Oude rot Paul Leseman en jonge hond Ryanne Francot, foto DUB

Hoe maatschappelijke bevlogenheid wetenschappelijk vuur laat branden

Body: 

Meertalige kinderen zijn een verrijking voor ons land, zeggen oude rot Paul Leseman en jonge hond Ryanne Francot. Zaak is wel dat de beheersing van de ene taal niet lijdt onder de beheersing van de andere taal. Hoe je dat in goede banen kan leiden, is één van de onderzoeksonderwerpen van het duo.

Read in English

Promovendus en jonge hond Ryanne Francot (26) leerde pas echt Nederlands op de basisschool. “Tot die tijd sprak ik met name het Limburgs dialect.” Bij hoogleraar Orthopedagogiek en oude rot Paul Leseman (60) is nu niets meer te horen van ‘de mengeling van Brabants en Nijmeegs die hij als kind sprak’. “Erg jammer dat ik het heb afgeleerd”, meent hij. Het spreken van meerdere talen of dialecten is volgens beide wetenschappers namelijk een groot goed dat nog onvoldoende wordt gewaardeerd in onze maatschappij.

Wereldwijd zijn er meer méértalige dan ééntalige kinderen. In Nederland stijgt het aantal kinderen dat thuis een andere taal spreekt dan Nederlands. “Maar”, vertelt Francot, “scholen en ouders weten vaak nog niet zo goed hoe ze hiermee om moeten gaan. Ze vragen zich bijvoorbeeld af of het nou wel zo goed is als een kind meerdere talen spreekt.” En dat is niet gek volgens Leseman: “In het publieke discours worden de Nederlandse taal en cultuur steeds meer voorop gesteld als de norm, terwijl diversiteit en meertaligheid geproblematiseerd worden.”

Meertaligheid is een groot goed
Tegen dat discours trekken de twee wetenschappers ten strijde. Volgens hen heeft meertaligheid juist veel voordelen en zou het dus gestimuleerd moeten worden. Leseman: “Uit onderzoek blijkt dat meertaligheid je hersenen traint, dat het leidt tot meer cognitieve flexibiliteit en mogelijk ook tot grotere creativiteit. En we hebben in onze globaliserende wereld mensen nodig die meerdere talen spreken. Het biedt economische kansen, ze kunnen bijvoorbeeld aan de slag bij een bedrijf dat handel drijft met China, de Arabische wereld of Turkije.”

Maar hoe voorkom je dat kinderen die meertalig opgroeien in één van de talen een achterstand oplopen? Francot: “Daarvoor is het belangrijk dat kinderen op jonge leeftijd op de juiste manier met beide talen in aanraking komen. Bij voorkeur wordt thuis de moedertaal gestimuleerd en op de voorschool Nederlands.” Leseman vult aan: “Als kinderen hun moedertaal goed beheersen, helpt dat ze bij het leren van een tweede taal.” Daarom ontwikkelen de wetenschappers programma’s waarmee kinderen gebruikmaken van hun eerste taal bij het leren van Nederlands.

De negatieve effecten van armoede, discriminatie en segregatie
Aan dit soort programma’s werken de twee pedagogen binnen Isotis. In dit Horizon2020-onderzoeksproject is Leseman onderzoeksleider. Francot promoveert er op verschillende deelprojecten, met als focus meertaligheid in gezinnen en educatieve partnerschappen tussen ouders en scholen.

Meertaligheid is slechts één van de onderwerpen waarmee de 70 wetenschappers van vijftien verschillende Europese universiteiten en instituten zich binnen Isotis bezighouden. Aan de hand van grote, vergelijkende onderzoeken proberen ze te ontdekken hoe bevolkingsgroepen die vanwege hun taal, culturele achtergrond of inkomen tegen hobbels in het onderwijs oplopen, toch optimaal kunnen meekomen.

De onderzoeken leveren nu al veel waardevolle informatie op, vertelt Leseman: “We leren bijvoorbeeld veel uit een grootschalig interviewproject waarvoor we 4000 ouders uit gemarginaliseerde groepen in tien Europese landen spraken. Die ouders hebben óók hoge ambities voor het schoolsucces van hun kinderen en willen graag in hun educatie investeren. Maar armoede, discriminatie en segregatie hebben er een sterk negatieve invloed op.”

De onderzoekers ontdekten hoe belangrijk de relatie is tussen ouders en de professionals in (voor)scholen, wijkvoorzieningen en jeugdzorg. Francot: “Als ouders die relatie als positief ervaren en zij het gevoel hebben dat de professionals er staan om hun kind te helpen, dan dempt dat de negatieve effecten van armoede, onveilige buurt en ervaren discriminatie.”

Maatschappelijk en wetenschappelijk bevlogen
Het Isotis-project sluit aan bij Lesemans fascinatie voor onderwijsongelijkheid. Al vanaf de jaren 80 doet hij onderzoek naar de problemen die kinderen uit gezinnen met een andere culturele achtergrond of een lage sociaaleconomische status in het onderwijs tegenkomen.

Dat onderwerp is in de tussentijd alleen maar relevanter geworden. Leseman: “In Isotis hebben we de data van grote cohortstudies in Nederland, Duitsland, Engeland, Noorwegen en Italië geanalyseerd. Daarin zien we dat de verschillen in schoolsucces tussen gezinnen uit verschillende lagen in de bevolking toenemen.” Leseman wil dat juist tegengaan via zijn onderzoeken en de daaruit voortkomende adviezen en programma’s voor overheden en professionals. “Ik kijk altijd naar the bigger picture. Hoe kunnen we een samenleving creëren die veilig, inclusief en kansrijk is voor álle kinderen?”

