Michiel Stroink: 'Op universiteiten leren we schrijven verkeerd aan'. Fotograaf: Bob Bronshoff

Romanauteur Michiel Stroink: ‘Schrijf je scriptie eens anders’

Body: 

Het romandebuut van alumnus Michiel Stroink werd direct verfilmd. Voor DUB jureert hij bij de verkiezing tot Campuscolumnist. ‘Zet pas een letter op papier als je de laatste zin weet.’

Tot diep in de nacht deponeert de literaire nestor zijn woorden met hartstocht in de computer en wanneer de taalstroom onverhoopt stokt, trekt hij een metalen heupflesje whisky uit de la van het donkerhouten bureau en laat tussen de rookwolken van een vette Havana zijn gedachten nog eens gaan over de laatste scene.

Wie dit beeld van het schrijversbestaan wil behouden, spreekt beter niet af met Michiel Stroink (37). Zijn kinderen van twee en vier zijn naar de opvang en z’n wederhelft is aan het werk, dus tussen negen en vijf moet het gebeuren. In de achtertuin van een riante gezinswoning in Muiderberg, die voornamelijk uit gras en felkleurig plastic kinderspeelgoed bestaat, staat zijn schrijverscave. Een modern tuinhuis met laptop, heel veel boeken en een pooltafel, voor als hij extra inspiratie nodig heeft. Voor zijn verfilmde debuut ‘Of ik gek ben’ verbleef hij een maand in Spanje, maar dat zit er in dit gezinsleven niet meer in. Als hij een dag goed heeft geschreven, mag hij van zichzelf een biertje en een peuk en evalueert hij zijn schrijfsels. Dat dan weer wel. “Nee, zo romantisch is het niet. Het is een ambacht. Gewoon rammen volgens een strak literair schema, waarin ik de structuur van mijn boek heel precies heb uitgewerkt.”

Ben jij zo’n jongen die vroeger tienen haalde met opstellen?
“Nee. Ik gaf laatst een lezing op mijn middelbare school. Kwam mijn oude leraar Nederlands langs met mijn rapport van toen. Een 4 voor literatuur. Wel was ik gek op verhalen, lezen en schrijven. Ik schreef altijd kleine boekjes en korte verhalen. Mijn ouders zeiden op een gegeven moment: ga nu maar vooral studeren wat je leuk vindt. Toen heb ik voor een letterenstudie gekozen.”

Wat schreef je in je studententijd?
“Artikelen voor het blaadje van de studentenvereniging, een studentenalmanak en wat korte verhalen voor mezelf. De rest van de tijd heb ik vooral besteed aan mijn sociale leven en mijn studie. Dat moet ik natuurlijk andersom zeggen.”

Wist je toen al: ik word schrijver?
“Nee, maar ik vond het mythische van het schrijverschap wel interessant. Naar vrienden en familie riep ik wel eens dat ik een boek zou gaan schrijven. Toch ging ik na mijn studie eerst aan het werk als communicatieadviseur. Na een paar jaar stak de koorts weer op. Mijn vriendin zei toen: je kunt het wel blijven roepen, maar je moet het gewoon doen. Dat was best wel eng. Ik sprak mezelf toe: ‘Je hebt een verhaal, je kunt aardig schrijven. Je moet het nú doen.’”

Had de opleiding Literatuurwetenschap je daar goed op voorbereid?
“Als je schrijver wil worden, is dit één van de beste vooropleidingen die je kunt doen. Ik stak heel veel op van literaire analyse. We keken heel nadrukkelijk naar wat voor elementen een schrijver allemaal in zijn boek stopt. Door verhalen van andere auteurs af te breken, kon ik mijn boeken beter opbouwen.”

De inspiratie voor je eerste boek haalde je uit een bijbaantje tijdens je studie. Je gaf bijles aan TBS-ers in de Van der Hoeven-kliniek. Is je studententijd ook voor andere boeken een inspiratiebron?
“Nee, helemaal niet. Het is een belangrijke tijd van je leven, omdat je heel veel indrukken opdoet en voor het eerst een klein beetje gevormd wordt. Maar ik kan wel twintig grote live events benoemen, waardoor je telkens anders naar de wereld kijkt. Toen ik in de TBS-kliniek werkte, dacht ik dat mensen in wezen egoïstisch waren en de sociale paradox van hun omgeving nodig hadden. Nu ik kinderen heb, waar ik helemaal aan verknocht ben, denk ik dat zij stukken waardevoller voor mij zijn dan ikzelf. Die andere blik zie je waarschijnlijk wel terug in de dingen die ik maak.”

