Collegetoer: Waarom leest de één gewoon slecht en is de ander dyslectisch?

Body: 

Lezen, schrijven, rekenen. Voor veel mensen is het iets vanzelfsprekends. Maar wat als het maar niet wil lukken, wat je ook probeert? Dan zou het wel eens kunnen dat je een lees-, taal-, en/of rekenstoornis hebt. Of je bent er gewoon niet zo geoefend in? Bij het keuzevak Hersenontwikkeling: gedrag  en leren. Typische en  atypische ontwikkeling leer je er meer over.

StudieKeuzevak
Naam vakHersenontwikkeling: gedrag  en leren. Typische en atypische ontwikkeling
Niveau, hoeveelstejaarsvakBachelor niveau 3
WaarRuppert 040
Datum en duur31 Mei, 11:00-12:45
DocentLex Wijnroks
Aantal studenten die vak volgen120
Aantal aanwezige studentenRond de 50
VoertaalNederlands

Dit is de enige cursus binnen de universiteit die gaat over de relatie tussen hersenontwikkeling en gedrag en waar je meer te weten komt over het verschil tussen iemand met een stoornis en iemand die door bijvoorbeeld de thuisomgeving minder vlot is met het leren van taal. Ook wordt hier onderwezen hoe een stoornis in elkaar zit en waar je dan precies moeite mee hebt. De belangstelling voor het vak is daarom breed. Het vak trekt ongeveer voor de helft pedagogiekstudenten en voor de rest uit studenten van opleidingen zoals psychologie, biologie, geneeskunde, onderwijskunde en psychofarmacologie. Deze studenten zullen dan ook ongetwijfeld op verschillende aspecten van dit vak gefocust zijn. Omdat ik vind dat het in de wetenschap essentieel is om verschillende disciplines samen te brengen voor het zo goed mogelijk oplossen van problemen, is een multidisciplinair vak als dit naar mijn mening enorm waardevol.

“Een taal leren is een vanzelfsprekend natuurlijk proces'', vertelt docent Lex Wijnroks aan het begin van zijn college. “Iedere baby is daar vanaf de geboorte klaar voor. Als een kind dit dus niet zomaar kan, is dat bijzonder." Hij vertelt  over hoe we als baby in staat zijn alle klanken van elke willekeurige taal te onderscheiden. Op den duur specialiseren onze hersenen zich steeds meer in de waarneming van klanken en klankcombinaties die kenmerkend zijn voor onze moedertaal. Hierdoor verliezen we uiteindelijk het vermogen om een andere taal net zo te leren spreken.

Tijdens het college gaat Wijnroks in op de aard van verschillende  stoornissen die in dit leerproces kunnen optreden: taalontwikkelingsstoornis, dyslexie en dyscalculie. Deze stoornissen komen vaker voor dan je zou denken: er worden schattingen genoemd van respectievelijk 7 procent, 5 tot 17,5 procent en 3 tot 6 procent.

Wat houden deze stoornissen precies in? Nou, bij een taalontwikkelingsstoornis heeft een kind moeite met één of meer van de volgende aspecten van taal: taalproductie, taalbegrip, zinsconstructie, opbouw en woordenschat, taalpragmatiek - wanneer je wát moet zeggen - of syntax (het verhapselen van woorden). Bij dyslexie is er een probleem met het aanleren en het snel en accuraat toepassen van lezen en spellen. Een kind met dyslexie heeft moeite met het segmenteren van woorden in lettergrepen of klanken, het koppelen van letters aan bijbehorende klanken, of het identificeren van woorden. Deze twee stoornissen kunnen dan ook erg op elkaar lijken, doordat ze beide gepaard gaan met deze zogeheten fonologische tekorten. Er wordt van dyscalculie gesproken als een kind niet in staat is om numerieke hoeveelheden snel te kunnen begrijpen, schatten of manipuleren. Dit zijn allemaal specifieke stoornissen, aangezien het gaat om een specifiek proces dat verstoord is. Verder hoeft er dus niets aan de hand te zijn met de sociale, emotionele, of intellectuele vaardigheden van het kind.

Het belang van genen
Wijnroks vertelt over een jongen die geen woord sprak tot zijn vierde en toen op een dag vloeiend begon te praten. Toen hij zijn ouders ernaar vroeg, bleek dat het niet alleen bij al hun zoons zo was gegaan, maar bij hun vader ook. Blijkbaar spelen genen hierbij een bepaalde rol. Betekent dat dan dat je met een bepaald gen altijd een bepaalde aandoening kunt krijgen? Dat het verloop van ons leven al is bepaald in onze genen? Nee, genen zijn altijd maar een deel van het plaatje, zegt Wijnroks. Als je bepaalde genen hebt die in verband worden gebracht met een aandoening, wil dat hooguit zeggen dat je er meer aanleg voor hebt (zo'n 30 tot 50 procent van kinderen met een dyslectische ouder krijgt het zelf ook). Factoren als omgeving kunnen een minstens zo belangrijke rol spelen, hoewel zij nooit de stoornis veroorzaken. Denk bijvoorbeeld aan het effect van voedingspatronen op hersenontwikkeling, of het effect van kwalitatief onderwijs op leesniveau. En dan heb je het nog niet eens over de enorme rol die de thuisomgeving kan spelen. Vast niet elke ouder zal zelf de middelen hebben om huiswerkbegeleiding of speciale scholen te bekostigen, of altijd de tijd te hebben een gezonde maaltijd op tafel te zetten.

