschien ook niet. Wat het wel kan doen is ook volwassenen inspireren om het leven iets beter te begrijpen. En anders geef je het gewoon cadeau aan je jongere broertje of zusje. (Matthijs Meulblok)

Sander Thomaes, met illustraties van Geert Gratama, Wat je denkt ben je zelf: een ontdekkingsreis door je eigen hoofd. 2022. Uitgeverij Nieuwezijds. 18,95 euro.


Waar heb ik het aan verdiend om te mogen studeren?

"Eigenlijk hoor ik niet op de universiteit thuis. Op een gegeven moment gaan ze me ontmaskeren." Dat is het gevoel dat veel studenten hebben die uit arbeiders- of migrantengezin komen en als eerste in hun familie naar de universiteit gaan. Voormalig UU-onderzoeker Mick Matthys schreef in 2010 een proefschrift waarvoor hij 32 afgestudeerden van die eerstegeneratiestudenten ondervroeg. Nu heeft hij dit proefschrift verwerkt in het publieksboek Rennen in de buitenbocht en heeft als vervolg veertien gesprekken gevoerd met afgestudeerden die uit een migrantenfamilie komen.

Matthys laat in dit boek vooral de afgestudeerden zelf aan het woord. Thematisch ingedeeld vertellen ze over hun relatie met hun ouders, de studietijd en hun carrière. De alumni uit zijn proefschrift zijn allemaal wat ouder, de meeste volgden nog HBS of MULO. En toen zij gingen studeren, waren ze echt een uitzondering. Dat is nu niet meer zo wat het boek minder actueel maakt. Toch zijn veel van de ervaringen van deze mensen nog altijd herkenbaar. Dat blijkt ook wel uit de overeenkomsten met de recenter afgestudeerden uit de migrantenfamilies.

Beide groepen komen terecht in een heel andere wereld, met onbekende codes van hoe je met elkaar omgaat. Ze raken vervreemd van hun ouders en hun vrienden die maar weinig begrijpen van de universitaire wereld. En ze hebben het gevoel harder te moeten werken om succes te hebben. 

Opvallend zijn ook wel de verschillen. De meeste autochtone eerstegeneratiestudenten hebben niet de behoefte om leiding te geven. Ze opereren meer op de achtergrond. Terwijl de studenten met een migrantenachtergrond die ambitie wel hebben. Ook blijkt dat de eerste groep meer moeite heeft om het contact met de familie goed te houden, terwijl bij de migranten dat verschil eerder wordt overbrugd. Het is in ieder geval interessant om te lezen hoe deze studenten de universiteit hebben ervaren en erop terugkijken. (Ries Agterberg)

Mick Matthys, Rennen in de buitenbocht. Sociale stijgers uit het (gast)arbeidersmilieu aan het woord over studie, loopbaan en identiteit. 2021. Uitgeverij Garant. 34,90 euro.


Een familiekroniek over de Utrechtse geschiedenis in stripvorm

Het stripcollectief ‘De Inktpot’ heeft een naam hoog te houden als het gaat om fraaie uitgaven bij bijzondere Utrechtse mijlpalen. We herinneren ons onder meer De Dans van de Gezanten dat een smeuïg beeld gaf van hoe Utrecht ten tijde van de Vrede van Utrecht in 1713 het diplomatieke centrum van de wereld was. Of anders Utrechts Psalter 2016 A.D. waarin de tekenaars ter gelegenheid van een UU-lustrumviering psalmen verstripten, een knipoog naar het monumentale en rijk geïllustreerde Utrechts Psalter, in bezit van de UB.

En dit jaar is het 900 jaar geleden dat de Keizer van het Heilige Romeinse Rijk Utrecht stadsrechten verleende. De Inktpot neemt ons daarom mee naar het middeleeuwse Utrecht om aan de hand van de geschiedenis van de welgestelde familie De Vries aan een tijdreis van tweehonderd jaar door de stad te beginnen.

