Nieuwe technieken in ziekenhuizen worden vaak gezien als medische doorbraken, terwijl fundamentele biologen en scheikundigen er vaak de basis voor leggen foto: Ivar Pel

De Utrechtse Life Sciences: alles wat je als onderzoeker nodig hebt binnen loopafstand

Body: 

De Universiteit Utrecht probeert zieke mensen te genezen. Dat is natuurlijk de mooiste pr die je kunt hebben en nog waar ook. Logisch dat Life Sciences tot één van de strategische onderzoeksthema’s is uitgeroepen. Maar niet iedereen is tevreden. Het medische tromgeroffel overstemt sommige andere geluiden.

De Universiteit Utrecht probeert zieke mensen te genezen. Dat is natuurlijk de mooiste pr die je kunt hebben en nog waar ook. Logisch dat Life Sciences tot één van de strategische onderzoeksthema’s van de UU is uitgeroepen. Maar niet iedereen is tevreden. Het medische tromgeroffel overstemt sommige andere geluiden.

De universiteit heeft vier themagebieden aangewezen om het Utrechtse onderzoek internationaal op de kaart te zetten. Zij krijgen miljoenen extra geld. DUB vraagt zich af wat ze met het geld gaan doen, hoe deze onderzoekers boven de rest uit willen stijgen en wat dat betekent voor de afvallers die niet bij het speerpunt horen. Vandaag het strategische thema: Life Sciences


Wie het rijtje voorgeschoteld krijgt, is gegarandeerd onder de indruk. In De Uithof, of liever in het Utrecht Science Park, bevinden zich: een gerenommeerd academisch ziekenhuis, de enige faculteit Diergeneeskunde van het land, een gereputeerde bètafaculteit met één van de twee Nederlandse opleidingen Farmacie en het Hubrecht Instituut voor stamcelonderzoek. En dat is de summiere opsomming.

Als je als onderzoeker iets nodig hebt, een eiwit-analyse, een diermodel, of wat dan ook, dan loop je gewoon naar de overkant van de straat. Dat is het verhaal dat Utrecht graag vertelt. Hier wordt immers het hele continuum in het lifesciences-onderzoek, “van molecuul tot populatie”, onderzocht door meer dan 1500 wetenschappers variërend van fundamenteel biologen en scheikundigen tot klinisch epidemiologen.

Utrecht heeft alles om zich te profileren als top biomedische onderzoekshub in Europa, zo stellen de decanen van de faculteiten Geneeskunde, Bèta en Diergeneeskunde in hun aanvraag voor de onderzoeksmiljoenen voor de nieuwe strategische thema’s.

Life sciences zijn toch altijd al een speerpunt van de UU geweest? Dat is toch niets nieuws?
Voor de andere strategische thema’s is de universitaire erkenning inderdaad een grotere impuls dan voor de life sciences. Zonder veel fantasie kan gesteld worden dat Ronald Plasterk ergens rond de eeuwwisseling al de eerste Utrechtse lifesciences-hoogleraar was. De geneeskunde- en diergeneeskundefaculteiten stopten destijds samen met de drie bètafaculteiten scheikunde, biologie en farmacie groot geld in een nieuw Academisch Biomedisch Centrum (ABC). Het universiteitsbestuur kwam over de brug met miljoenen uit de beursgang van biotech-spinoff Crucell. Het ABC investeerde fors in genomics- en proteomics-onderzoek en er werden veelbelovende onderzoekers aangesteld. Daarnaast zag de Graduate School of Life Sciences het licht. Het voornaamste doel van Life Sciences als strategisch thema is om de zichtbaarheid van de eigen kwaliteiten te vergroten en nieuw toptalent aan te trekken.

Heel veel universiteiten doen aan life sciences. Wat maakt het thema aan de UU nu echt onderscheidend?
De Utrechtse breedte is de voornaamste sterkte; die is behoorlijk uniek. Maar dat ‘profileert’ natuurlijk niet heel lekker. Er is daarom besloten drie specialismen in de etalage te zetten: kanker, regeneratieve geneeskunde en volksgezondheid, in het bijzonder infectie- en immuunziekten. Voor het kankeronderzoek staat er een fusie met het Nederland Kanker Instituut/ Antonie van Leeuwenhoek-ziekenhuis in Amsterdam op stapel. De regeneratieve geneeskunde baart in Utrecht opzien met verschillende stamceltechnologieën, maar bijvoorbeeld ook met 3D-printen van implantaten. Het Utrechtse onderzoek naar infecties en immuunziekten is ook van een zeer hoog niveau. De komst van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIVM) naar het Utrecht Science Park versterkt dat nog eens.

En wat levert dat op?
De universiteit kan met deze speerpunten duidelijk maken dat ze maatschappelijk relevant is. Ze passen binnen het topsectorenbeleid en het Horizon 2020-programma van de Europese Unie. Ook is er de publiek-private Utrecht Life Sciences, een samenwerkingsverband van UU en UMC Utrecht met de Hogeschool Utrecht, de gemeente en de provincie Utrecht, TNO en grote bedrijven als Danone en GlaxoSmithKline.

Vallen er ook groepen  buiten de boot?
De wiskundigen en de theoretisch natuurkundigen zijn behoorlijk gebruskeerd door het instellen van de strategische thema’s. Voor de Utrechtse Nobelprijswinnaar ’t Hooft is bijvoorbeeld binnen geen enkel thema plaats.
Als het gaat om de lifesciences-onderzoekers dan haken bijna alle Utrechtse onderzoekers wel aan, behalve misschien de plantonderzoekers. Die voelen zich veel minder thuis binnen een strategie die zich vooral richt op de biologie en gezondheid van mensen en dieren.
Aan de andere kant zijn er ontwikkelingen die bewijzen dat al deze vakgebieden nog steeds een toekomst aan de UU hebben. Zo stelde de universiteit onlangs nieuwe focusgebieden vast, veelbelovende onderzoeksthema’s die kunnen uitgroeien tot strategische thema’s. De theoretici krijgen daarbij een prominente plek in het focusgebied Complex Systems, de plantonderzoekers in Future Food Utrecht.

Voelen de biologen, farmacologen en scheikundigen zich wel thuis binnen het nieuwe strategische thema Life Sciences?
Deze fundamentele wetenschappers hebben vrijwel zonder uitzondering samenwerkingsverbanden met het ziekenhuis, meestal tot grote tevredenheid. Maar zelf zijn ze geen medici en dat willen ze ook niet zijn; zíj bestuderen hoe dingen werken en in elkaar steken. Ze worden daarom altijd wat kriegelig van het verkoopargument ‘ziekten’.
Het is natuurlijk geen nieuw zeer. Bij beursaanvragen voor gezamenlijke onderzoeksprojecten in de life sciences maak je meer kans als de hoofdindiener een medicus is, of in ieder geval aan een herkenbaar maatschappelijk probleem werkt. Maar dat de UU de verhoudingen ook zo in de etalage zet, drukt nog eens extra op de blauwe plek.
De bèta’s kijken daarom ook nadrukkelijk naar het versterken van eigen centra van succesvolle fundamentele onderzoeksgebieden. Zo krijgt Farmacie nu een Utrecht Medicine Exploration Centre.

Wat gaat er gebeuren met het geld dat het strategisch thema krijgt?
Dat Life Sciences door het universiteitsbestuur uiteindelijk maar 8 miljoen kreeg toebedeeld, terwijl voor 15 miljoen was aangevraagd, was onmiskenbaar een teleurstelling. De plannen blijven echter overeind, al lijkt het duidelijk dat de financiering vooral vanuit Geneeskunde en Diergeneeskunde moet komen. De bètafaculteit moest alle zeilen bijzetten om een tekort op de begroting te voorkomen en had waarschijnlijk liever geld gekregen om de gewone exploitatie rond te krijgen.
De drie decanen willen vooral de onderzoeksfaciliteiten beter ontsluiten. Dat betekent meer en betere ondersteuning en begeleiding van iedereen die van de voorzieningen gebruik wil maken; van onderzoeksleiders, maar ook van postdocs of promovendi, en van ‘strategische partners’. Daarom wordt geïnvesteerd in microscopie en in proteomics,  maar bijvoorbeeld ook in een “levende tumorbiobank” van Hans Clevers.
Met dat soort voorzieningen kun je internationale toppers werven. Ook voor enkele nieuwe ‘Nobelprijswaardige’ aanstellingen werd daarom budget aangevraagd in het voorstel voor het nieuwe strategische thema. Verder wilden de decanen graag geld voor aanjaagpremies voor nieuwe interdisciplinaire projecten. Uiteindelijk moet dit alles zich dubbel en dwars terugbetalen in meer grants van onderzoeksfinanciers.

Wat is het voornaamste winstpunt van een strategisch thema Life Sciences?
Dat de UU zich met dit thema in de communicatie en marketing beter kan profileren moet nog worden waargemaakt. Over de universitaire bijdrage van 8 miljoen wordt her en der ook nog wel wat sceptisch gedaan. De vraag is of sommige investeringen er sowieso niet waren gekomen.
De extra prikkel voor innovatieve en interdisciplinaire samenwerking wordt voorlopig als belangrijkste, concreet aanwijsbare, winstpunt gezien. Een bewijs daarvoor is de grote belangstelling voor de 6 aanjaagpremies die voor dit soort onderzoek beschikbaar waren. Daarvoor kwamen maar liefst 70 aanvragen binnen van duo’s die samen plannen maakten. Er is dus zeker enthousiasme bij onderzoekers.

Facebook Twitter Whatsapp Mail