Alle foto's zijn afkomstig uit het IBB-boek. Beeldredactie: Isolde Woudstra & Jan van Duppen.

Vrijpartijen en huisfeesten in IBB-boek

Body: 

De sappigste verhalen uit de bijna vijftigjarige geschiedenis van het IBB zijn samengebald in een boek. Een feest der herkenning voor recensent én oud-bewoner Bram Peeters.

De sappigste verhalen uit de bijna vijftigjarige geschiedenis van het IBB zijn samengebald in een boek. Een feest der herkenning voor recensent én oud-bewoner Bram Peeters.

Ruim 20.000 studenten hebben tot nu toe de 1300 kamers van het IBB bewoond. Als deze muren konden spreken, dacht Meral van Leeuwen (26) toen ze zelf na vijf jaar met weemoed haar kamer aan de Ina Boudier Bakkerlaan verliet. Overtuigd dat het een goed boek moest opleveren, voerde ze gesprekken met tientallen mensen die er de afgelopen 46 jaar hebben gewoond. Een van de belangrijkste conclusies trekt SSH-directeur én oud-IBB’er Ton Jochems al in het voorwoord: alles verandert, behalve wonen op het IBB. 

Dat begint voor de schrijver van deze recensie al met de vele foto’s in het boek. Ik denk constant mijn eigen voormalige rommelige en dus gezellige huiskamer te herkennen, maar schijn bedriegt. Alle etages op het beruchte complex lijken nu eenmaal op elkaar. Met dezelfde vergeten versieringen van een huisfeest, dezelfde afgedankte banken, dezelfde gasfornuizen met verzamelde etensresten van enkele jaren en dezelfde (fraai versierde) keukenkastjes waarvan er altijd een paar worden bewoond door een leger motjes. Blijkens de foto’s zien de IBB-kamers er al tientallen jaren hetzelfde uit. 

Blijkbaar ben ik zelf in de loop der tijd anders tegen de term vies gaan aankijken. Ik kan me niet herinneren dat het bij ons vies was. Inmiddels weet ik beter. Natuurlijk was het er goor. Beheerder Antonella Crapanzano zegt in het boek soms ook even te moeten slikken als ze bepaalde huizen betreedt: “Soms kom ik ergens binnen en dan moet ik blijven lopen, want anders plak ik vast aan de vloer. Vaak zijn bewoners erg vriendelijk en bieden ze me een kopje koffie aan; dan kijk ik naar het koffiezetapparaat en denk ik ‘Nee doe maar niet!’. Net zoals ik in sommige huizen niet op de bank wil gaan zitten.” 

Wat blijkbaar ook niet verandert, is het campinggevoel dat veel geïnterviewden zeggen te hebben ervaren. Dat was precies mijn eerste indruk toen ik er in 1997 kwam te wonen: het IBB is een studentencamping. Intens gelukkig en uitermate zorgeloos liep ik op mijn slippers naar de supermarkt, ónze supermarkt de Supercees (vernoemd naar eigenaar Cees Karelse, later werd dit Super-Arie). Nog nooit voelde ik me zo om mijn plek. Wij, die in onze eigen enclave midden in de nacht konden beesten en meubilair sprokkelden voor het kampvuur. Wij, die de volgende dag gezamenlijk brak rondhingen of toch dapper op het grasveld in de boeken doken. En wij tegen de buitenstaanders om ons heen: de schoffies van de achtergelegen school, die gasten van het woonwagenkamp en de in onze ogen asociale Sterrenwijkers wier kinderen steeds beter werden in het ‘studentje pesten’.

Dat in die volkswijk net zo slecht over ons werd gedacht, hadden we, egocentrisch als we waren, niet door. “De buitenwereld ziet het IBB als één groot Sodom en Gomorra”, vertelt oud-bewoner en tegenwoordig UU-docent sociale geografie Jos Bierbooms. “Ik deed een keer vakantiewerk bij een bouwbedrijf (…). De commentaren waren niet van de lucht als we langs het IBB reden. Die mensen dachten echt: er wordt hier geneukt en gezopen, en verder niks. Dat zeiden ze met een mengeling van minachting en jaloezie. Ik durfde niet te zeggen dat ik er ook woonde.” 

Toegegeven, er werd veel geneukt en gezopen. Met tien tot veertien jongens en meiden op een gang is het ook vragen om problemen. Of zoals Van Leeuwen het in het hoofdstuk ‘De relatiecarrousel’ zegt: “Was het maar mogelijk te meten hoeveel er per straat of per wijk gevreeën wordt. Het IBB zou namelijk zeer hoog scoren. Zo’n hoge concentratie aan hormonen van begin-twintigers, die net het ouderlijk huis hebben verlaten, kan tot eigenlijk niets anders leiden.” 

Ik kan niet ontkennen dat het IBB op dat gebied een prachtige speeltuin is. Tijdens mijn eigen hospiteeravond (laten we eerlijk zijn: een vaak hilarisch, maar wreed toelatingssysteem) viel mijn oog al op een erg mooi, lief, blond meisje. Dat werd dus uiteindelijk stiekem zoenen en in de nacht naar elkaars kamer sluipen. Aangezien het nog wel erg vroeg dag was om echt te settelen, volgde een knipperlichtrelatie zoals die niet ongebruikelijk zal zijn op het IBB.

Als je na het ‘buiten spelen’ beseft dat die ene huisgenoot toch de ware is, is het niet alleen handig dat je nog bij elkaar in de buurt woont; een studentenhuis is vaak zelfs de beste test. Als je met elkaar kunt wonen, kun je waarschijnlijk prima met elkaar leven. Dat bleek voor ons in ieder geval zo te zijn en inmiddels is vorig jaar ons eerste kind ter wereld gekomen. Een foto van deze IBBaby is door de trotse vader naar de SSH gemaild en is vervolgens in het boek beland.

Het zal duidelijk zijn dat ik een diepe genegenheid voel voor het IBB als plek waar ik mijn geliefde alsmede enkele vrienden voor het leven heb ontmoet. Voor mij is het boek een trip down memory lane die vele dierbare of pijnlijk grappige herinneringen oproept. Het is echter tegelijkertijd een zeer persoonlijk boek, geschreven door een ietwat melancholische oud-bewoner. Het bevat veel lollige anekdotes en aardige weetjes, maar kent bovenal een hoog weet-je-nog-gehalte voor de insiders. De vraag is of dat erg is, want er is inmiddels een doelgroep van ruim 20.000 insiders. 

Een mooi idee is dat dit aantal blijft groeien. Duizenden mensen gaan hier nog feesten, verliefd worden en vooruit: studeren. Al dan niet in een vieze huiskamer. Mijn achternichtje woont inmiddels ook op het IBB. Op Facebook lees ik net dat ze na lange tijd eindelijk haar kamer heeft opgeruimd. Haar kamer van veertien vierkante meter. Ik glimlach, want ik schrijf dit stuk in een huis waar we stiekem niet meer zonder schoonmaakster kunnen. Ik behoor tot de buitenwereld. Daar blijkt het leven ook de moeite waard, maar zo zorgeloos op mijn slippers zal het nooit meer worden.

Het IBB-boek (uitgeverij De Plantage) kost 17,50 euro en is verkrijgbaar in de Utrechtse boekhandels en is te bestellen via www.ibb-boek.nl. DUB mag van de uitgeverij vijf exemplaren van het boek weggeven. Wil jij een boek ontvangen, stuur dan vóór 26 november een mail

Facebook Twitter Whatsapp Mail