Creative commons: pixabay

Hoe gaan studenten om met stress? Een onderzoek moet meer duidelijkheid geven

Body: 

De universiteit moet studenten helpen hun stress beter te managen. Met dat uitgangspunt onderzoekt Michèle Gerbrands, innovatie-adviseur bij Biomedical Sciences, hoe bijvoorbeeld Fitbits, stappentellers en sportapps daarbij kunnen helpen. Deze toepassingen van ‘quantified self’ kunnen, als ze de gebruiker de juiste feedback geven, goede copingmechanismen aanleren.

Read in English

Studenten met een Fitbit om hun pols of een sportapp op hun telefoon kunnen dit waarschijnlijk beamen: het spoort je aan om te gaan bewegen. Een goede zaak, vindt Michèle Gerbrands, want bewegen helpt tegen stress en studenten stressen te veel. In het kader van haar master Media Innovation doet ze onderzoek naar de rol van apps in het tegengaan van stress en het verbeteren van de mentale gesteldheid bij studenten. Binnen die stessmanagementapps is sporten een interventie om stress te reduceren. Ze richt zich vooral op de feedback die de apps geven, zodat studenten gestimuleerd worden hun gedrag constructief te veranderen.

Bij toepassingen van quantified self (QS) worden allerlei persoonlijke data verzameld: je kunt bijvoorbeeld biologische of fysiologische gegevens meten (zoals met sportapps en het meten van bloeddruk en hartslag), maar je kunt ook gedrag of meer subjectieve gegevens zoals emoties bijhouden. Toch wilde Gerbrands niet enkel stressniveau meten. “Daar heeft een student niet direct iets aan. Het is wel handig om te weten wat je stressniveau is, maar het is nog veel belangrijker om te weten hoe je ermee omgaat”, vertelt ze. “Deze technologie kan daaraan bijdragen. Het kan studenten helpen om copingmechanismen te ontwikkelen die helpen bij stress, zoals sporten.”

Het gebruiken van QS-toepassingen gaat niet alleen om persoonlijke data verzamelen, maar ook om reflecteren, volgens Gerbrands. “Je kunt patronen ontdekken in je gedrag, waarna je dat gedrag kunt veranderen.” Echter ontbreekt er in QS-toepassingen vaak nog een goede interface, of een manier van feedback geven die aanslaat bij studenten. Met haar onderzoek wil Gerbrands dus in kaart brengen wat wél werkt. “Het gaat mij dus om de manier waarop feedback wordt gegeven en wat de perceptie daarop is. Mensen moeten het gevoel hebben dat ze iets kunnen bereiken en dat ze gestelde doelen kunnen behalen.”

Doelen stellen is volgens Gerbrands belangrijk, “maar er spelen nog allerlei ingewikkelde factoren mee zoals motivatie en zelfregulatie.” Ook wil ze bekijken of studenten een voorkeur hebben voor cognitieve of affectieve feedback. Cognitieve feedback is gestoeld op rationele informatie: bijvoorbeeld dat je immuunsysteem en spieren sterker worden van sporten, waar affectieve feedback meer gaat over onderliggende gevoelens, waarden en emotionele associaties. Dan heb je het bijvoorbeeld over beter in je vel zitten door te sporten. “Een ander voorbeeld is de affectieve eigenschap van automerk Volvo”, legt ze uit, “Volvo’s geven een gevoel van veiligheid, vanwege de kooiconstructie.”

Verhoogde kans op burn-out
Gerbrands is vanuit persoonlijke ervaring geïnteresseerd geraakt in stressmanagement. Tijdens haar bacheloropleiding heeft ze een fikse burn-out gehad, iets waar veel studenten risico op lopen. Niet voor niets staat stressmanagement centraal bij de eerste Welzijnsweek op de UU, die op dit moment loopt. “Vooral in deze generatie is het een heel groot probleem. Er wordt veel van studenten verwacht vanuit de maatschappij, maar ook zijzelf leggen zich een grote druk op. Naast (op hoog tempo) studeren hebben ze ook de hele transitie van puber naar jongvolwassene, waarbij ze zelfstandig gaan wonen, hun eigen financiën moeten regelen, een relatie krijgen en een vriendenkring moeten opbouwen.”