Maar alleen omdat een kind niet zo goed kan lezen of spellen betekent nog niet meteen dat er sprake is van dyslexie. Juist omdat het gaat om verstoringen in complexe hersenprocessen die vooral zichtbaar zijn door bepaald gedrag, zoals bijvoorbeeld langzaam lezen, is het lang niet altijd duidelijk wat dat gedrag veroorzaakt. Op scholen met slechter onderwijs wordt dyslexie bijvoorbeeld vaker gesignaleerd, maar het is niet moeilijk voor te stellen dat het onderwijs wellicht de oorzaak zou kunnen zijn van de slechtere prestaties. Dat er ook nog eens zoveel overlap is tussen een taalontwikkelingsstoornis (T.O.S), dyslexie en dyscalculie (en zelfs tussen dyslexie en bijvoorbeeld ADHD) maakt het vaststellen van de oorzaak er niet makkelijker op. Hoe kom je er dan achter of een kind daadwerkelijk een taal- of leesstoornis heeft?

Wat voor soort taalproblemen een kind heeft, blijkt onder andere ook afhankelijk van de taal. Dit zit hem in de  orthografie, de spel- en schrijfwijze van de taal. Hoe inconstistenter de relatie tussen schrijfwijze en klank is, hoe moeilijker kinderen leren lezen. Pak nou bijvoorbeeld het Nederlands. Ik vind het bijzonder bijdehand als iemand beweert dat hij het een makkelijke taal vindt. Vooral wanneer je de vorige zin nog eens leest en tot de conclusie komt dat er niet alleen drie verschillende schrijfwijzes van een t-klank in staan, maar ik ook drie keer een 'ij' heb gebruikt die je op drie verschillende manieren uitspreekt. Dat eerste heet een feedback inconsistentie, het tweede een feedforward inconsistentie. Het is dan ook niet erg verrassend dat kinderen met een taalstoornis vooral lees- en spelfouten maken. Vergelijk dit met een taal waar de relatie tussen klank en schrijfwijze consistenter is zoals het Italiaans, dan merk je dat ze vooral opvallen doordat zij extreem langzaam lezen.

Een andere manier waarop fonologische tekorten kunnen worden vastgesteld is het kind niet bestaande woorden als `keg', `kag', of `luip' te laten nazeggen (non-woordrepetitietaak). Dit heeft te maken met die klankherkenning waar kinderen met een T.O.S of dyslexie moeite mee hebben. Daarnaast kunnen tekorten in het visueel geheugen worden geconstateerd door het complexe Rey-Osterrieth-figuur te gebruiken (hieronder afgebeeld). Het kind mag deze figuur een tijdje bestuderen en moet het na bijvoorbeeld twintig minuten nog kunnen natekenen. Dit werkt overigens niet bij kinderen die een ‘orthografisch consistente’ taal als het Italiaans spreken.

Lezen gaat alleen rap met de juiste kwab
De rest van het college gaat over de verschillende gebieden van de hersenen die betrokken zijn bij lezen en het leren van taal. Hoewel ik zelf niet alle referenties naar de verschillende hersendelen die geactiveerd worden bij verschillende processen kan volgen (dat zit hem vooral in de benamingen, met termen zoals `Parieto-temporale kwab' en `inferieure frontale gyrus'), verneem ik van enkele studenten dat dit college niet heel moeilijk is. Blijkbaar wordt er tijdens de colleges meestal meer ingegaan op de verschillende hersendelen en hun functies, wellicht dat ik het dan iets beter had kunnen volgen. Mij is wel een hersenplaatje bijgebleven (zie de figuur hieronder), waarin zichtbaar is hoe de hersenen van dyslectische mensen verschillen van die van probleemloze lezers. Hierin is te zien dat dyslectici, een woord dat overigens zelfs voor niet dyslecten moeiljik te spellen is, hoofdzakelijk één hersengebied gebruiken tijdens het lezen, waardoor hun leesproces moeizamer gaat doordat zij de woorden  lettergreep voor lettergreep lezen. Het frappante aan dyslectische kinderen is dat hun taalontwikkeling zich op vergelijkbare wijze ontwikkelt als bij andere kinderen, alleen dan in een iets trager tempo.

Mocht je tijdens het lezen van dit artikel een of meerdere spelfouten hebben opgemerkt, dan heb je het waarschijnlijk aandachtig gelezen. Ik kon het niet laten in de tekst een paar spelfouten te maken, omdat ik verwacht dat de meeste mensen er gewoon overheen lezen. Ik kan me er niet zo goed iets bij voorstellen hoe het zou zijn om bijvoorbeeld dyslectisch te zijn, maar ik stel me altijd voor dat net zoals mijn hersenen die fout gepselde woorden lezen alsof ze goed gespeld zijn, ze bij dyslectici het tegenovergestelde zouden doen. Gezien de prevalentie van taal-, lees- en rekenstoornissen zullen er waarschijnlijk veel mensen zijn die niet eens weten dat ze het hebben. Mocht je dus niet zo goed zijn in taal, dan helpt het dus misschien om naar Italië te verhuizen.

Facebook Twitter Whatsapp Mail