Cijferanonimiteit is verleden tijd

Body: 

Tentamencijfers zouden vanaf 2013 gepubliceerd moeten worden op naam en zichtbaar moeten zijn voor iedereen binnen de cursus. Dat stelt het college van bestuur voor. Binnen de universiteit bestaat behoorlijk wat verschil van mening over dit voorstel.

Tentamencijfers zouden vanaf 2013 gepubliceerd moeten worden op naam en zichtbaar moeten zijn voor iedereen binnen de cursus. Dat stelt het college van bestuur voor. Binnen de universiteit bestaat behoorlijk wat verschil van mening over dit voorstel.

“Anonimiteit is de grootste vijand van de academische wereld”, stelt rector Bert van der Zwaan (foto). Het voorstel van de rector moet er voor zorgen dat studenten de tentamencijfers kunnen zien van andere studenten binnen hun cursus. Het publiceren gebeurt op naam en dit zorgt er volgens de rector voor dat studenten meer gestimuleerd worden om beter hun best te doen. “We willen ons spiegelen aan Cambridge en daar laat je het wel uit je hoofd om lage cijfers te halen.”

Op dit moment bestaat er geen universitaire richtlijn voor de publicatie van tentamencijfers. Hoe deze nu bekend worden gemaakt verschilt per faculteit, docent en opleiding. De resultaten worden bekeken via osiris, blackboard of per mail. Ook hebben maar een beperkt aantal mensen toegang tot de cijfers: de student, de studieadviseur, de decaan en het Studiepunt van de opleiding, deze laatste is verantwoordelijk voor het bijhouden van de behaalde vakken. De studenten kunnen nu via osiris wel zien hoe ze scoren ten opzichte van anderen, maar bij deze scores staan geen studentnummers of namen.

 

WAT ZIJN DE VOORDELEN?

* Meer competitie
Het voornaamste argument van de rector is dat er door dit voorstel er meer onderlinge competitie ontstaat. Dit is volgens Bert van der Zwaan iets wat op wetenschappelijk terrein steeds belangrijker begint te worden. Bert van der Zwaan: “De essentie is: studenten moeten kunnen zien waar ze staan, horen ze bij de hoogste 5 procent of de laagste. Die feedback is belangrijk. De druk daarop mag best vergroot worden."

* Versterking van groepsgevoel
Bij Diergeneeskunde is al ervaring met het niet-anoniem publiceren van studieresultaten. De bevindingen zijn positief. “Het lijkt het groepsgevoel te versterken, zo van: ‘We’ hebben het tentamen goed/slecht gemaakt,” verklaart Cristel Teusink die studieadviseur bij Diergeneeskunde is. “Er is in de afgelopen jaren één student bij me geweest die aangegeven heeft er moeite mee te hebben dat anderen haar cijfers kunnen zien.”

* Meer openheid
”De tentamencijfers uit de anonimiteit halen is een goed plan”, zegt  Jos Bierbooms studieadviseur bij Sociale geografie en planologie. “Toen de cijfers anoniem werden ergens in 1980, vond ik dit al een rare overgang. Cijfers zijn altijd een bron van spanning, vreugde en gesprekken. Waarom zijn we op de UU ineens zo voorzichtig geworden?” Bierbooms gelooft niet dat de openheid zal bijdragen aan meer concurrentie. “Studenten weten maar al te goed wie het goed en wie het slecht doet, daar hebben ze geen cijfers voor nodig.”

Hoogleraar Leo Lentz van taalbeheersing is het daar mee eens. Hij geeft wel eens cijfers die voor de hele groep zichtbaar zijn. “Niemand klaagt erover, dus ik snap niet waar mensen zich zo druk om maken.”

 

WAT IS ER OP TEGEN?

* Alleen voor betere student
Niet iedereen is het eens met het voorstel van de rector. Bij een vergadering van de universiteitsraad commissie Onderwijs en Onderzoek hadden de leden veel kritiek. Het publiceren op studentnummer zorgt volgens de commissie al voor genoeg stimulans. “Het systeem werkt juist slecht voor de zwakkere studenten,” meent bètastudent Anna Grebenchtchikova van de studentenfractie Helder uit de universiteitsraad.“Studenten die laag scoren zullen bij het indelen van werkgroepen overblijven en dat zorgt voor een scheiding tussen de goede en minder scorende studenten.” Bert van der Zwaan erkent dit probleem. Hij wil deze groepen met mindere studenten tegemoet komen met extra begeleiding en hen aansturen, waar dat nodig is.

