Foto: Baaierd

Studeren in een vreemde stad

Body: 

Als eerstejaars student verheugde Baaierd zich op de nasi-dag in de Utrechtse mensa's. Het was behelpen in die tijd.

Aan: Nieuwe studenten@uu.nl
Betreft: Studeren in een vreemde stad
Bijlage: Terugkeer van de Sol

Beste S,

Vorige keer schreef ik je hoe ik 45 jaar geleden in Utrecht terechtkwam bij een heel klein echtpaar (1m 40) in het kleinste kamertje (op de wc na) van een huis aan de Merelstraat. Ook toen waren de huren schandalig hoog. Ik betaalde 120 gulden per maand terwijl mijn hospita 90 gulden betaalde voor het hele huis met drie verdiepingen(!). Dit soort marges bezorgt zelfs onze autoracende onroerendgoedmagnaat prins Bernard rode oortjes.

Ik kon er niks anders dan studeren en lezen. Een televisie of geluidsinstallatie had ik niet. Een transistorradio en een koffergrammofoon van mijn vriendin met een paar plaatjes was voldoende vermaak. Uitgaan was in het begin geen optie omdat ik geen lid was van een vereniging.

Mijn vriendin woonde nog in Twente en de enige manier om over die afstand te communiceren was naar een telefooncel fietsen en met gespaarde kwartjes haar telefoonnummer draaien. En dan maar hopen haar stem te horen.

Elke avond was het een uitdaging om een plek te vinden waar ik zou gaan eten, want ik mocht immers niet op mijn kamertje koken. Uit eten gaan was te duur.

Als nieuwkomer in de grote stad moet je in het begin erg veel een kaart bestuderen om te weten waar je moet zijn. Bestaat hij nog, die kaart van Utrecht die je bij elke sigarenboer kon kopen? Binnen een maand was hij zo verfomfaaid dat je wel weer een nieuwe moest kopen. Een appje met gps was handig geweest.

Je kon op drie plekken “fatsoenlijk” en betaalbaar eten. In de afgetakelde mensa op het Lepelenburg, in die van Veritas aan de Kromme Nieuwegracht en bij SSR op de Bemuurde Weerd. Die kregen subsidie en waren dus ook geopend voor niet verenigingleden. Het Lepelenburg was de goedkoopste. Maar eigenlijk was het eten maar op twee dagen te hachelen. De nasi-dag en de frites-dag.

Had je weer eens niet goed op de dag van de week gelet, dan schoof je met je dienblad langs een enorme kok met armen als een bootwerker, een kaalgeschoren hoofd en een bijzonder morsige voorschoot, met daaronder enorme Dokter Martens-boots. Die zag je als hij wat onduidelijks achter in de gaarkeuken ging doen.

Met een pollepel haalde hij een schep uit een enorme pan waarna er iets met een doffe plof op je bord belandde. Een klont die ooit een stel aardappels was geweest. Zijn koksmaatje legde er dan met een tang een stuk varkensworst of een akelig donker stooflapje naast. Jus in een roestvrijstalen kattenbakje, net als de groente die ook tot een kleurloze natte brij doorkookt was.

En dan aan lange tafels het eten naar binnen werken. Maar er was in ieder geval gezelschap. Een welkome afwisseling met m’n eenzame zolderkamertje. Koffie kon je er beter niet drinken.

Ik vond er niet veel aan, dat eerste jaar in Utrecht.
Het was niet eens verveling.

Je Baaierd

Facebook Twitter Whatsapp Mail