Discussie over position paper heilloze weg

Body: 

Universiteitshoogleraar en ex-decaan Willem Koops hekelt de uitgangspunten van Science in Transition. Waarom moeten we het rattengedrag van wetenschappers benadrukken? En weten de initiatiefnemers wel wat er gebeurt in de Sociale Wetenschappen?

Op verzoek van de DUB redactie heb ik een rapport gelezen van het soort dat ik als decaan altijd moest lezen, en na het beëindigen van mijn decanaat dacht te kunnen negeren. Maar vooruit, een uurtje kan ik wel missen.

Dit rapport heeft mijn enthousiasme voor geklaag over: “Waarom de wetenschap niet werkt zoals het moet, en wat daar aan te doen is” door de auteurs Dijstelbloem, Huisman, Miedema en Mijnhardt niet bepaald doen toenemen. Opgewekt schrijven de auteurs in de eerste zin van de Inleiding dat veel wetenschappers met een bestuurlijke universitaire functie zich in het zomerreces bezighouden met onder andere “het opvegen van vertraagde scripties en dissertaties”. Met bij voorbaat afgeleide schaamte hoop ik maar dat studenten en promovendi dit niet zullen lezen.
Ook lees ik in diezelfde Inleiding de zin: “Bepaalde aspecten (fraude, plagiaat) zijn evident fout – daarover is iedereen het eens. Daar worden goede rapporten over geschreven, al is het nog te vroeg om te kunnen vaststellen of ze veel effect zullen sorteren.” Dat geeft mij natuurlijk een beetje een open doel: zou dit rapport over wat er anders moet in de wetenschap meer effect sorteren dan die “goede rapporten” over fraude?

Wat is er mis met de wetenschap? Volgens de auteurs: “Er valt veel voor de stelling te zeggen dat het zelfs gevaarlijk is om het mythische ideaal van de zuivere en 100 procent zekerheid leverende wetenschap in stand te houden.” (blz. 5). Juist die “enchanted view” vinden de auteurs fnuikend voor de wetenschap. Want: “De wetenschapsbeoefening is niet meer en niet minder dan een lawaaierige marktplaats waar onduidelijkheid, aperte fouten en zelfs onenigheid, maar ook toeval en teleurstelling zorgen voor creativiteit, vernieuwing en democratische tegenmacht.” (p. 5). En dan: “Moderne wetenschap is topsport en vooral teamsport, waar op hoog niveau en op het scherp van de snede gewerkt wordt.”
Dan komt de oplossing: “Een succesvolle ontmythologisering van wetenschap brengt de onderzoekers weer terug op het marktplein waar ze thuishoren, te midden van de potentiele gebruikers van nieuwe kennis.” Met Bourdieu in de aanslag leggen de auteurs met veel dédain uit: “Reputatie is immers het enige sociale kapitaal waarover onderzoekers beschikken.”
En zo zouden onderzoekers er in het algemeen een dubbele moraal op nahouden: “…enerzijds worden ze gestuurd door de “enchanted view”, door het evangelie van de goeroes.” Maar, o jee: “In werkelijkheid is het een “veld” waarin dominante elites hun sociale kapitaal gebruiken om economische voordelen voor hun onderzoeksgroep en voor zichzelf te behalen.” (blz. 5, 6, en 7).

Het voorgaande maakt mij gedeprimeerd en kwaad tegelijk. Ben ik dan aanhanger van de “enchanted view”?  De auteurs scheppen een retorische tegenstelling tussen twee visies op de wetenschap: de hunne, die kennelijk vooral het rattengedrag van sommige wetenschappers wil benadrukken, en de “enchanted view van de zuivere en 100 procent zekerheid biedende wetenschap”.
Mijn hele wetenschappelijke leven van zo’n 45 jaar is inderdaad gedreven door een “enchanted view” op de wetenschap. Een “view” die er op neer komt dat je met de beste methodologische middelen zinvolle en belangrijke wetenschappelijke vragen probeert te beantwoorden. Dit in de hoop een beter begrip van de werkelijkheid te bereiken dan waartoe het alledaagse ongewapende oordeel in staat is. Maar al vanaf mijn eerste studiejaar heb ik ook geleerd dat zoiets als 100 procent zekerheid in de wetenschap, noch ergens anders bestaat.
Mijn visie op de wetenschap is dan ook niet weg te poetsen met de kreet “enchanted view” van deze auteurs. Mijn diepe overtuiging van de meerwaarde van de strenge methodologische regels van de wetenschap ontneemt dit rapport mij niet. Ik vind dan ook niet dat wij de feilbare menselijkheid, inclusief fraude en plagiaat, aan het publiek moeten uitleggen, zoals de schrijvers van dit rapport willen. Ik vind dat we aan het publiek moeten uitleggen, hoe ondanks allerlei gepruts de wetenschappelijke methodologie het beste wapen is tegen misvattingen en vooroordelen.

