Foto: DUB

Veel zorgen bij jonge onderzoekers over vertraging door coronasluiting

Body: 

Labs die dicht zijn, proefpersonen die niet beschikbaar zijn en problemen met het thuiswerken. Vooral voor jonge Utrechtse onderzoekers kan dat allemaal ernstige gevolgen hebben. De universiteit laveert tussen een lobby voor extra geld bij ministeries en pragmatische oplossingen voor elke individuele promovendus en postdoc.

Read in English

Of het nu een misverstand is geweest of dat er iets anders aan de hand was, weet hij niet. Maar hoogleraar Computationele Structuurbiologie Alexandre Bonvin was aan het begin van deze week ‘not amused’. Vanuit andere universiteiten kwamen geluiden dat daar in veel labs – weliswaar onder strikte veiligheidsvoorwaarden - nog werd doorgewerkt, in Utrecht zijn vrijwel alle labs dicht.

Als bio-informaticus is Bonvin zelf niet vaak in een lab te vinden en als reizende ambassadeur van zijn innovatieve Haddock-software voor het modelleren van eiwitinteracties (“die we nu ook gaan gebruiken voor corona-onderzoek”) is hij er gewend om zijn laptop als zijn kantoor te beschouwen. Maar als wetenschappelijk directeur van het Utrechtse Bijvoet Centrum voor biomoleculair onderzoek verdedigt Bonvin ook de belangen van alle experimentele biologen en scheikundigen die hun labs zo hard nodig hebben.

Alexandre Bonvin. Fotocopyright: Universiteit Utrecht.

Volgens Bonvin was er in Utrecht steeds verteld dat de sluiting van de labs een landelijke afspraak in VSNU-verband betrof. Maar daar leek toch geen sprake van te zijn. “Dan begrijp ik dat er bij onderzoekers hier in Utrecht wat gevoelens van irritatie beginnen op te spelen.”

Navraag van DUB leerde dat er volgens rector Kummeling wel degelijk strikte landelijke afspraken zijn om labs alleen open te stellen voor coronaonderzoek en een beperkt aantal andere uitzonderingen. Dit juist om te voorkomen dat universiteiten de richtlijnen zelf gaan interpreteren en dat er “rare” concurrentie optreedt. Maar een tweetal universiteiten zou de voorschriften toch wat ruimer interpreteren dan anderen, vandaar de onrust elders.

‘Postdocs willen een volgende stap in hun loopbaan zetten’

Hoe dan ook, de discussie over de toegang tot de labs geeft volgens zowel Bonvin als Kummeling aan hoe groot de zorgen bij Utrechtse onderzoekers zijn over de lange periode waarin er geen onderzoek kan worden gedaan en hoe graag die onderzoekers hun labs weer open willen hebben. Volgens Bonvin willen vooral jonge onderzoekers in tijdelijke dienst weer aan de slag. Zij zien de vertraging in hun onderzoek oplopen. 

“Er zijn grote zorgen bij promovendi, of die nu aan het begin van hun onderzoek staan of aan het einde. En voor postdocs kan vertraging ernstige gevolgen voor hun toekomst hebben. Die willen graag mooie resultaten kunnen tonen om met een aansprekende publicatie een volgende stap in hun loopbaan zetten. Dat dreigt nu in de soep te lopen.”

Naar de mening van Bonvin lijken onderzoeksfinanciers als NWO of de Europese ERC nog wel genegen om coulant te zijn als afspraken en deadlines niet kunnen worden nagekomen. “Maar daarmee zijn natuurlijk niet alle problemen opgelost.”

De wetenschappelijk directeur doelt daarbij met name op juridische restricties voor de aanstellingsduur en voor het aantal verlengingen van aanstellingen. Voor aio's is er vaak nog wel een mouw aan te passen, voor postdocs kan dat veel lastiger zijn. Niet-Europese onderzoekers zouden in het uiterste geval zelfs hun verblijfsvergunning kunnen verliezen. Daarbij is het de vraag wie langere aanstellingen van promovendi en postdocs moet gaan betalen.

Bonvin: “Er is behoefte aan zekerheid, bij iedereen.” Hij oppert voorzichtig dat de universiteiten wellicht met een overbruggingsregeling kunnen komen. ”We hopen op steun vanuit Den Haag. Andere sectoren worden ook geholpen.”

‘Veel promovendi en postdocs hebben jonge gezinnen’

Dat veel promovendi bezorgd zijn over de voortgang van hun onderzoek blijkt ook uit een enquête van de PhD-council van de Graduate School of Life Sciences. Hoewel de meeste promovendi gewoon hard doorwerken en dus zeker niet op hun handen zitten, zegt de helft van de 170 respondenten bang te zijn voor vertraging, zo laat voorzitter Laura Dijkhuizen weten. “Dat aspect werd veel vaker genoemd dan zorgen over gebrek aan geld of voor gebrek aan begeleiding.”

Daarnaast is er volgens Dijkhuizen een grote vraag naar meer informatie over de mogelijkheden tot verlenging van aanstellingen. Twintig procent van de ondervraagden dringt daarbij aan op een lobby voor financiering van verlengingen bij projecten die vertraging oplopen.

