Nancy Jouwe, foto's: Ivar Pel

Onderzoeker Jouwe wil dat Universiteit Utrecht het slavernijverleden een plek geeft

Body: 

In panden die nu van de Universiteit Utrecht zijn, woonden vroeger mensen die geld verdienden aan de slavernij. En zo zijn er meer slavernijsporen in de universitaire wereld, die volgens cultuurhistoricus en auteur Nancy Jouwe schreeuwen om zichtbaarheid en kennisverspreiding.

Read in English

'Wat jullie over ons pand hebben ontdekt, dat is nogal wat. Kun jij met ons meedenken hoe we hier aandacht aan kunnen besteden?’ Het deed Nancy Jouwe goed dat medewerkers van het departement van Filosofie & Religiewetenschap Van Janskerkhof 13 contact met haar opnamen. Uit een recent onderzoek naar het slavernijverleden van de stad Utrecht dat geleid werd door Jouwe, bleek dit universiteitsgebouw in de 18de eeuw bewoond te zijn geweest door handelaars in tot slaafgemaakten.

Het gaat om de mannen Gideon Boudaen en Jan van Voorst. Boudaen had een toppositie in de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) die tot slaafgemaakten vervoerde, kocht en verkocht. “En Van Voorst, werkzaam voor de West-Indische Compagnie (WIC), is zelfs directeur-generaal geweest in het beruchte slavenfort Elmina in Ghana, waar miljoenen tot slaafgemaakten naartoe zijn gebracht, om vervolgens naar de Amerika’s vervoerd te worden”, vertelt Jouwe. “Hijzelf verkocht iets van twee- of driehonderd tot slaafgemaakten. Die werden verscheept naar Suriname, en van die opbrengst kon hij natuurlijk goed leven. Een jaar later woonde hij dus op Janskerkhof 13. Het pand heeft illustere bewoners gehad.”

Ook in de huidige universiteitsbibliotheek woonde een VOC- kopstuk: Joan Gideon Loten, inclusief zijn Aziatische bediende Siti. En zo zijn er vanuit de Universiteit Utrecht meer sporen die leiden naar het slavernijverleden. Schrijfster Belle van Zuylen (1740 – 1805), naar wie in de UU een zaal is vernoemd, dankte een aanzienlijk deel van haar vermogen aan koloniale handel inclusief slavenarbeid.

Blootgelegde sporen
In opdracht van de gemeente deed Jouwe onderzoek naar slaverij in de stad Utrecht wat resulteerde in een boek. Het bleek Utrecht meer met slavernij van doen had, dan aan de oppervlakte leek. Zo stimuleerde het stadsbestuur de oprichting van de Utrechtse Compagnie, die in een koffieplantage in Suriname investeerde en een suikerraffinaderij op het Lucasbolwerk opzette. In geschiedenisboeken over Utrecht is over zulke sporen nauwelijks iets te lezen, viel Jouwe op toen ze elf jaar geleden het onderwerp aansneed als artistiek directeur van culturele instelling Kosmopolis Utrecht. “Utrecht ziet zichzelf niet als een stad die een link heeft met kolonialisme en slavernij. Het is geen onderdeel van het zelfbeeld van de stad. Utrecht was ingesloten door land en had geen VOC- of WIC-kamer. Dus deed ze niets. Dat is de gevolgtrekking van veel mensen.”

Door de sporen nu bloot te leggen, hoopt Jouwe instituties en culturele instellingen aan te zetten tot voorlichting. “In 2011 hebben we een stadswandeling met sporen van slavernij geïnitieerd en daar voegen we nu een wandeling specifiek langs universiteitsgebouwen aan toe. Het zou goed zijn als instellingen zoals het Universiteitsmuseum en Het Utrechts Archief een tentoonstelling over dit thema zouden maken. Het blijft toch nog een beetje stil in de stad.

“Ik zou het ook tof vinden als Utrechtse onderwijsinstellingen dit onderwerp ruimte geven en dat kan op heel creatieve manieren. Het is natuurlijk een onderwerp dat afschrikt. Het gaat over enge, foute dingen, die niet leuk en gezellig zijn. Terwijl het aandacht geven gewoon een volwassen manier is om je rekenschap te geven van dit deel van de geschiedenis.

