Vijf keer de hypocriete mens

Body: 

Lunchen met een roze poedel, op de rug liggende proefdiertjes, vegetarische hamburgers. Als het gaat om onze relatie tot het dier, hebben we snel een mening klaar. Zo blijkt uit de columnwedstrijd die werd uitgeroepen in het kader van de Nacht van Descartes met als thema ‘Een dier om op te vreten’. Rode draad is dat de mens een hypocriete trekjes vertoont in zijn visie op dierenwelzijn. DUB zet vijf stellingen op een rij en publiceert de winnende column van Marieke Drost.

De mens maakt het dier menselijk
"Mensen hebben de neiging om van dieren kleine mensjes te maken. We trekken Bello een Burberryjasje aan en laten Minoes bijzetten in het familiegraf. En we schrijven dieren ook allerlei emoties toe. Het konijn is een beetje ‘chagrijnig’ en de huismus is ‘brutaal’." Onze visies op dieren zijn projecties, constateert Marieke Drost in haar winnende column Spiegelen (klik hier om de column direct te lezen). Het dier blijft stom.
Ronald Hünneman voegt toe: “Dankzij Walt Disney zitten dieren gevangen in dezelfde wreedheidsparadox: op grond van een empathie ontwikkeld in relatie tot Dombo, Babe en The Lion King zijn we dieren gaan zien als redelijke wezens, die domme en gemene circusartiesten, boeren en jagers in de medemenselijkheid ver overtreffen.”
Kun je dan wel een Universele Verklaring van de Rechten van het Dier maken?, vraagt Noortje Jacobs zich af. "Universele waarden toekennen aan zowel mens als dier is paradoxaal genoeg nu juist één van de vermogens die de mens onderscheidt van het dier. Wij geven of onthouden dieren rechten, omdat we ons daar uiteindelijk zelf beter bij voelen."
“Was je als mens maar een echt dier”, verzucht Merel Langelaar, "dan hoefde je over al die zaken niet na te denken." Zij signaleert een merkwaardige vorm van hypocrisie. Mensen zorgen goed voor hun huisdieren volgens de criteria van het mens zijn. Ze zijn zich niet bewust dat hun de goeiige hond door hun toedoen aan obesitas lijdt of de jaloerse kat met zijn klauw het oog van het kind zou kunnen verwonden.

 

De mens eet vlees zonder te denken aan het dier
“Ik heb geen moeite met het eten van vlees, want over het feit dat mijn voedsel ooit een schattig diertje is geweest denk ik nauwelijks na. Het vlees in de winkel is netjes verpakt in kleine stukjes. Diep rood is rund, iets roziger is varken en het witte vlees is kip. De substantie en de kleur roepen een smaak bij mij op. Ik denk slecht aan lekker eten. Ik weet niet hoe het dier eruit zag, in welke omstandigheden het geleefd heeft of hoe het geslacht is.” Anne Mook beschrijft een verhaal wat meer mensen bekend voor komt. “We kijken als consument vaak niet verder dan het schap en het productieproces achter het stukje vlees zien we niet,” schrijft Lizelore Vos. De mens is een rasopportunist, zegt Floor Haalboom: “Varkens zijn er voor de kiloknallers, muizen zijn er voor wetenschappelijk onderzoek, honden en katten om van te houden.”
De boeren zijn best wel gericht op dierenwelzijn. Maar het economisch perspectief dwingt hen voor kwantiteit te gaan, stelt Marlijn Klinkenberg. “Op dit moment verdwijnen per dag zes boerenbedrijven en de bedrijven die over blijven worden groter Ik hoop dat we in Nederland gaan concurreren op kwaliteit en niet op kwantiteit."
Maar zelfs als de consument zich bewust is van het dierenwelzijn, kun je kanttekeningen maken. Zoals Mariëtte van den Hoven doet. Haar kinderen vragen steevast: ‘Heeft dit dier wel een goed leven gehad’ voordat ze de gehaktbal smakelijk oppeuzelen. Maar zij merkt op dat het biologisch vlees in aanbod zeer beperkt is. Het wordt bepaald door de wens van de kritische consument. En waar gaat de rest van het dier dan heen? “Toevallig weet ik dat ‘kippenafval’ – niet biologisch- in Afrikaanse landen tegen dumpprijzen plaatselijke boeren wegconcurreren.” Daar sta je dan met je goede gedrag. Van den Hovens conclusie is dan ook: “Respect voor een dier is het dier helemaal op willen vreten: weet dus wat u eet!”