Ook de Utrecht Young Academy, een platform voor jonge Utrechtse onderzoekers, vroeg door middel van een enquête naar de zorgen die er leven bij de doelgroep. Hoewel er nog tot het einde van deze maand kan worden gereageerd, zijn er nu al honderden reacties binnen. “Veelzeggend”, denkt voorzitter Martine Veldhuizen.

Volgens literatuurhistoricus Veldhuizen komt er een zeer diverse problematiek naar voren. Promovendi maken zich zorgen over de afronding van hun proefschrift en onderzoekers met een tenure track-positie vrezen dat ze door de coronacrisis niet kunnen voldoen aan de voorwaarden om straks een vaste aanstelling te krijgen.

Martine Veldhuizen. Fotocopyright: Universiteit Utrecht.

De vertragingen en de frustraties daarover worden niet alleen veroorzaakt door het feit dat onderzoekers hun lab of archief niet in kunnen, ze geen data kunnen verwerven en tijdschriften door een gebrek aan peerreviewers publicaties uitstellen. Onderzoekers met een grote onderwijsaanstelling ondervinden bijvoorbeeld een nog grotere werkdruk dan ze toch al hadden doordat er opeens online moet worden gedoceerd. Veldhuizen: “En thuis merk je pas echt hoeveel uren je maakt, zei iemand tegen me.”

De enquête laat bovendien zien dat de privé-situatie van veel jonge onderzoekers ook meespeelt tijdens deze coronacrisis. “Vaak zijn er extra zorgtaken omdat veel promovendi en postdocs jonge gezinnen hebben. Maar we zien ook reacties van eenzame of slecht gehuisveste promovendi.”

Voorlopig geen extra financiering

Universiteiten hebben in samenspraak met onderzoeksfinanciers en belangenvertegenwoordigers van promovendi en postdocs het kabinet gevraagd om vrijstelling van regels. Zo zouden aanstellingen van vier jaar kunnen worden verlengd en moeten er meer dan twee verlengingen mogelijk zijn. Ook zou de IND soepel moeten omgaan met de voorwaarden voor de verblijfsvergunningen aan buitenlandse onderzoekers.

Het is voorlopig afwachten of er extra geld komt voor deze verlengde aanstellingen en voor andere onderzoekers die vertraging oplopen en die vrezen op langere termijn in de knoop te komen met de duur van hun aanstelling. De Algemene Onderwijsbond (AOb) drong bij het kabinet al aan op een noodfonds voor onderzoekers.

Minister Van Engelshoven liet afgelopen woensdag na vragen van Kamerleden weten geen voorstander te zijn van het toelaten van extra tijdelijke aanstellingen of van een noodfonds. Ze hoopt dat universiteiten medewerkers in vaste dienst gaan nemen. Toch snapt ze ook dat er een probleem is met onderzoekers die flexcontracten hebben. Ze gaat praten met NWO, de instellingen en de onderzoekers, zodat iedereen zijn best doet “om ervoor te zorgen dat niemand tussen wal en schip valt”.

Uit een verklaring die de universiteiten en onderzoeksfinanciers in samenspraak met vertegenwoordigers van de promovendi en onderzoekers half april naar buiten brachten, bleek nog dat er van hun kant geen extra financiering of generieke regels te verwachten zijn. Wel kwamen er mogelijkheden om online te promoveren, een optie waar inmiddels gretig gebruik van wordt gemaakt.

De nadruk ligt verder op “maatwerk”. Onderzoeksbegeleiders moeten zelf met hun promovendi en postdocs om de tafel om naar mogelijke oplossingen te zoek. Daarbij werd ook verwezen naar de al langer lopende discussie over erkennen en waarderen van wetenschappers. Dit zou een goed moment zijn om echt werk te maken van een nieuwe wijze van beoordelen waarbij de niet langer de kwantiteit, bijvoorbeeld in aantallen artikelen, leidend moet zijn.

Samen met begeleiders moeten promovendi er het beste van maken

Voorzitter van het PNN Lucille Mattijssen zei deze maand tegen het Hoger Onderwijs Persbureau dat ook zij vooral soelaas verwachtte van een persoonlijke en individuele aanpak. Zij riep daarbij universiteiten en supervisors op om flexibel te zijn met de eisen die aan een promotie gesteld worden.

Uit de enquête onder de Utrechtse promovendi in de Life Sciences blijkt overigens dat die in overgrote meerderheid tevreden zijn over de wijze waarop hun begeleiders hen helpen “om het beste te maken van de situatie”. Al brengt voorzitter van de PhD-council van de graduate school Laura Dijkhuizen ook een nuance aan. “Uit mijn eigen omgeving krijg ik de indruk dat vooral introverte promovendi of PhD’s uit andere culturen wat terughoudender zijn om zelf hun supervisor te benaderen en daardoor wat meer geïsoleerd blijven.”

Martine Veldhuizen van de Utrecht Young Academy hamert ook op het belang van maatwerk. “Academici weten zelf het allerbeste wat ze nodig hebben. Leidinggevenden moeten luisteren naar wat hun wensen zijn. Het geeft jonge onderzoekers al lucht als ze weten dat ze gehoord worden. En misschien is niet alles mogelijk, maar dat is wel het begin van goede communicatie.”