“Dat betekent niet dat je dan schuldig bent of je moet schamen. Ik vind het zelf juist interessant om op zo’n manier naar de stad te kijken, want het past bij de vele historische lagen van Utrecht. We hebben het hier wel over een geschiedenis die 2,5 eeuw behelst. Als die dan ongezien blijft, wordt dat op een gegeven moment vreemd. Utrecht heeft de op één na grootste universiteit van Nederland met een hele actieve geschiedenis-community met verschillende afdelingen. Waarom is er dan niet op verschillende opleidingen een vak dat alleen over slavernij gaat?”

Vind jij dat de gemeente Utrecht, om de stilte te doorbreken, haar excuses moet aanbieden voor het slavernijverleden?
“Naar aanleiding van een boek over het slavernijverleden van Amsterdam, waar ik ook bij betrokken was, bood burgemeester Femke Halsema daadwerkelijk excuses aan. Het kan een samenleving helpen om het onderwerp in eigendom te nemen. Het is niet zo dat er dan iets stopt, het helpt een stad zichzelf anders te leren kennen. Dus ja, ik denk dat excuses een meerwaarde hebben.”

Utrecht denkt er nog over na. Maar waarom moet daar een lange tijd over worden beraadslaagd? Waarom zou een stad het eigenlijk niet doen, excuses aanbieden?
“Waarschijnlijk speelt angst voor mogelijke consequenties, zoals juridische en financiële, een rol. Je zag het bij de excuses voor de joden-vervolging ook: wat gaat ons dat kosten? Komen er claims? Typisch Nederlands. Nou zal dat bij het slavernijverleden wel meevallen; het gaat veel meer over het investeren in een gemeenschap. Dat kan op een symbolische manier, zoals erkenning, aandacht en ergens voor staan.

“Wat ook kan meespelen in terughoudendheid met excuses, is de emotionele weerstand in bepaalde groepen van de samenleving. Dan zeggen mensen: ‘Wat heb ik met die slavernij te maken? Mijn voorouders waren keuterboertjes in Enschede, zij waren horigen, die hadden het ook slecht!’ Het wordt altijd als een winst-verlies rekening gezien: als je het ene doet, kan het andere niet meer. Terwijl het slavernijverleden zulke lange lijnen en diepe sporen heeft, met ook impact op de hedendaagse maatschappij. Dus waarom zouden we dat niet gewoon erkennen?”

Sinds een jaar of tien is er veel aandacht voor het slavernijverleden. Waarom juist nu?
“De Afro-Caribische gemeenschap, die het slavernijverleden en de afschaffing daarvan al decennialang herdenkt en viert, heeft het onderwerp heel veel gepusht, door bijvoorbeeld demonstraties en kunst. Daarnaast waren er meerdere momenten die het thema op de agenda zetten, zoals de canonisering in 2007 en het moment dat de slavernij in de Nederlandse Caraïben 150 jaar geleden was afgeschaft. Er waren meerdere ijkmomenten die bijdroegen aan aandacht en erkenning. Zo werd in 2002 het Nationale monument slavernijverleden onthuld en werd in 2003 het Nationale instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis opgericht.

“Ook in onderzoek verandert er iets. Er komt een nieuwe generatie onderzoekers die het thema stevig aanpakt en daarmee ook voortbouwt op of loslaat wat een oudere generatie erover heeft geschreven. In veel publicaties krijg je het beeld van een thema waarbij wij als Nederland niet zo’n grote speler waren en het dus niet zo belangrijk was. Door nieuwe vragen te stellen aan dezelfde bronnen, krijgen we een beter beeld en wordt het een Nederlands thema, niet iets dat ver van ons afstaat.”

Wat voor vragen?
“Bijvoorbeeld: hoe zag het leven op de plantages eruit? En wat voor vormen van verzet waren er en hoe zagen die eruit? Marjoleine Kars heeft meer dan tien jaar onderzoek gedaan naar één specifieke en langdurige opstand in de Nederlandse kolonie Berbice, ten westen van Suriname. Dat is zo’n vraagstuk dat heel lang is blijven liggen. Of: hoe zit het met de slavernij in de Indische Oceaan. Veel onderzoek concentreerde zich toch op de trans-Atlantische slavernij.”