In 1122, een familiekroniek suizen we met de Utrechtse striptekenaars, waaronder DUB-medewerkers Joshua Peeters en Niels Bongers, in zeven episodes over zeven generaties De Vriezen langs historische gebeurtenissen als de moord op bisschop Koenraad, de aanleg van de stadswal en de grote stadsbrand van 1173. Ondertussen zien we hoe de stad economisch tot bloei komt, en de Utrechtse rivierklei uitstekend geschikt blijkt om bakstenen van te fabriceren. En hoe de angst voor de Tataren de bouw van stadsmuren versnelde.

Hoewel de personages grotendeels fictief zijn, hebben de tekenaars hun best gedaan om zo historisch accuraat mogelijk te zijn. Ook dat maakt dit op prachtpapier uitgegeven boek een fijn cadeau aan de stad, een onvermijdelijk hebbeding voor Utrecht-adepten en een kleurrijke kennismaking met de historie van hun studiestad voor Utrechtse studenten.

De Inktpot, 1122 – Een Utrechtse familiekroniek. Stichting De Inktpot 2022. Te koop bij diverse Utrechtse stripwinkels en boekwinkels. Tot 11 november 2022 geldt een speciale prijs van 11,22 euro daarna 12,50 euro. Ook online te bestellen.


Herinneringen van een oud-rector bij een rondje langs de singels

Een ererondje langs de singels, per boot, te voet of op de fiets. Zo laat het boek Rondje Singel van kunstenaar Jeroen Hermkens en oud-rector en neurobioloog Willem Hendrik Gispen zich het best omschrijven. Aanleiding voor het boek is het 900-jarig bestaan van de stad.

Eigenlijk kent het boek twee routes. De één is van Jeroen Hermkens die internationaal furore maakte met zijn litho’s en schilderijen van steden over de hele wereld. Nu blijft hij dicht bij huis en publiceert in deze bundel veel stadsgezichten in kleur en zwart-wit. Daarbij gaat hij zijn eigen weg en nu en dan overlapt het beeld het verhaal van Willem Hendrik Gispen.

Gispen is een geboren en getogen Utrechter. Hij volgde de middelbare school bij het Christelijk Gymnasium, studeerde aan de Universiteit Utrecht en maakte daar ook carrière als moleculaire neurobioloog bij de medische faculteit en later als rector van de universiteit. In zijn verhalen bij de rondgang langs de singels komt Gispen met interessante anekdotes uit de Utrechtse geschiedenis, zoals het verhaal van de manier waarop de universiteit de bekende onderzoeker Rudolf Magnus afscheepte met een slecht onderhouden laboratorium in wat nu de Leeuwenbergh kerk is. Pas na de dreiging van vertrek en financiering van de Rockefeller Foundation, mocht hij bij de Vondellaan een nieuw lab bouwen. Als het gebouw bijna af is, komt Magnus onverwacht te overlijden. Daarnaast koppelt hij veel van de verhalen aan zijn eigen herinnering, zoals dat hij zijn eerste kus gaf op een bankje bij sterrenwacht Sonnenborgh, in de pauze van het schooltoneel.

Dankzij Gispen hebben veel van de anekdotes betrekking op de universiteit. Dat maakt het extra interessant om te lezen. (Ries Agterberg)

Jeroen Hermkens en Hendrik Willem Gispen, Rondje Singel. 2022. In eigen beheer. 22,95 euro   
Lezers van DUB kunnen een exemplaar van dit boek winnen via de prijsvraag.


Het wonder van Sint-Maarten en burgerschap in Utrecht

Ter ere van het 900-jarig bestaan van de stad Utrecht werd er op 3 en 4 juli Het Zomerfeest van Sint-Maarten georganiseerd. Een van de tastbare opbrengsten van deze viering is de publicatie van het publieksboek Het wonder van Sint-Maarten: Utrecht een gelukkige stad, onder leiding van Els Rose, hoogleraar Laat en Middeleeuw Latijn aan de UU.