Ik vind het ook merkwaardig dat de auteurs zo nadrukkelijk menen dat wetenschap bruikbaar moet zijn. Ze lijken te menen dat die bruikbaarheid het ultieme doel is. Ik ben het meer eens met de oervader van de psychologie aan de UvA, Géza Révész. Hij zei in zijn afscheidsrede in 1950:  “De ware wetenschap brengt licht, zelden vruchten”. En dat licht, de verheldering van de menselijke conditie zie ik als zodanig als een belangrijk doel van mijn eigen vak, de psychologie. De psychologie is een onderdeel van wat gewoonlijk wordt aangeduid als de sociale wetenschappen. Hoewel deze aanduiding inmiddels in navolging van het Amerikaanse taalgebruik ook wel gereserveerd wordt voor alleen de maatschappijwetenschappen, zoals sociologie, culturele antropologie, bestuurskunde, en politicologie. Psychologie, pedagogiek, en onderwijskunde worden dan gerekend tot de gedragswetenschappen. In Utrecht hebben we nog altijd een Faculteit Sociale Wetenschappen (FSW), waaronder zowel de maatschappij- als de gedragswetenschappen worden gevat.

In het rapport wordt de indruk gewekt dat de auteurs vooral vinden dat er te veel wetenschap wordt bedreven, en vooral: wordt gepubliceerd. Van de geesteswetenschappen beweren de auteurs dat de “maatschappelijke abdicatie”, begonnen in de jaren 70, twee vormen kent (blz. 21):
1) “…er gingen steeds meer stemmen op om het leraarsberoep niet meer als de natuurlijke bestemming van de afgestudeerde te beschouwen”  en  “… het werd bon ton om het leraarsberoep vooral als de variant voor sukkels en kneuzen te beschouwen.”
2) “De andere verschijningsvorm van de maatschappelijke abdicatie van de humaniora elite is de groeiende beklemtoning van het onderzoek geweest.”
De lezer ziet het goed: volgens deze auteurs (waaronder opmerkelijk genoeg de zeer gerenommeerde historicus Wijnand Mijnhardt) moeten de geesteswetenschappen terug naar hun honk: voor de klas. Geesteswetenschappelijke valorisatiepogingen zijn ook al zo verwerpelijk: “Wat betekent valorisatie in de praktijk? “Dat geesteswetenschappers hun geweten kunnen sussen als ze na onvermoeibaar pluggen 2 minuten en 17 seconden met ons onderzoek in de Wereld Draait Door hebben mogen schitteren.” (blz. 22). Daar kunnen onderzoekers als Frits van Oostrom het mee doen!

Wat vinden de auteurs van de sociale wetenschappen? Zij menen dat met het citeren van een rapport van de Nederlandse sociologen over kwaliteitsbeoordeling volstaan kan worden om de sociale wetenschappen op hun plaats te zetten: “Wanneer het gaat om de programmering van het onderzoek, voldoet ook daar de huidige praktijk niet. De sociale wetenschappen functioneren toenemend in het luchtledige.” En “…verliezen de band met de nationale thuisbasis.” (blz. 20 e.v.)
Mijn commentaar is kort: de sociale wetenschappen omvatten meer dan slechts de sociologie (zie boven). De band met de samenleving is buitengewoon hecht, ook in onze sociologie, die zich bezighoudt met de bestudering van de gevolgen van sociale ongelijkheid, arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, jongeren en ouderen; de leefbaarheid van buurten, enz. De culturele antropologie van Utrecht houdt zich bezig met de studie van gewapende conflicten, revoluties en trauma’s, all over the world. En dan het onderzoek van de psychologie: preventie en interventie met betrekking tot psychologische stoornissen; de ontwikkeling en opvoeding van kinderen, samen met de pedagogen; de studie van posttraumatische stress, van rouwverwerking, van …Ik houd erover op: de auteurs hebben kennelijk geen kennis van de sociale en gedragswetenschappen, en weten dan ook niet hoezeer het wetenschappelijk onderzoek op die terreinen maatschappelijk van belang is en verweven met tal van maatschappelijke instellingen en stakeholders.

Ik zie geen heil in de voorgestelde weg: het mensdom informeren over de kleinmenselijke ellende van wat zich “achter de schermen” van de wetenschap zou afspelen. Ik ben het niet eens met wat er over de geesteswetenschappen wordt beweerd, noch over de sociale wetenschappen. Ik zie geen heil in welke voortgezette discussie dan ook over dit rapport. Ik kan dat zeggen, want ik ben bestuurlijk inmiddels zo goed als vrijgesteld en doe dus liever iets anders.

Dit artikel is onderdeel van het DUB-wetenschapsblog. Op het blog reageren wetenschappers in ingezonden bijdragen op de vraag: wat mankeert er aan de wetenschap, en wat is daarvoor de oplossing?

Facebook Twitter Whatsapp Mail