Dat Nancy Jouwe zo geïntrigeerd is door de koloniale geschiedenis, is niet geheel toevallig. Het zit in haar dna. Haar vader was Papoealeider Nicolaas Jouwe, die een Papoeavlag ontwierp, de Morgenstervlag. De Nederlanders, die van 1949 tot 1962 de scepter zwaaiden over het westelijk deel van Nieuw-Guinea, beloofden de Papoea’s onafhankelijkheid, maar het liep anders. Na een half jaar durend gezag van de Verenigde Naties, kwam westelijk Nieuw-Guinea in handen van Indonesië en was onafhankelijkheid verder weg dan ooit, waarna Jouwe, die gewaarschuwd was dat hij vermoord zou worden door de Indonesiërs, in 1962 met zijn gezin als balling aankwam in Nederland. “Mijn vader heeft zich altijd ingezet voor de vrijheidsstrijd en recht op zelfbeschikking. Dat heeft impact op mij gehad. Als jongste kind heb ik misschien wat minder de traumatische aspecten van zo’n verleden meegekregen en wat meer de inspirerende aspecten.”

Hoe werd je tijdens je opleidingen Genderstudies en Algemene Letteren geconfronteerd met je eigen achtergrond?
“Een onderzoeksstage was voor mij een openbaring. Samen met Marlise Mensink heb ik vijftien eerste-generatie-Papoeavrouwen geïnterviewd. Ik kon vragen stellen die ik anders als impertinent zou ervaren. Uit respect zou ik deze oudere generatie vrouwen nooit hebben gevraagd hoe ze vroeger behandeld werden of over hun weduwschap. Ik leerde bij genderstudies dat onze geschiedenis ertoe doet en dat ik er als onderzoeker ook iets mee kan. De universiteit heeft me daar heel erg mee geholpen. Tegelijkertijd voelde ik me heel erg eenzaam als één van de weinige leerlingen van kleur.”

Heb je voorbeelden van situaties die die eenzaamheid aanwakkerden?
“Je medestudenten en docenten zijn allemaal wit. Dus de verhalen die jij kent vanuit je familie of vanuit je geschiedenis hoor je niet terug. Op geen enkele manier word je gerepresenteerd. En er was zeker sprake van racisme. Bij kunstgeschiedenis zagen we een beeld van een instortend gebouw in The Bronx, een typisch zwarte wijk. Een paar medestudenten begonnen lacherig te doen en ‘te grappen’ dat het niet zo erg was, een paar zwarte mensen minder. Ik dacht what the fuck en keek naar de docent, maar die liet het allemaal gaan. Er zijn natuurlijk meer voorbeelden. Het is lastig hiermee om te gaan in een periode waarin je als jongvolwassene je identiteit aan het vormen bent. Je zoekt naar gelijkgestemden en mensen met dezelfde interesses en daar moest ik extra hard naar op zoek. Maar de universiteit was voor mij ook een stimulerende omgeving om kritisch na te denken en vragen te stellen.”

Is het tegenwoordig wat beter gesteld met de inclusie?
“Er zijn nu wel wat meer docenten en studenten van kleur en ik denk dat het interactievere onderwijs ertoe bijdraagt dat thema’s als racisme en een multiculturele samenleving meer en gemakkelijker aan bod komen. Er is meer dynamiek, meer discussie en daarmee zijn er ook meer botsingen. Maar die zijn niet per definitie verkeerd.”

Ook niet als deze ontaarden in polarisatie?
“Polarisatie hoeft niet altijd slecht te zijn. Mensen moeten schuren met elkaar om tot een beter begrip te komen, iets waar filosoof Chantal Mouffe op wijst. Wel is het belangrijk dat je bereid bent naar elkaar te luisteren en daardoor beter te worden als samenleving. Onze natie is niet gewend om over thema’s als racisme en slavernijverleden te praten en heeft ook niet de taal hiervoor. Daarom grijpen we nog vaak naar Amerikaanse begrippen. Veel mensen voelen zich persoonlijk aangevallen of zeggen dat zij zelf geen racisme om zich heen zien. Maar dat zij het niet zien, betekent niet dat het er niet is.”

Er moet toch wel een keer begrip ontstaan?
“Ik zie dat er al heel veel veranderd is vergeleken met tien jaar geleden. Kijk maar hoe we toen naar Zwarte Piet keken of naar hoe onderbelicht het slavernijverleden nog was. Er hebben veel verschuivingen plaatsgevonden. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat dit zo blijft. De Universiteit Utrecht heeft met kennisproductie en kennisverspreiding over bijvoorbeeld het Utrechtse slavernijverleden, hierin een belangrijke rol.” 

Foto's: Ivar Pel
 

Facebook Twitter Whatsapp Mail