Vanaf de 10de eeuw neemt het Wonderverhaal van Sint-Maarten een belangrijke plek in de Utrechtse geschiedenis in wanneer Bisschop Radboud (899/900-917) het verhaal gebruikt om van Utrecht weer een leefbare stad te maken. Door de 21ste -eeuwse vieringen van Sint-Maarten tegenover deze middeleeuwse traditie te zetten biedt dit boek een interessant perspectief over wat de viering van Sint-Maarten betekent voor Utrecht als stad en met name burgerschap in Utrecht.

Waar het eerste deel van het boek zich bezighoudt met de historische context van Bisschop Radboud en het Wonderverhaal van Sint-Maarten, biedt het derde gedeelte juist een zeer persoonlijke kant van de hedendaagse beleving van de tradities. 

Het tweede gedeelte van het boek voelt echter als een dissonant in dit hele verhaal. Door de zeer inhoudelijke bespreking van middeleeuwse muziek en de uitvoering hiervan slaat het boek de plank mis bij het breder geïnteresseerde publiek. Hoewel het opzichzelfstaand een interessant werk kan zijn, voelt dit gedeelte misplaatst in het overkoepelende verhaal van Sint-Maarten en Utrechts burgerschap.

Desalniettemin is dit boek een aanrader voor de liefhebber van Utrechtse en religieuze geschiedenis, mede dankzij de rijkelijke en toegankelijke behandelingen van de middeleeuwse bronnen die het boek veelvoudig gebruikt. Hiermee is een belangrijk en nog steeds relevant gedeelte van de Utrechtse stadsgeschiedenis bereikbaar voor de moderne inwoner.  

Els Rose,  (red.), Het wonder van Sint-Maarten: Utrecht een gelukkige stad .2022. Uitgeverij  Amsterdam University Press. 24,99 euro.


Hoe meneer Prins zijn gedachten kwijtraakte

Wat gebeurt er als onze hersenen, ons belangrijkste orgaan, ons in de steek laat? Als de meest geroutineerde, alledaagse handelingen niet meer vanzelfsprekend zijn? Zoals bij patiënt Van Ieperen, van wie het langetermijngeheugen hapert en waardoor hij soms vergeet hoe hij moet fietsen of skeeleren. Of Anja, die aan semantische dementie lijdt en het begrip van gewone woorden verliest. 

In Hoe meneer Prins zijn gedachten kwijtraakte neemt de neuropsycholoog de lezer mee in zijn behandelkamer. Elf neuropsychologen, die allemaal gestudeerd hebben dan wel werken bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht, vertellen over ‘die ene patiënt’, die hen altijd is bijgebleven of die hen aan het denken heeft gezet. Het is een wisselende combinatie van verhalen, die over veel voorkomende geheugenkwalen gaan, zoals vergeetachtigheid, maar ook over zeer zeldzame en wonderbaarlijke casuïstiek, zoals de patiënt wier wereld van plastic lijkt.

In het boek is ook vanuit de neuropsycholoog een diepe fascinatie voor de hersenen voelbaar: voor de complexiteit, vernuftigheid en de ondoorgrondelijkheid. Wat als onze hersenen tricks met ons uithalen? Het boek is daarom ook boeiend voor de lezer die geïnteresseerd in de werking van hersenen. Met elke patiënt komt ook wat inhoudelijk achtergrondinformatie.

Hoewel het thema ‘ziekte’ is, gaat het boek geenszins over verval. De verhalen weerspiegelen stuk voor stuk de gigantische veerkracht van patiënten. In de behandelkamer gaat het gesprek over wat er nog wél kan. De verhalen weten treffend bloot te leggen, hoe acceptatie, vertrouwen en hoop patiënten leert om met de cognitieve beperkingen om te gaan en ermee te leven.

