De duurzame universiteit

Body: 

De vraag ‘Hoe duurzaam is de universiteit?’ raakt volgens Bald de Vries aan de essentie van hoe wij het leven willen inrichten en hoe wij onze rationaliteit willen inzetten.

De vraag ‘Hoe duurzaam is de universiteit?’ raakt volgens Bald de Vries aan de essentie van hoe wij het leven willen inrichten en hoe wij onze rationaliteit willen inzetten.

De DUB heeft mij enige tijd geleden gevraagd om deel te nemen aan het DUB-panel naar aanleiding van het themamagazine Het groene geweten. Het panel bestaat uit betrokken docenten en studenten die goed geïnformeerd zijn en een eigen kijk hebben op de ontwikkelingen binnen de universiteit. Het gaat dan vooral over onderzoek, onderwijs, het studentenleven en de organisatie van de universiteit.

De bedoeling is dat het DUB-panel periodiek zijn mening geeft over een bepaald thema; over iets dat speelt binnen de universiteit. Ik moet bekennen dat ik wat laks was in mijn respons, maar de vraag die onlangs werd opgeworpen prikkelde mijn gedachten. De vraag was hoe duurzaam de universiteit is. De reden achter de vraag was dat de gedachte heeft postgevat dat duurzaamheid een holle term is geworden en ‘iets’ met milieu, hergebruik of lange levensduur heeft te maken. Is de universiteit, zijn wij, ‘duurzaam bezig’? Maar wat bedoelen we ermee?

De vraag is niet slechts een journalistieke vraag maar is ten diepste een fundamentele vraag die tot kern behoort van hoe wij met elkaar willen samenleven – op globaal, regionaal en lokaal niveau. Binnen de universiteit verdiepen vele collega’s zich in het vraagstuk van duurzaamheid en zijn betekenis op die drie niveaus. ‘Hoe duurzaam is de universiteit?’ is een vraag die dan ook raakt aan de essentie van hoe wij het leven willen inrichten en hoe wij onze rationaliteit willen inzetten. En kan de universiteit daar een voortrekkers rol in vervullen. Duurzaamheid is thans te veel een uitzondering op de regel – als er maar eerlijke koffie is en wat zonnepanelen.

Duurzaamheid lijkt in eerste instantie zoiets als “spaarzaamheid” te impliceren – dat de dingen die wij aanschaffen en gebruiken lang zouden moeten meegaan en niet “zomaar” gedumpt moeten worden en vervangen door iets “nieuws”, iets “beters”, iets “moderners“ (wat die woorden ook precies betekenen). Het impliceert een ethische houding ten aanzien van consumerend handelen zelf, een houding van vroeger toen de dingen schaars waren en je er zuinig op was. Echter, het probleem van schaarste is feitelijk opgelost in onze welvaartsmaatschappij. We kunnen toch veel aanschaffen en verbruiken van wat ons hartje begeert. Denk aan voedsel en de hoeveelheid (de helft!) die we verspillen, zoals een rapport onlangs concludeerde.

We worden ons langzaam steeds bewuster van de neveneffecten van deze keten van exploitatie-productie-consumptie-destructie. Ons producerend en consumerend gedrag eist zijn tol op de natuurlijk leefomgeving – de vuilnisbelt aan plastic (ter grote van Frankrijk of groter zelfs) die drijft op de Stille Oceaan is er een voorbeeld van maar ook de ontbossing in de Amazone, de vermindering van de biodiversiteit en de klimaatverandering. Ons consumerend gedrag is een sluipmoordenaar die de natuur gijzelt en langzaam kapot maakt – de natuur die ons de grondstoffen bezorgt, ironisch genoeg.

Maar duurzaamheid heeft naar mijn idee inmiddels ook betrekking op de inzet van mensen in de hele keten van exploitatie, productie, consumptie en destructie. We worden ons langzaam steeds bewuster van de erbarmelijke arbeidsomstandigheden – in de mijnen, de landbouw, de fabrieken en naaiateliers, en op de vuilnisbelten. Incidenten zoals de van de Bengaalse kledingfabriek doen ons wakker schudden, maar het is een incident slechts in nieuwstermen – feitelijk is het een structureel probleem dat niet alleen in de kledingsector speelt.

Duurzaamheid impliceert een bepaalde instrumentele economische rationaliteit. Het stelt ons de vraag hoe en waarom wij willen produceren en consumeren, met welk doel. Deze rationaliteit staat haaks op de instrumentele economische rationaliteit die leidend is: groei, meer, beter, Vooruitgang (in economische kwantitatieve termen). Duurzaamheid is eerder kwalitatieve vooruitgang (hoop ik): hoe om te gaan met onze natuurlijke omgeving die ons zoveel biedt (grondstoffen), hoe om te gaan met elkaar in het productieproces. Onder welke arbeidsomstandigheden willen wij eigenlijk consumeren? Hoe willen we consumeren?

Terug naar de panelvraag: hoe duurzaam is de universiteit? Een terechte vraag en elk initiatief is toe te juichen. Een duurzame universiteit die acht heeft voor hoe van dat wat wij gebruiken geproduceerd is en onder welke omstandigheden – van papier en koffie tot energie en computers – is de universiteit van de toekomst. Maar meer fundamenteel is de vraag wat de universiteit, als universiteit, moet doen met duurzaamheid en het te maken als leidend principe: in onderzoek en onderwijs, op een fundamenteel niveau: van de natuurwetenschappen tot de economische wetenschappen, van rechtsgeleerdheid tot geowetenschappen. Is dat niet wat ons echt duurzaam maakt?

Facebook Twitter Whatsapp Mail