 

De aaibaarheidsfactor bepaalt de rechten van het dier
“Er zijn verschillende soorten dieren. Grote dieren en kleine dieren. Lopende en vliegende dieren. Zwemmende en kruipende dieren. Maar vooral schattige en enge dieren.” Zo begint Rogier Overkamp zijn column. We zullen niet zo snel een hond of een kat doden, terwijl we daar in de regel geen probleem mee hebben als het om een irritante mug of een spinnetje gaat. En de mens is ver verheven boven alle dieren. Hoe komt dat eigenlijk? Overkamp concludeert dat sociale waarden daarbij een rol spelen. En hoe verder je bij het dier een mate van bewustzijn ervaart, zoals bij de sociaal interactieve kat, hoe minder snel je geneigd bent dat dier te doden.
Vroeger was de perceptie van de mens zelfs de richtlijn in de wet, stelt Sjoerd van de Wouw. “De wetgeving tegen dierenleed was bedoeld om de mensenziel te beschermen. Dus het was toegestaan om een dier een poot uit te rukken als maar niemand keek.” Dat is niet meer, maar de wetgever kijkt nog altijd door een mensenbril. Een haring mag je slachten hoe je wilt, maar het opensnijden van een hond zou de voorpagina van De Telegraaf halen. Naast aaibare dieren is er ook aaibaar dierenleed. Maar al het dierenleed is niet even aaibaar. Een varken wordt gek van verveling. Maar dat kun je niet zien. En dus mogen ze in veel te kleine hokken worden opgesloten en depressief worden. Op dat punt zou de wetgever volgens Van de Wouw volwassen moeten worden.
Hypocriet noemt E. Hamersma de mens als het gaat om de liefde voor het dier. Konijnen, cavia’s, ratten en muizen worden in kleine hokjes op kinderkamers gehouden ten behoeve van het verantwoordelijkheidsgevoel van een kind. Papa en mama vinden het dier ook zo schattig. Maar het is ook zielig. Zo’n grote sint-Bernardshond in een eengezinswoning. Of een tienermeisje dat twee dagen per week hobbelt op een paardenrug, terwijl het dier de rest van de tijd in een stal mag staan. Hamersma pleit voor minimumeisen voor huisvesting van dieren. “De burger, het volk, de leek op het gebied van dieren moet kijken naar het dierenwelzijn en dit niet laten bepalen door de grootte van de ogen of de aaibaarheid van het betreffende dier.”

 

We geven ons huisdier meer luxe dan de hongerende medemens
“Ze voelt zich duidelijk niet op haar gemak. Als een klein kind op een te grote stoel, zit ze opgeprikt bij haar baasje en vrouwtje aan tafel op een terras. Vanaf haar getoupeerde pluizige kuif tot aan haar gecoupeerde plumeaustaart is ze roze geverfd.” Franka Korteweg beschrijft hoe deze poedel op een Braziliaans terras een eigen bordje krijgt, terwijl even verderop de hongerende jongeren vechten voor een bestaan in de favelas, de achterbuurten in Brazilië.
Maar dat geldt niet alleen voor Brazillië. Marianne Bouman kijkt naar het NOS journaal waar een item over de honger in de hoorn van Afrika te zien is. “Grote zwarte kinderoogjes staren met een lege blik mijn kamer binnen en terwijl ik mijn aardappels prik verbaas ik mij over de afstand die ik voel tot deze hongerende mensen.” Even later bericht datzelfde jourmaal over een nieuwe leerstoel aan de Universiteit Wageningen waar onderzoek gedaan zal worden naar het verbeteren van vleesvervangers. Een vrouw komt aan het woord en verkondigt het standpunt dat een ieder die het waagt een stukje vlees in zijn mond te nemen de moordenaar is van een lief en onschuldig dier. Bouman: "Nederlanders voelen blijkbaar meer empathie en waardering voor een Nederlandse viervoeter dan voor een Afrikaans mensenleven."

 

Voor het welzijn van de mens mogen we proefdieren doden
“De verdoofde ratten liggen op hun rug. De pootjes naar buiten gespreid, vastgebonden met nylondraadjes. Van net onder hun kopjes tot aan hun achterpoten loopt een snede, waardoor hun buik open ligt. Ik huiver bij het beeld, want in mijn afstudeeronderzoek zijn het mijn woorden die dit letterlijk voorschrijven.” Eline Houben moet 95 ratten injecteren met exosomen, celdeeltjes afkomstig van tumorweefsel om te kijken of er zich uitzaaiingen ontwikkelen in de lever van de beestjes. Mogen wij dieren wel gebruiken om er zelf beter van te worden? Het is vraag die in meerdere columns aan de orde komt. Houben staat uiteindelijk achter haar onderzoek. Een makkelijke keuze is het niet. "Maar uiteindelijk kiezen we toch voor de mens met zijn complexere bewustzijn en diepgaande contacten. Bij dieren heeft pijn een andere dimensie."
Frank Wolters vraagt zich af waar we dit recht op baseren. Wensen we niet het best voor elk wezen? Zijn vriend heeft thuis twee hamsters Molly en Adam, die op alle mogelijke manieren vertroeteld worden. Diezelfde vriend zit overdag in het laboratorium waar hij testmuizen en proefkonijntjes manipuleert. "Aan de ene kant gebruiken ons intellect om proefdierenvoor ons karretje te spannen, met alle nut en gemakken van dien. De keerzijde van de medaille toont onze verlichte geest verenigd voor het recht van de hamster."