Ondanks dat het persoonlijke en menselijke in de verhalen centraal staat, blijft de verteller, de observerende neuropsycholoog die aan het werk is. De psycholoog voert het gestructureerde diagnostisch onderzoek uit en probeert aan de hand van eigen waarnemingen het ziektebeeld van de patiënt te begrijpen. Hierdoor voelt de setting soms ‘klinisch’ aan en de relatie tot de patiënt wat afstandelijk. De verhalen weten ondanks het persoonlijke leed niet altijd emotioneel intens te raken. (Isabella Hesselink)

Helen Anema, Esther van den Berg, Sarai Boelema, Annelies Buhrmann, Irene Huenges Wajer, Josje Kal, Mariska Mantione, Carla Ruis, Haike van Stralen, Kim Verweij en Martine van Zandvoort, Hoe meneer Prins zijn gedachte kwijtraakte, verhalen uit de spreekkamer van de neuropsycholoog. 2022. Uitgever Boom, 23,95 euro.


Gerard Trienekens beziet zijn leven met milde zelfspot

In het voorjaar van 1985 werd Nederland opgeschrikt door een wetenschappelijke rel van formaat. De Utrechtse historicus Gerard Trienekens had het gewaagd om in zijn proefschrift Lou de Jong, dé Nederlandse autoriteit op het gebied van WO2, tegen te spreken. Op basis van minutieuze berekeningen over de beschikbare hoeveelheid voedsel had Trienekens geconcludeerd dat Nederlanders in de oorlog nooit zoveel honger hadden kunnen lijden als De Jong en andere historici beweerden. Gevolg was een stroom woedende ingezonden brieven en een boycot door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

In het boek Gezien door de ijsvogel kijkt de nu 81-jarige Trienekens met zelfspot maar soms ook met lichte verbittering terug op deze en andere voorvallen uit een leven dat in het teken stond van ‘de strijd voor kwaliteit en gerechtigheid’. Kenmerkend voor die zelfspot is een anekdote over een bevriende promovendus op wiens werk hij ongezouten commentaar had geleverd. Toen de man thuiskwam vroeg zijn echtgenote of hij soms een auto-ongeluk had gehad. “Nee”, zei hij, “ik heb Trienekens gesproken.”’

Ook zijn 35-jarige loopbaan aan de UU is mede door die strijd getekend, waarbij vooral de jarenlange loopgravenoorlog met zijn niet bij naam genoemde hoogleraar een ontluisterend beeld schetst van het academische bedrijf. Maar Trienekens zou Trienekens niet zijn als hij zijn boek niet ook had voorzien van een lange stroom ‘leuke verhalen’. Zo vroeg een student hem tijdens een college over de Romeinen ooit: Mijnheer, wat zijn Romeinen? Hij schrijft dan: “Terwijl ik werkelijk aarzel welk soort antwoord ik zal geven, steekt een andere student zijn vinger op. ‘Je kent toch Asterix en Obelix? Nou, die lui die altijd platgeslagen worden, dat zijn Romeinen.’ Bij dit vertoon van weten, paste mij het zwijgen.’ (Erik Hardeman)

Gerard Trienekens, Gezien door de ijsvogel. 2022 uitgegeven in eigen beheer, 26,50 euro. Bestellen kan via een mail.


 

Geschiedenis van de milieubeweging herbergt ongeleerde lessen

In 1972 ontving je bij tankstations van Esso per twintig liter getankte benzine één gratis dierenfoto. De foto’s waren onderdeel van een Wereld Natuur Fonds-campagne om geld in te zamelen voor een dierenpark in Sumatra. De campagne leverde een ton op voor het dierenpark, maar natuurlijk ook een positief imago voor de oliemaatschappij. Tegenwoordig bekritiseren we deze praktijken als greenwashing, maar ook vijftig jaar geleden praktiseerden bedrijven deze pr-tactiek.