“We leven in een maatschappij waarin er van je wordt verwacht dat je presteert. De veronderstelling is dat het leven maakbaar is en dat je alleen succesvol bent als je een mastergraad haalt. Mensen vinden het gek als je bijvoorbeeld besluit niet te gaan studeren maar liever bij een schoonmaakbedrijf gaat werken, terwijl je daar net zo goed heel gelukkig kunt zijn. Het is dan natuurlijk de vraag in hoeverre je je als onderwijsinstelling verantwoordelijk moet voelen voor die vorming. Maar waarom zouden we studenten niet vanaf dag één helpen om met stress om te gaan? Je kunt wachten tot ze klachten krijgen en uitvallen voor je ze gaat helpen, maar je kunt ook proberen het voor te zijn.”

Harold van Rijen, opleidingsdirecteur van Biomedical Sciences, beaamt dat. “Het welzijn van studenten is ook onze verantwoordelijkheid als opleiding, als universiteit. Het kan best een maatschappelijk probleem zijn, maar alles wat wij eraan kunnen doen om het te verbeteren, is onze verantwoordelijkheid.” Binnen het UMC Utrecht is daarom, al een aantal jaar terug, de onderwijsstrategie Fit for the Future geïntroduceerd. Eén van de acht thema’s die daarbij centraal staat, is veerkracht. “We willen onderzoeken, op een academische en inventariserende manier, wat er precies aan de hand is met de prominente aanwezigheid van burn-out. Een kwart van de (bio)medische studenten en promovendi in de Life Sciences heeft ondertussen een hoog risico op burn-out. Toevallig ook omdat medische studenten een goed onderzochte doelgroep zijn, maar dit is zeker geen geïsoleerd fenomeen.”

Excellentie
Volgens Van Rijen is de stressepidemie een breed, maatschappelijk probleem die versterkt wordt door de academische wereld. “Maatschappelijk spelen er natuurlijk een heleboel dingen. Van het perfecte leven waarin we ondergedompeld worden op sociale media tot keuzestress, hoge verwachtingen en het feit dat het modaal inkomen gedaald is en studenten dus met zijn tweeën moeten werken om het nog zo goed te hebben als hun ouders. Maar creëert de universiteit niet ook allemaal overachievers? Dat begint al bij het systeem van selectie. Er zijn bachelorstudenten die zich aan het eind van het eerste jaar al zorgen maken of ze de selectieve master die ze willen doen wel in komen.”

En wat doet dat eigenlijk met de sociale cohesie binnen een groep, vraagt hij zich vervolgens af. “We verwachten dat studenten samenwerken, maar ze worden er ook constant op gewezen dat ze concurrenten van elkaar zijn. Natuurlijk krijg je dan hoog competitieve mensen voor wie het bijna alleen nog maar tegen kan vallen. Want niet iedereen kan winnen. We hameren te veel op excellentie, op prijzen behalen en publiceren.” Het liefst zou Van Rijen teruggaan naar een lotingssysteem, maar hij zegt zelf dat dat waarschijnlijk nooit zal gebeuren, omdat studenten dat zelf ook niet willen. Het onderwerp van stress en burn-out zal volgens hem voorlopig blijven spelen. “In ieder geval totdat de prikkels uit het onderwijs zijn gehaald die dit induceren.”
 

Michèle Gerbrands rondt in juni haar onderzoek af. Als UU-student kun je Gerbrands nog helpen met haar onderzoek door deze enquête in te vullen. (10 minuten)

Facebook Twitter Whatsapp Mail