Onderwijskritiek

Body: 

Filosofen uit vroeger tijden klaagden regelmatig over de universiteit van hun tijd. Dat ontdekte Johannes ten Hoor. Alleen gingen deze klachten niet zo zeer over het gebrek aan vakantie en het minder bier drinken.

Filosofen uit vroeger tijden klaagden regelmatig over de universiteit van hun tijd. Dat ontdekte Johannes ten Hoor. Alleen gingen deze klachten niet zo zeer over het gebrek aan vakantie en het minder bier drinken.

Om te voorkomen dat mijn hersenen gedurende de zomermaanden al te zeer vervreemden van academische literatuur en in een lome stand-by-toestand belanden, behoort het altijd tot mijn voornemens ook gedurende de vakantie wat wetenschappelijk verantwoord leesvoer ter hand te nemen. Meestal strandt dat voornemen nog voor de tiende pagina, maar toch. Deze vakantie bereikte ik echter voetnoot twee op pagina 42 van Guido van Heeswijcks Tolerantie en actief pluralisme. In deze voetnoot werd kort melding gedaan van kritiek op de universiteiten in vroeger tijden.

‘Het is opmerkelijk hoeveel geleerden in de zestiende en zeventiende eeuw hun ongenoegen uitten over de opleiding die ze aan universiteiten hebben gekregen. Niet alleen de humanisten, maar ook figuren als Galileï, Bacon, Descartes, Hobbes, Glanville, Boyle, Locke en Newton ventileerden hun ontgoocheling over de universitaire opleiding van hun tijd, die geen rekening hield met de nieuwe ontdekkingen en haar programma’s daaraan weigerde aan te passen.’ Aldus voetnoot twee. Ook in de zestiende en zeventiende eeuw was er dus al wel het een en ander op te merken over het wetenschappelijk onderwijs. En niet alleen toen. Denk bijvoorbeeld aan de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer met zijn stevige kritieken op het onderwijs, te lezen in Middenstanders van de Wetenschap. Kritiek op de wetenschap en universitaire opleidingen is dus van alle tijden, en wellicht ook een van de inherente kenmerken van een academicus.

Vandaag de dag wordt er ook heel wat kritiek geuit op het universitair onderwijs. Maar er is een groot verschil. Als ik mijn medestudenten hoor klagen over onderwijsgerelateerde onderwerpen, gaat het als snel over geld. Grote woorden over onderwijskwaliteit, innovatie en investeren in topsectoren zijn vaak een rookgordijn. Angstbeelden over minder ver op vakantie en minder bier zuipen wegens langstudeerboetes en sociaal leenstelsel vormen de werkelijke voedingsbodem voor kritiek. Het idealisme van bovengenoemde wetenschappers en filosofen is de hedendaagse student vreemd. Studenten zijn vooral bezorgd om hun eigen hachje.

Toch staarde ik even tevreden voor me uit na het lezen van die voetnoot. ‘Het komt wel goed,’ dacht ik. Galileï en consorten kwamen er, wij komen er ook wel. Niet door met fluitjes, toetertjes en spandoekjes op het Malieveld te gaan staan. Wel door onszelf intellectueel te bewijzen en te laten zien dat wij die investering vanuit de maatschappij waard zijn. Niet door te zeiken uit eigenbelang, wel door constructief mee te denken in het belang van de wetenschap.

Toch maar eens aan pagina 43 beginnen een dezer dagen.

Facebook Twitter Whatsapp Mail