De zaak Stapel of de juiste manier van wetenschapsbeoefening

Body: 

Het boek ‘de Publicatiefabriek’ van de Utrechtse sociaal wetenschapper Ruud Abma leest als een thriller, maar zijn remedie voor fraude is door nostalgie getint. Dat schrijft emeritus-hoogleraar sociale psychologie Wolfgang Stroebe in een recensie.

Het boek ‘de Publicatiefabriek’ van de Utrechtse sociaal wetenschapper Ruud Abma leest als een thriller, maar zijn remedie voor fraude is door nostalgie getint. Dat schrijft emeritus-hoogleraar sociale psychologie Wolfgang Stroebe in een recensie.

Zoals de titel De Publicatiefabriek laat vermoeden (en Abma in zijn verantwoording bevestigt), is de analyse van de zaak Stapel niet het hoofddoel van zijn boek. Hij gebruikt deze analyse om “enkele centrale stellingen uit zijn meer academisch getoonzette boek Over de grenzen van disciplines te illustreren. Ik moet toegeven dat ik dat boek niet heb gelezen. Maar misschien is dat ook niet noodzakelijk, omdat de titel van het boek over Stapel zijn centrale stelling over wetenschapsbeoefening laat vermoeden. Ik zal het eerst over zijn beschrijving van de zaak Stapel hebben en dan zijn perspectief over de juiste manier van wetenschapsbeoefening bespreken.

Abma’s beschrijving van de Stapel-affaire leest als een thriller. In de eerste twee hoofdstukken beschrijft hij de gang van zaken rond de ontdekking van de fraude en de fraude zelf. Hoewel vele details natuurlijk voor krantenlezers bekend zijn, brengt het boek alles op een heldere manier bij elkaar. Alleen met zijn bewering dat “ het verzinnen van een heel onderzoek uniek is in de geschiedenis van de wetenschapsfraude” (p. 40) zit hij fout. In feite is dit een typisch patroon. Zo heeft bijvoorbeeld de fysicus Schön de data voor zijn in Nature en Science publiceerde studies helemaal verzonnen.

In hoofdstuk 3 over “slodderwetenschap” herhaalt Abma de bekende conclusies van de commissie Levelt en verdedigt deze tegen de “boze sociaalpsychologen”, die het met deze conclusies niet eens waren. Omdat ik een van deze boze mensen was en mijn kritiek in het DUB heb uitgelegd, wil ik deze niet herhalen. Maar ik vind het nog steeds vreemd dat in een commissie, waarin zelfs een theoloog zat, de sociale psychologie niet vertegenwoordigd was. Ik heb het in mijn eigen commissiewerk altijd handig gevonden als tenminste één van de commissieleden verstand van het specifieke onderwerp had.

In de hoofdstukken 4 tot 6 worden de verschillende stappen in Stapels carrière beschreven en ook deze hoofdstukken zijn goed te lezen en staan vol interessante details. In de hoofdstukken 7 tot 10 beschrijft Abma wat naar zijn mening fout is gegaan in de hedendaagse wetenschapsbeoefening. De hoofdfout is dat mensen op hun publicatiegedrag afgerekend worden. In de sociale psychologie komt daar nog bovenop, dat men experimenteel werkt. Ik zal kort uitleggen waarom ik de eerste stelling problematisch vind en de tweede verkeerd.

Zoals Abma beklemtoont, bestaat er natuurlijk geen “rechtlijnig verband tussen publicatiedruk en fraude”. Dat kan ook niet, omdat volgens alle schattingen met minder dan 2 procent van het onderzoek gefraudeerd is, terwijl onderzoekers uit allerlei vakgebieden onder publicatiedruk lijden. De remedie die Abma voorstelt is dat universiteiten op minder publicaties aandringen. “Het is tijd om de oude standaards te herstellen” (p. 160). De oude standaards waren dat wetenschappers van tijd tot tijd een artikel publiceerden, en dan meestal in een Nederlandstalig tijdschrift. De Nederlandse sociale psychologie, die vandaag tot de wereldtop hoort, was toen dan ook internationaal relatief onbekend. Omdat wetenschappers aan Nederlandse universiteiten tussen 40 en 60 procent  van hun salaris voor onderzoek krijgen, vond men bij de instelling van de onderzoeksscholen, dat wetenschappers in deze tijd aantoonbare prestaties moesten leveren (jaarlijks 1 tot 2 publicaties in internationale tijdschriften). Natuurlijk hebben alle prikkels ook ongewenste neveneffecten, maar wetenschappers die niets publiceren dragen ook niets bij aan de gezamenlijke kennis van hun discipline en met de oude standaards zonder prikkels wordt er heel weinig gepubliceerd. Als men daarnaast naar de citaties van ieder artikel kijkt, is kwantiteit een goede maat voor kwaliteit. Citaties hangen hoog samen met vele andere indicatoren van kwaliteit, zoals het oordeel van collegae en wetenschappelijke onderscheidingen.

Abma’s discussie van de sociale psychologie noemt kritiekpunten, die ook binnen de sociale psychologie soms bediscussieerd worden: het snelle scoren met spectaculaire resultaten, studenten als proefpersonen gebruiken en de nadruk op experimenteren. Omdat ijdelheid een universele eigenschap is, is het scoren met spectaculaire gegevens een probleem voor alle wetenschappen. Het experiment, hoewel een excellente methode, is al jaren niet meer de enige methode in de sociale psychologie. Veel typischer is dat veldonderzoek met experimenteel onderzoek gecombineerd wordt, zoals in het Science-artikel van Stapel over chaos en vooroordelen. Jammer dat hij dat onderzoek niet heeft uitgevoerd. Sociaal psychologische theorieën en resultaten worden dan ook in vele gebieden toegepast. Zo zijn grote delen van de gezondheidspsychologie, de organisatiepsychologie en de economische psychologie toepassingen van de sociale psychologie.

Abma’s argument dat proefpersonen met hun alledaagse kennis de opzet van een experiment gemakkelijk om zeep kunnen helpen laat een heel beperkte kennis van de moderne sociale psychologie vermoeden. Als wij het gedrag van mensen met subliminale stimuli beïnvloeden, is alledaagse kennis weinig behulpzaam, omdat proefpersonen de stimuli niet konden herkennen. En ook als studenten in ons brainstormonderzoek in groepen minder ideeën genereren dan alleen, was hun alledaagse kennis weinig behulpzaam. Ze denken namelijk zelf na afloop van het onderzoek dat zij in groepen veel productiever zijn geweest.

Concluderend vind ik Abma’s beschrijving van de zaak Stapel helder en boeiend, maar ben ik het met zijn conclusies over de juiste manier van wetenschapsbeoefening niet eens. Natuurlijk worden wij allen in ons perspectief door onze eigen werkervaring aan de universiteit beïnvloed. Zijn oordeel dat vroeger alles beter was lijkt mij getint door nostalgie. Maar men moet toegeven, dat Abma zelf op een bewonderingswaardige manier in staat is geweest de publicatiedruk te weerstaan en zich aan de oude standaards te houden.

DUB mag twee exemplaren van de Publicatiefabriek van Ruud Abma verloten onder lezers. Geïnteresseerd? Mail ons vóór 3 juli.

Facebook Twitter Whatsapp Mail