 

     
  
De winnende column van Marieke Drost. Zij kreeg de prijs van 250 euro aan boekenbonnen donderdag 13 oktober tijdens de Nacht van Descartes. foto Wieke Eefting
Spiegelen
Mensen hebben de neiging om van dieren kleine mensjes te maken. We trekken Bello een Burberyyjasje aan en laten Minoes bijzetten in het familiegraf. En we schrijven dieren ook allerlei menselijke emoties en agenda's toe. Het konijn 'is vandaag een beetje chagrijning', de huismuis is 'brutaal', en vermeend depressieve katten krijgen liefdevol een dosis Prozac toegediend. Andersom wordt het dierlijke van de mens vaak benadrukt. Een lange traditie in de moraalfilosofie benadrukt het beestachtige in ons; de evolutionaire psychologie ziet de mens als naakte aap.
De antropomorfisering van dieren en het beeld van de mens als beest illustreren hoezeer concepties van mens en dier in elkaar grijpen. Onze visies op dieren zijn natuurlijk projecties, het dier blijft stom. Maar dat betekent dat hoe we dieren zien en hoe we ze behandelen nauw verbonden is met de omgang met en het beeld van onszelf. Natuurlijk is er een enorme discrepantie tussen de beestachtige behandeling van dieren en de waarde die we, althans in theorie, aan elk menselenleven toekennen. Maar onder die tegenstelling ligt een parallel verborgen: de verdinging van dieren, in de bioindustrie maar ook in het misbruik van huisdieren als mode-acessoires, weerspiegelt een instrumentele visie op onze eigen lijven, een mechanistisch lichaamsbeeld waarvan Descartes over het algemeen de schuld krijgt, en waar al veel moderniteitscritici hun tanden in hebben gezet.
De geneeskunde ziet zowel de laboratoriumdieren waarop ze nieuwe behandelingen uittest als de zieke mensenlichamen die ze ermee wil genezen vooral als instrumenten. De schoothondjes van de Paris Hiltons zijn net zozeer onderdeel van hun garderobe als hun afgetrainde lichamen, die meer een fashion statement lijken dan een plek om in te wonen. En zo is er ook een parallel tussen het geweld dat we dieren aandoen en de omgang met onszelf. In de plofkip en de ganzenlevergans herkennen we ons obese zelf. Zelfs onze huisdieren lijden in toenemende mate aan overgewicht.
De bio-industrie garandeert een overvloedige aanvoer van calorieen en vormt tegelijkertijd een kweekvijver voor levensgevaarlijke virussen, waarop proefdieren weer worden onderworpen aan experimenten om een medicijn daartegen te ontwikkelen. Met andere woorden: de tegenstelling tussen dierlijke en menselijke belangen gaat niet altijd op. De gezondheid van het dier is verbonden met die van de mens. Dat verschaft een, nog steeds utilistisch, argument om beter met dieren om te gaan.
Ik ben vegetarier omdat ik niet medeplichtig wil zijn aan dierenleed. Maar naast dat sentimentele argument staat mijn afkeer van de industriele behandeling van levende wezens omdat ik er zelf een ben. Pleidooien om het welzijn van het dier voorop zetten en niet ondergeschikt te maken aan de behoeften van de mens creeren een schijntegenstelling. Dat onze omgang met dieren gevolgen heeft voor onszelf is niet alleen in praktisch, maar ook moreel opzicht het geval: een slechte behandeling van dieren is de mens moreel onwaardig, argumenteren sommige filosofen. Zij pleiten voor vegetarisme als 'morele hygiene'. Dat klinkt wat zweverig, maar het feit dat je als 'vleesverlater' tot in den treure de zelfverantwoordingen van vleeseters moet aanhoren - 'zou ik eigenlijk ook moeten doen, maar vlees is zo lekker..' - illustreert een zekere worsteling. Die we natuurlijk niet moeten overdrijven: het lijkt me sterk dat die vleeseters daadwerkelijk wakker liggen van hun keuzes.
Wij denkdieren hebben de neiging onze lichamen te veronachtzamen. Ons lichaam dient onze geest zoals de bioindustrie onze zogenaamde beschaving. Maar onze lichamen komen uiteindelijk in opstand tegen een onzorgvuldige omgang ermee, en ook in de intensieve veestapel borrelt het. Een waarlijk instrumentele visie zou, uit duurzaam opgevat eigenbelang, het welzijn van al dat vlees, inclusief dat van onszelf, tot speerpunt maken. Tot die tijd houden de bewoners van varkensflats en de eenzaam kakelende huispapegaaien ons een spiegel voor. Zijn dier en mens niet verenigd in de behoefte om zo nu en dan eens lekker te scharrelen?
Marieke Drost
  
Facebook Twitter Whatsapp Mail