Maar daarnaast doet ze ook een beroep op de universiteit om te ijveren voor “een groot financieel gebaar” van overheden en grote onderzoeksfinanciers om verlengingen van aanstellingen mogelijk te maken. “Dat is het gekke, universiteiten moeten in deze situatie tegelijkertijd oog hebben voor het microniveau van de individuele onderzoeker als voor het nationale en zelfs internationale niveau.”

 'Voor wie in de laatste fase zit, kunnen de druiven zuur zijn'

Ook wetenschappelijk directeur Alexandre Bonvin denkt dat het mogelijk moet zijn om de vertraging  voor een groot deel van de promovendi binnen de perken te houden. “Een promotie is geen van te voren vastgelegd pad. In die vier jaar kun je aan wat knoppen draaien.” Maar vooral voor promovendi in de laatste fase van hun onderzoek en voor postdocs die op resultaten en een wetenschappelijke publicatie aasden, zijn de druiven wel erg zuur, denkt hij.

Om die reden heeft het Scheikundebestuur de leiders van onderzoeksgroepen gevraagd om de aflopende aanstellingen van Scheikunde-promovendi met drie maanden te verlengen, en dit zoveel mogelijk uit projectsubsidies te financieren. Bij gevallen waarin dat niet mogelijk is, wordt elke aanvraag apart beoordeeld.

Om hoeveel verlengingen het gaat weet Bonvin nog niet. “Maar het is duidelijk dat we dit aanbod niet aan alle promovendi kunnen doen. We hebben 600 PhD’s binnen de faculteit Bètawetenschappen. Dat maal ongeveer 20.000 euro, reken maar uit.”

In een vergadering van de universiteitsraad vroeg personeelslid Gert Folkers vorige week aan het universiteitsbestuur om meer duidelijkheid voor jonge onderzoekers. In zijn directe werkomgeving komen vier promovendi in de problemen met hun onderzoek door de coronamaatregelen, terwijl ze al eerder een verlenging van de aanstelling hebben gekregen met tijdelijk geld. Wat kan de universiteit nu doen in dat soort gevallen?

Rector Henk Kummeling toonde begrip en beloofde met een handreiking te komen voor onderzoeksleiders. Deze week liet Kummeling aan DUB weten dat alle facultaire hr-afdelingen ervan op de hoogte zijn gesteld dat onder specifieke voorwaarden een extra tijdelijke aanstelling tot de mogelijkheden behoort. Maar die zullen de groepen dus – in ieder geval voorlopig - zelf moeten betalen.

Promovendi en postdocs krijgen straks mogelijk voorrang

De vraag is nu op welke termijn de onderzoekers weer aan het werk kunnen. Een werkgroep bedrijfsvoering onder leiding van de directeur van het Facilitair Service Centrum Eddie Verzendaal onderzoekt op dit moment de voorwaarden waaronder kantoren en labs weer veilig in gebruik kunnen worden genomen. Daarbij wordt nog steeds uitgegaan van de datum van 1 juni.

Verder rijst de vraag welke onderzoekers straks als eerste aan de slag mogen. Want in een anderhalvemeteruniversiteit kan het niet meteen business as usual zijn. Er moeten afspraken komen, over wie voorrang krijgt, en mogelijk ook over werkroosters mogelijk. Daarover moet een universitaire werkgroep ‘Opstarten Onderzoek’, onder leiding van vicedecaan Geesteswetenschappen Ted Sanders, het universiteitsbestuur gaan adviseren.

Lees verder onder de foto

Sanders ziet de onrust bij PhD’s en postdocs, en vindt het zijn taak om die in zijn adviezen door te laten klinken. Ook hij denkt dat in de meeste gevallen met flexibiliteit en realisme oplossingen kunnen worden gevonden. En dat hoeft niet ten koste te gaan van het niveau. “We gaan geen coronabullen uitdelen.”

Maar het is volgens hem goed denkbaar dat er in het voorstel voor de ‘prioritering’ van de onderzoeksactiviteiten de “kwetsbare groepen” vooraan in de rij mogen staan. Promovendi en postdocs die de laatste hand moeten leggen aan hun onderzoek zouden daarbij gebaat zijn. “We gaan kijken of we die eerder kunnen helpen.”

Alexandre Bonvin is benieuwd met welke beperkingen zijn experimentele onderzoekers straks te maken krijgen in de labs en hoe die in de praktijk gaan uitpakken. “De afgelopen jaren is er grote financiële druk uitgeoefend om de labs kleiner te maken. Ze werden de afgelopen jaren al erg intensief gebruikt. Tegelijkertijd weten wetenschappers in een lab als geen ander hoe ze veilig moeten werken.”

Maar één ding is duidelijk: wat Bonvin betreft gaan de Utrechtse biologen en scheikundigen weer het lab in als dat veilig manier kan. Liefst nog wat eerder dan 1 juni.

 

Facebook Twitter Whatsapp Mail