Beter rendement komt niet door matching

Body: 

Als je de door de VSNU gepubliceerde cijfers over uitval- en herinschrijvingen bekijkt, kun je volgens Dries van Oosten niet concluderen dat de matching effect heeft.

Als je de door de VSNU gepubliceerde cijfers over uitval- en herinschrijvingen bekijkt, kun je volgens Dries van Oosten niet concluderen dat de matching effect heeft.

Deze week heeft de VSNU cijfers gepubliceerd over de uitval- en herinschrijvingspercentages bij universitaire bachelor opleidingen. Daaruit blijkt dat sinds 2005 het aantal studenten dat zich na één jaar voor dezelfde opleiding bij dezelfde universiteit herinschrijft is gestegen van 76 procent naar 79 procent. Nog beter ziet het eruit als we meenemen dat er in het herinschrijvingsrendement zelfs een dip zat rond 2009 (74 procent) waarna het rendement weer omhoog gekropen is.

Hieruit zouden we kunnen concluderen dat de activiteiten die opleidingen ondernemen om studenten meteen op de juiste plek te krijgen werken. Er is minder uitval van studenten en dat zou bijvoorbeeld kunnen komen door maatregelen als het inschrijven per 1 mei en de matchingsactiviteiten.

Echter, als wetenschappers weten we natuurlijk dat correlatie geen causaliteit betekent. Het kan ook zijn dat doordat in 2009 de werkeloosheid sterk begon te stijgen en de kredietcrisis volop gaande was, meer studenten uit angst voor werkeloosheid kozen voor een universitaire vervolgopleiding, terwijl ze dat misschien eigenlijk beter niet hadden kunnen doen. Dit lijkt in ieder geval bij technische opleidingen een factor te zijn.

Om dit eens verder te onderzoeken, kunnen we kijken in de tabel van de VSNU. Als we een kolom naar rechts verschuiven, zien we dat het percentage studenten dat zich herinschrijft voor een andere opleiding aan dezelfde universiteit de afgelopen tien jaar constant is gebleven. Dat spreekt de hypothese tegen dat we er beter in slagen om studenten op de juiste plek te krijgen.

Wat zien we als we nog een kolom naar rechts opschuiven? Het percentage herinschrijvingen aan andere universiteiten. Ook dit is vrijwel constant gebleven. Wat we doen lijkt dus ook geen invloed te hebben op of de student bij de juiste universiteit terecht is gekomen.

De vraag is waar de verhoogde herinschrijvingsrendementen dan vandaan komen? Bij bestudering van de cijfers blijkt dat te gaan om de herinschrijvers die naar het hbo gegaan zijn! Die groep is van 7 naar 4 procent gedaald.

Ik ken de cijfers voor onze eigen opleiding Natuurkunde niet, maar als deze gemiddelden voor een opleiding van onze afmeting gelden, zou dat betekenen dat er 4 in plaats van 7 procent studenten na het eerste jaar besluiten naar het hbo te gaan.

De vraag is of het zich loont om voor deze winst de matchingsactiviteiten te organiseren. Het gaat maar om een paar studenten. En hoe erg is het eigenlijk ook als studenten naar het hbo afzwaaien? Er is niks mis met het hbo. De matchingsdagen vormen een enorme belasting voor een opleiding; we moeten ons dus afvragen of we ermee bereiken wat we willen bereiken.

Begrijp me niet verkeerd, ik wil niet suggereren dat we moeten stoppen met matching. Integendeel. Wat ik wel vind, is dat we de door de VSNU gepresenteerde cijfers ons geen reden geven om trots te zijn. Als matching zou werken, zou het aantal studenten wat zich voor een andere opleiding herinschrijft kleiner moeten worden.

De matching (en andere activiteiten) lijken, in ieder geval landelijk, niet te doen wat we ervan verwachten. We moeten dus niet simpelweg verder gaan met wat we doen, maar kijken of er opleidingen zijn waar de matching wel goed lijkt te werken, zodat we daarvan kunnen leren. Want het gaat er toch uiteindelijk om dat we de student zonder kleerscheuren in de juiste opleiding krijgen en niet om welke opleiding of aan welke onderwijsinstelling dat dan is!

Ik zal in ieder geval morgen met veel plezier het proefcollege op de matchingsdag geven en ik hoop dat ik een bijdrage zal kunnen leveren aan de onderbouwing van de studiekeuze van een nieuwe generatie studenten!

Facebook Twitter Whatsapp Mail