Foto Nina van der Bent

Hoe overleef ik het platteland

Body: 

Niet alle Utrechtse studenten zijn zoals Nina opgegroeid in een stad. De eerste dorpelingen en kleinstedelingen kwam ze tegen tijdens de Utrechtse Introductie Tijd. Behalve verbazing over het fietsvermogen van deze eerstejaars groeide met de jaren ook de liefde voor wat niet stads is.

Je zou studeren aan de UU misschien niet zo snel associëren met het platteland. Goed, De Uithof ligt weliswaar diep in de polder maar vooralsnog kwalificeert dit als Utrecht. Deze column heeft meer te maken met de studenten die naar Utrecht trekken en langzaamaan je vriendengroep infiltreren. Om deze studenten ‘boeren’ te noemen, is feitelijk onjuist en ronduit denigrerend, maar ze hebben wel meer met hun voeten in de klei gestaan dan ik dat ooit heb gedaan. Eigenlijk heb ik het dus nu over iedereen die niet rechtstreeks uit een (grote) stad komt en over wie ik me de laatste jaren rijkelijk heb verbaasd. 

De contouren van deze groep tekenen zich al af tijdens de introductieperiodes. Als je een takke-eind moet fietsen naar een skeere locatie ergens in Austerlitz, zullen zij niet klagen. Maar wat wil je ook als je gedurende je jeugd 15 kilometer naar school moest fietsen, door weer en wind. En mind you, deze anekdote stamt van de tijd ver voor dat de boomer de elektrische fiets had uitgevonden. Als introductiecommissies hun eerstejaars op deze manier willen afbeulen, komen ze er bij deze groep bekaaid vanaf. Fit als een hoentje stappen zij op hun stalen ros. Dat in tegenstelling tot wereldvreemden zoals ik die niet wisten dat er buiten de bebouwde kom andere dingen zijn dan toendra of woestijn.

Als je dan na de introductieperiode de culturele kloof hebt weten te overbruggen en een paar weken vol hebt weten te houden, wordt de kans aanzienlijk groot dat je zélf een keer naar het ouderlijk huis op het platteland gaat. Maak dan niet de cruciale fout door aan te bellen bij de voordeur. Dat werd in mijn eerste bezoekje aan de periferie gelijk afgestraft, want ik kreeg te horen dat de voordeur alleen gebruikt wordt bij begrafenissen en bruiloften. Voor geen van beide belde ik natuurlijk aan. Als gewoon bezoek dien je achterom te komen.

Daarnaast is het er waarschijnlijk koud, want het opstoken van zo’n enorme boerderij kost net zoveel als de gemiddelde bezemkast in Amsterdam. Ik zou je dus adviseren een extra trui in je tas te gooien. Je moet ook niet verbaasd kijken als je te pas en te onpas decoratieve meubelstukken tegenkomt. Ik ben gewend aan huizen van 50 vierkante meter waar decoratie hooguit aan de muur hangt, om ruimte te besparen. Op een boerderij is dat natuurlijk niet het geval, waardoor er prima in de hoek een stoel kan staan, waar niemand ooit op gaat zitten. Dit heet landelijk.

Zoals je kan horen, ben ik van ver gekomen. Maar uiteindelijk begin ook ik steeds meer in het plattelandsleven te passen. Dit merkte ik vooral toen ik laatst ergens de geur van mest rook en daar een positieve associatie bij had. Ter illustratie: vroeger wilde ik nooit met mijn oma naar de kinderboerderij omdat ik dat vond stinken. Bovendien hebben mijn schoonouders (non-ironisch) schapen en voor hun lammetjes reis ik graag af naar het verre Putten. Ik heb het fotografische bewijs bijgevoegd.

Facebook Twitter Whatsapp Mail