 

* Schaamte
Een ander gevolg kan zijn dat studenten zich schamen voor hun resultaat. Anna Grebenchtchikova: “Ik ken mensen die bij een onvoldoende een week lang de kantine niet meer in durven.”

Dat is ook de reden dat Hans van Himbergen, hoogleraar theoretische Natuurkunde zich tegen de maatregel verzet. “Zo’n regel kan verstrekkende gevolgen hebben voor een kwetsbare student, die door de juiste benadering goed leert, maar zich nu ‘on the spot’ gezet voelt.” Hij vindt dat het geven van cijfers hoort bij het leerproces. “Ik vergelijk de positie van een docent met de positie van een psycholoog waarbij mensen vertrouwen van bescherming hebben. Het zou toch ook verschrikkelijk zijn als een psycholoog die iemand helpt uiteindelijk publiekelijk aankondigt dat deze persoon een probleem heeft.” Studieadviseur Dorothée Luyks-Duijn van Geesteswetenschappen voegt hieraan toe:“Er zijn ook studenten waar het niet al te best mee gaat: faalangst, depressies. Die zouden het ook niet fijn vinden als ze bij elke onvoldoende tekst en uitleg moeten geven.”

* Bekende studenten
“Er zijn studenten die nog meer waarde hechten aan hun privacy, zoals oud-politici of leden van het koningshuis die bij ons komen studeren,” is het argument dat verschillende studieadviseurs van Geesteswetenschappen naar voren brengen. Als de resultaten van hun tentamen in bredere kring circuleren, is de kans groot dat het uitlekt naar de media.

* Allochtonen
Nog een argument tegen is dat niet iedereen op dezelfde manier met competitie omgaat. Het krenken van trots kan bij vooral allochtone studenten een rol spelen. “Met die schaamtecultuur zou de universiteit wel rekening moeten houden”, aldus Herre Talsma, docent Farmaceutische Wetenschappen en universiteitsraadlid.  

* Het zesjesklimaat
“In Nederland leven we een beetje in een zesjes cultuur en daar past de methode om cijfers uit de anonimiteit te halen minder goed bij dan op een universiteit als Cambridge,” zegt Hetty Brederoo studieadviseur bij Geesteswetenschappen. Volgens haar kunnen Nederlandse universiteiten zich niet op deze manier spiegelen aan universiteiten als Cambridge. “Studenten hebben daar te maken met veel meer voorselecties en zijn al gewend aan competitie.”

* Claimcultuur
Het openbaar maken van de cijfers heeft volgens enkele docenten nog een ander nadeel. Studenten die relatief laag scoren, zullen eerder aankloppen bij de docent om te kijken of het cijfer niet wat hoger kan. Dit is de ervaring bij Farmacie.

Manon Thijssen, studieadviseur bij Farmacie: “Wanneer de studenten zagen dat anderen een hoger cijfer kregen, gingen ze claimen. Studenten wilden dan dat het tentamen nog eens nagekeken werd en onderhandelden om een hoger cijfer te krijgen. In Nederland hebben we meer een claimcultuur dan een vechterscultuur.”

 


‘Prettig te weten hoe je scoort' 


In de kantine van het Educatorium zit een groep studenten Geschiedenis hard te studeren. Op de vraag of ze harder gaan werken wanneer ze de cijfers van elkaar zouden kunnen zien, fronsen ze de wenkbrauwen. “Het is misschien een kleine motivatie voor de middenmoot om hoger te scoren, maar het zorgt er niet voor dat studenten er gelijk harder door gaan werken”, concludeert de groep. Belangrijk is volgens hen de houding van de student en deze ga je niet veranderen door de cijfers openbaar te maken. “Tentamencijfers zijn nu al vaak te zien op studentnummer. Wij kunnen er zo achterkomen wie welke scores heeft, als we willen.” De groep zegt het prettig te vinden om te zien hoe je scoort ten opzichte van anderen. “Zo kunnen we de moeilijkheid van het tentamen inschatten.”

Twee psychologiestudenten filosoferen over het voorstel. “Als bekenden van mij hogere cijfers halen, dan ga ik ook wel meer mijn best doen”, denkt Wimme. Het openbaar maken van naam in combinatie met tentamencijfer zorgt volgens hem wel voor meer motivatie, maar dat dit alleen maar werkt bij kleine groepen die een binding met elkaar hebben. Joris is kritischer. “De groep zwakkere studenten wordt hier de dupe van. Zij kunnen onder de druk bezwijken. Er ontstaat een soort van vergelijkcultuur en dat leidt niet direct tot meer concurrentie.”

  
Facebook Twitter Whatsapp Mail