Greenwashing is een van de vele parallellen die hoogleraar milieu- en cultuurgeschiedenis Geert Buelens in zijn boek Wat we toen al wisten tussen 1972 en het heden schetst. Het uitgangspunt van het boek is de publicatie van het rapport The Limits to Growth van de Club van Rome, dat tot grote opschudding in de academische en politieke wereld leidde. Op basis van computermodellen constateerde het rapport dat de groei in bevolking en industrie af moet nemen om catastrofale gevolgen voor het milieu – en de mens – te voorkomen. In wat voor cultuur kon dit rapport uitgroeien tot een mondiaal fenomeen? En wat wist, dacht en schreef men over milieuproblemen?

Per hoofdstuk behandelt Buelens een thema, zoals het publieke bewustzijn en reacties op milieuvervuiling, de wetenschappelijke kennis over milieuproblemen, en over (toentertijd) nieuwe filosofische stromingen zoals diepe ecologie en dierenrechten. Ook beschrijft hij de spanningen die heersten binnen de milieubeweging – want was de beweging niet te elitair en wit? Met de koude oorlog als decor hadden daarnaast ook (geo)politieke spanningen invloed hoe er over milieuvervuiling werd gedacht, en naar wat voor oplossingen er werd gekeken.

Buelens haalt zijn bronnen wisselend uit de kunst, het nieuws en politieke documenten. Daarnaast gebruikt hij ook ervaringen uit zijn kindertijd in het Vlaamse Duffel. Het boek is hierdoor een fijne leeservaring voor iemand die wil weten hoe kennis over het milieu en de milieubeweging tot stand is gekomen. Het boek is - wellicht onbedoeld – soms ook deprimerend om te lezen: vijftig jaar geleden was al veel over de relatie tussen economische groei en het aftakelen van onze omgeving, maar nog steeds wordt hier onvoldoende naar gehandeld. (Marcel Hobma)

Geert Buelens, Wat we toen al wisten – de vergeten groene geschiedenis van 1972. 2022. Uitgeverij Querido Facto. 20 Euro.


Leuk voor de liefhebber, niet voor op vakantie

Zonder vertalingen had onze cultuur er heel anders uitgezien, staat er op de achterkant van het boek Vertalen in de Nederlanden. Natuurlijk: als klein handelsland zijn we al eeuwenlang in nauw contact met andere culturen, en dus andere talen. Van kerkelijke teksten tot literaire meesterwerken uit het buitenland; het kan pas echt invloed hebben als men het kan lezen, en dat kan dan weer pas als een werk in een taal is geschreven die de mensen machtig zijn. Schoenaers en co hebben een grondig historisch overzicht geschreven van vertalen in Nederland en Vlaanderen, van de middeleeuwen tot nu. Talloze voorbeelden, namen, werken en brontalen passeren de revue, om maar zo compleet mogelijk te zijn, want er was nog nooit eerder een dergelijke geschiedenis van het vertalen geschreven.

Dan rijst wel de vraag voor wie dat grondige overzicht bedoeld is. Het is een geschiedenis die grenst aan de literatuurwetenschap, dwars door eeuwen, genres en talen heen. Ondergetekende werkt zelf als vertaler en heeft professionele interesse in het onderwerp, maar dit boek is interessanter voor historici dan voor vakidioten. Voor mediëvisten is wellicht het eerste deel interessant; studenten moderne letterkunde zullen kunnen smullen van de vertaalruzies die in het laatste deel worden besproken. Voor een casual lezer die gewoon wat leuks op wil steken is dit boek veel te academisch; luchtig leesvoer voor op het strand is het, met z’n bijna twee kilo en 656 pagina’s, ook niet. Een mooi naslagwerk, met allerlei interessante voorbeelden, waarvan dus verschillende stukken verschillende groepen academici zullen aanspreken. De hele dikke pil van 1550 tot 2020 lezen zal, denk ik, maar voor weinigen interessant zijn. (Indra Spronk)

Dirk Schoenaers, Theo Hermans, Inger Leemans, Cees Koster, Ton Naaijkens, Vertalen in de Nederlanden – een cultuurgeschiedenis. 2021. Uitgeverij Boom. 49,95 euro.


 

Facebook Twitter Whatsapp Mail