Die gecombineerde maatschappelijke en wetenschappelijke bevlogenheid bindt Leseman en Francot. Trots vertelt de oude rot over concrete maatregelen die overheden hebben genomen op basis van zijn eerdere onderzoeken. Bijvoorbeeld op het vlak van voorschoolse opvang en educatie. In tegenstelling tot wat lang werd gedacht, stelde Leseman in het pre-COOL-onderzoek vast dat voorschoolse opvang en onderwijs wel degelijk veel bijdragen aan het tegengaan van een taalachterstand bij jonge kinderen. Leseman: “Dit kabinet investeert 170 miljoen euro extra in vroege opvang van kinderen in achterstandssituaties. Dat komt dus heel direct voort uit ons onderzoek.”

Bevoorrechte positie
In zijn protegee Francot ziet de professor dezelfde drive om zowel wetenschappelijke als maatschappelijke impact te hebben. Waar komt die bevlogenheid vandaan? Leseman: “Ik zie mezelf als geprivilegieerd, ik kon goed leren op school en kom uit een prettige familie. Omdat ik weet dat dit lang niet voor iedereen geldt, wil ik graag iets terugdoen.” De maatschappelijke betrokkenheid van Francot werd versterkt na de wereldreis die ze maakte voordat ze ging promoveren. “In India heb ik op een school in een sloppenwijk gewerkt. Daardoor besefte ik maar weer eens hoe bevoorrecht ik ben. Na terugkomst in Nederland ben ik meteen als vrijwilliger taalles gaan geven aan nieuwkomers.”

Zulke maatschappelijk bevlogenheid: kunnen de pedagogen niet beter hun stempel in de politiek drukken? Lachend wuiven ze de suggestie weg. Leseman: “Politici en beleidsmakers zijn onmisbaar om veranderingen tot stand te brengen. Maar als onderzoekers houden we van wekenlang prutsen, denken, proberen iets te begrijpen en het vervolgens op te schrijven. De samenleving heeft mensen zoals ons nodig om dingen dieper te doordenken en bewijs te verzamelen. Dat is onze bijdrage.”

Het heilige vuur van de wetenschap
Francot wil graag verder in de wetenschap, aangezien het heilige academische vuur feller is gaan branden tijdens haar promotieonderzoek. Haar kansen op een vaste baan zijn in deze tijd van korte contracten en dalende investeringen in de wetenschap minder rooskleurigheid dan die van Leseman aan het begin van zijn academische carrière. Maakt dit haar bang? Francot: “Bang is een groot woord, maar ik besef wel dat het lastig wordt om in de wetenschap te blijven. Ik hoop echt dat er de komende jaren nog iets verandert.” De komende twee jaar focust zij zich vol enthousiasme op haar onderzoeken: “Ik ben ontzettend blij met deze functie. Als promovendus heb je een baan als onderzoeker, maar kun je je ook nog volop verder ontplooien en ontdekken wat je wilt.”

Tijd voor een sabbatical
Voor welke fout die hij zelf heeft gemaakt zou Leseman zijn ambitieuze pupil willen behoeden? Resoluut: “Word niet te snel bestuurder, coördinator, hoofd, directeur of voorzitter van vanalles en nog wat. Dat heb ik wel gedaan, waardoor ik bijvoorbeeld niet genoeg heb gehaald uit een paar prachtige NWO-subsidies. Het is goed om na je promotie nog zeker zes jaar toegewijd aan onderzoek te werken. Zo leg je een stevige wetenschappelijke basis.”

Om zichzelf te behoeden voor nog zo’n verkeerde keuze, last Leseman in maart een sabbatical in. Even een paar maanden nadenken over zijn vakgebied en zijn carrière. Concrete vragen? Die heeft hij nog niet. Leseman: “Ik houd van theoretische vraagstukken, over onze kijk op kennis en leren in relatie tot creativiteit en taalontwikkeling. Misschien beslis ik wel dat ik me ga toeleggen op kunstmatige intelligentie. Het kan nog alle kanten op.” Maar, voegt hij meteen toe: “De maatschappelijke realiteit van nu vind ik ongelooflijk interessant. Daardoor is de kans groot dat ik na mijn sabbatical gewoon weer op oude voet verderga.”

Leseman over Francot:

“Ryanne is erg gedegen, ze prutst door tot ze echt tevreden is. Daarnaast pakt ze veel verantwoordelijkheid. Als collega’s uitvallen door ziekte, dan neemt zij ongevraagd taken over.

“Dat is heel goed, maar tegelijkertijd haar valkuil. Als mentor zou ik zeggen dat ze vaker voor zichzelf moet kiezen en haar ambities meer moet uitspreken. Zo voorkomt ze dat ze wordt ondergesneeuwd.”

Francot over Leseman:

“Paul behandelt je als een gelijke. Hij neemt je als promovendus serieus en dat maakt het fijn om met hem samen te werken. Ik bewonder hem vanwege alles wat hij doet op ons vakgebied. Hij heeft een hele goede naam en ik ben trots dat ik met hem mag werken.

“Als ik een minpunt moet noemen: hij is zo druk. Paul heeft tal van projecten en naast mij nog elf promovendi en een aantal postdocs. Daardoor is het soms lastig om met hem af te spreken.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail