Studenten selecteren op basis van eindexamencijfers is niet genoeg

Eindexamencijfers zijn niet genoeg voor het selecteren van studenten voor numerusfixusopleidingen, vinden Sebastiaan Steenman, Wieger Bakker en Jan van Tartwijk. Het is goed dat de loting verdwijnt, schrijven ze in een ingezonden stuk. 

De discussie over selectie aan universiteiten loopt sinds in 1972 loting werd ingevoerd voor opleidingen Geneeskunde. De latere Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft fulmineerde al in 1997 in de NRC, tegen het ‘onrechtvaardige loterijsysteem’ en voor ‘selectie op basis van harde gegevens’. Afgelopen september stelde Aleid Truijens in de Volkskrant juist dat selectie - “het pitchen van jezelf, van het merk ‘ik’” - misschien bij deze tijd hoort, maar niet rechtvaardiger is; wie dat beter kan, heeft een onterecht voordeel. Op dinsdag 9 december volgde Metro met de prikkelende kop “Universitaire selectie aan de poort is vaak een schimmige zaak”. En vorige week kopte DUB, op basis van berichtgeving van het Hoger Onderwijs Persbureau, dat de minister ook niet weet of selectie aan de poort werkt.

In de discussie lopen verschillende vragen door elkaar. Is selecteren rechtvaardiger dan loten? Krijg je studenten ermee op de juiste plek? Is de praktijk van selecteren transparant genoeg? Kun je met selectie studiesucces voorspellen? En zo ja, kan dat op basis van alleen vwo-cijfers?

Recent onderzoek aan de Universiteit Utrecht laat inderdaad zien dat vwo-cijfers heel geschikt zijn om in te schatten hoe studenten het zullen gaan doen op tentamens waarin kennisreproductie en begrip centraal staan. Het gemiddelde vwo-cijfer voorspelt dan 55 procent van de verschillen in de resultaten.

Als kritisch reflecteren op de stof wordt getoetst neemt dat percentage af naar 21 procent. Voor toetsen die de toepassing van kennis meten is dat percentage nog lager. De conclusie is dan dat op basis van vwo-cijfers vooral studenten geselecteerd worden die goed zijn in feiten onthouden en begrip. Dat zijn niet per definitie de studenten die een goede scriptie kunnen schrijven waarbij een beroep wordt gedaan op creativiteit.

Tenzij de eindexamens ingrijpend veranderen, snijdt de keuze van de minister dus hout om andere indicatoren dan alleen vwo-cijfers mee te wegen bij selectie. De huidige ‘gewogen’ lotingsprocedure ís feitelijk selectie op basis van het gemiddelde vwo-eindexamencijfer. Dat gemiddelde alleen bepaalt nu de kans om ingeloot te worden.

Het is essentieel om die cijfers mee te nemen bij selectie, maar het getuigt van een te smal beeld van studiesucces om alleen daarop te selecteren. Van een goede student verwachten we niet alléén goede cijfers voor eerstejaarstentamens - die vaak het meeste lijken of vwo-examens - maar ook (of vooral) dat hij of zij kennis kan gebruiken bij het formuleren en beantwoorden van wetenschappelijke vragen of bij het vervullen van de taken van een professional (een arts bijvoorbeeld).

Selectie moet bovendien gaan over wat een opleiding uiteindelijk van studenten verwacht. Dat betekent maatwerk. We verwachten immers andere dingen van een succesvolle geneeskundestudent dan van een succesvolle scheikunde- of bestuurskundestudent. Het ontwikkelen van een kennisbasis is een vanzelfsprekend onderdeel van succes binnen een opleiding. Daarvoor ligt het meenemen van vwo-cijfers in de selectie voor de hand, maar voor succes in een academische opleiding mogen en moeten we meer verwachten.

De onderbouwing en transparantie van de instrumenten en de procedure is daarbij essentieel, zoals ook de minister betoogt. De ontwikkeling daarvan staat echter, zeker in Nederland, nog in de kinderschoenen.

Aan de andere kant zijn er op verschillende plekken positieve ervaringen met studenten. Op de Universiteit Utrecht selecteren bijvoorbeeld het University College en de opleiding Bestuurs- en Organisatiewetenschap al jaren aan de poort en op uiteenlopende criteria. De uitval bij deze opleidingen is gering en de studievoortgang is hoog (het studierendement na vier jaar).

Zolang we (blijven) focussen op de evidence base voor de voorspellende waarde van selectie, en de transparantie over wat dan precies verwacht wordt, is selectie op meer dan alleen cijfers een waardevol alternatief. De focus moet op die evidence base en transparantie blijven en die kunnen en moeten we verder versterken. De critici van selectie hebben gelijk dat alleen zo willekeur, of zelfs systematische en onterechte benadeling van toekomstige studenten, voorkomen kunnen worden.


De auteurs zijn werkzaam bij de Universiteit Utrecht. Sebastiaan Steenman en Wieger Bakker zijn respectievelijk universitair docent en bachelordirecteur bij het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap. Jan van Tartwijk is hoogleraar toegepaste onderwijswetenschap. Zij publiceerden recent ‘Predicting different grades in different ways for selective admission: disentangling the first-year grade point average’, in het tijdschrift Studies in Higher Education.

Advertentie