Non-bevindingen krijg je niet gepubliceerd

Body: 

Wetenschappers moeten niet alleen publiceren als de hypothesen bevestigd worden, maar ook wanneer dat niet gebeurt. Dat zou een les zijn van de Stapelaffaire. Maar Wilma Vollebergh ziet dat niet gebeuren. Tijdschriften zijn niet geïnteresseerd in publicaties over non-bevindingen.

Wetenschappers moeten niet alleen publiceren als de hypothesen bevestigd worden, maar ook wanneer dat niet gebeurt. Dat zou een les zijn van de Stapelaffaire. Maar Wilma Vollebergh ziet dat niet gebeuren. Tijdschriften zijn niet geïnteresseerd in publicaties over non-bevindingen.

Een van de dingen die bij de zaak van Stapel veel verwondering bij de commissie Levelt opriep – en in het kielzog daarvan ook bij wetenschappers en bij wetenschapsjournalisten – was dat sociaalpsychologen alleen hun positieve bevindingen zouden publiceren en non-bevindingen (niet bevestigde hypothesen) niet of nauwelijks.  Terecht wezen onderzoekers daarna op het feit dat deze publicatiebias in tal van disciplines voorkomt, en niet alleen door onderzoekers wordt veroorzaakt maar ook gestimuleerd wordt door de editors die het gevecht om publicatie in hun schaarse pagina’s moeten begeleiden. En  - dit niet geheel terzijde - hun tijdschrift onder de aandacht willen brengen.

De oplossing lijkt zo simpel: ook non-bevindingen moeten gepubliceerd worden. Maar gaat dat ooit gebeuren? Ik betwijfel het. Een voorbeeld dat raakt aan mijn eigen vakgebied (Child and Adolescent Studies). Alleen al  in het jaar 2012 werden er volgens het Web of Science bijna 70.000 wetenschappelijke artikelen gepubliceerd die ‘child’ of ‘adolescent’ als topic hadden. Wetenschapsbreed, dat wel, afkomstig uit tal van disciplines en met auteurs van over de hele wereld.

In die context zijn wij op dit moment hard aan het werk om nieuwe papers over ons lopende onderzoek te produceren die in dit publicatiegeweld kunnen opvallen, op zijn minst gelezen worden en liefst daarna ook geciteerd. Dat hebben wij nodig om in het geweld van de onderzoeksfinanciering (honoreringspercentages onder de 10%) te overleven. 

Ik kan tegen deze achtergrond eigenlijk maar één reden bedenken die editors er toe brengt om non-bevindingen te publiceren: als de opgestelde hypothese zo vanzelfsprekend is, dat het uitblijven van bevestiging hiervan iedereen opschrikt. En laat dat nu precies het soort hypothesen zijn waar je in de wetenschap buitengewoon moeilijk onderzoeksgeld voor krijgt, want wie is nu geïnteresseerd in toetsing van voor de hand liggende hypothesen? Kan ik íemand vinden die zo’n hypothese innovatief vindt, denk je?

Het is een klassieke Catch-22:  voor goede wetenschap moet je vernieuwende, opvallende en risicovolle hypothesen ontwikkelen, maar publicatie van onderzoek (ook een indicatie voor kwaliteit) is alleen verzekerd als hypothesen vanzelfsprekend zijn. Echte doorbraak is echter altijd de bevestiging van een onverwacht idee. En natuurlijk weten we dat aan elk onverwacht en goed idee minstens tien even onverwachte maar minder goede ideeen vooraf zijn gegaan. De grote vraag is dan, hoeveel we daarover willen lezen. Zeg het maar.

Facebook Twitter Whatsapp Mail