Naast het schrijven van romans geef je schrijftrainingen in het bedrijfsleven. Kan de universiteit ook nog iets leren?
“Op universiteiten leren we schrijven verkeerd aan. De nadruk ligt op de wetenschappelijke context, over hoe je informatie hebt vergaard. Terwijl het in een zakelijke context gaat over wat de lezer wil weten. In de wetenschap worden veel stukken in een trechter geschreven. Kijk maar naar scripties. Met vraagstelling en hypothese en aan het eind een conclusie, die vaak een disclaimer is met de boodschap dat er nog meer onderzoek moet worden gedaan. Maar wat is het doel van je scriptie? Je wilt je scriptiebegeleider laten zien dat je het academisch denkproces een beetje beheerst. Daar past veel beter de vorm van een checklist bij: dit heb ik uitgezocht, daar ben ik tegenaan gelopen, zo heb ik het opgelost.”

Door je jurylidmaatschap voor DUB, kom je weer bij de UU terecht. Je gaat een columnist selecteren. Zelf schreef je ook columns, voor landelijke media. Wat is een goede column?
“Hij moet zo concreet mogelijk zijn. Je moet je lezer betrekken en details en voorbeelden geven. Ook moet je een duidelijke boodschap hebben. Slechte columns vervallen in abstractie. Bij een sterke column proef en ruik ik hetgeen de columnist voorschotelt, omdat het zo beeldend opgeschreven is. Op de School voor Journalistiek, waar ik kort op heb gezeten, zeiden ze: nieuws is het aantal doden gedeeld door het aantal kilometers vanaf je voordeur. Tien doden in Iran is heel erg, maar dat vanochtend de boter op was, vond ik nog veel erger. Dat klinkt bijna onmenselijk, maar zo zit het wel in elkaar. Je moet zorgen dat je op zo’n manier over onderwerpen schrijft dat die lezer het echt voor zich ziet. Dat het verhaal zich in zijn eigen achtertuin afspeelt.”

Op wat voor inzendingen hoop je?
“Op columns met veel sfeer en concrete onderwerpen. Van de academie heb ik nog steeds het beeld dat de mensen met het abstractie aan het schuiven zijn. Daarom zou ik het wel lekker vinden om juist vanuit de wetenschap concrete bevlogen columns te lezen. Ik verlang wel weer een beetje naar iets wat lijkt op ‘Onder professoren’ van W.F. Hermans. Hoe zit het met die stroperigheid binnen de uni? Graag krijg ik een alledaags inkijkje in de academische wereld. Dat hoeft niet per se over je laatste ontdekking of zoveelste subsidievoorstel te gaan. Laat maar gewoon zien hoe je er mee omgaat. Hoe je net wél of net niet succes hebt behaald.”

Er zijn nogal wat mensen die net als jij boeken willen schrijven. Wat wil je die meegeven?
“Zet pas een letter op papier als je de laatste zin weet. Dan weet je namelijk pas of je een verhaal hebt. Anders vlieg je alle kanten op en heeft het echt geen zin om te gaan schrijven.”

Dat geldt ook voor columns?
“Ja. Maar als ik een column schrijf, begin ik eerst met een rondje wandelen. Toen ik Amsterdam woonde, liep ik altijd over de Albert Cuyp. Mezelf even flink opwinden. Al die mensen die voor me liepen voedden de woede of het cynisme dat ik nog nodig had. Op een gegeven moment had ik ‘m, dan zag ik de structuren voor me. Even afstand nemen helpt. Daarna kun je ‘dat ding’ er als het ware in een half uur uitbraken. Heerlijk. Woedend op dat toetsenbord inhakken zonder back space aan te raken.”

Meedoen aan de wedstrijd om campuscolumnist te worden
Alle studenten en medewerkers die op 1 januari 2019 aan de Universiteit Utrecht verbonden zijn, kunnen meedoen. Ook voor studenten die in de loop van 2019 afstuderen, staat deelname vrij.
Om mee te dingen naar de titel Campuscolumnist van de UU moet je twee columns insturen. De columns moeten het universitaire leven verrassend onder de loep nemen en mogen niet langer zijn dan 500 woorden. Stuur de columns vóór 1 december naar: m.j.agterberg@uu.nl. De winnaar krijgt een podium op DUB en ontvangt een stipendium van 1000 euro. 

Het meest recente boek van Michiel Stroinks is: De Notaris en het meisje. Uitgeverij Prometheus. 

 

Facebook Twitter Whatsapp Mail