Op wie of wat moet WOinActie boos zijn?

Body: 

Universitair hoofddocent Vincent Crone van de opleiding Media & Cultuur demonstreerde vorige week vrijdag mee in Den Haag. Hij is boos, maar hij vraagt zich af op wie eigenlijk: op de overheid of op de universiteiten?

Vrijdag liep ik mee in de demonstratie van WOinActie tegen ‘de systematische onderfinanciering van het hoger onderwijs’. Maar had ik daar eigenlijk wel moeten zijn?

Aan het begin van de demonstratie hield Rens Bod, initiatiefnemer van WOinActie, een toespraak waarin hij strijdvaardig had geroepen: ‘Wij pikken dit beleid niet meer.’ En na afloop zei hij dat deze dag de geschiedenis in zou gaan als de dag dat de solidariteit terug is op de universiteit: 'Als we willen, kunnen we de hele boel platgooien, aan alle Nederlandse universiteiten'. Kloekmoedige taal, maar voordat we de boel platgooien, moet er wel duidelijkheid zijn wiens beleid we eigenlijk niet meer pikken. Waar ligt de oorzaak van de werkdruk en de belabberde positie van tijdelijk docenten. Ik ben daar boos over. Maar op wie of wat moet ik boos zijn?

Sociale- en geesteswetenschappers zijn sterk vertegenwoordigd bij het protest, zij hebben immers met name te maken met grote studentenaantallen en veel tijdelijk docenten. Toch is er ook binnen die kringen geen eensluidende diagnose van de oorzaak van het probleem. In onder meer opiniestukken van onze eigen Menno Lievers van filosofie en socioloog Willem Schinkel van de Erasmus Universiteit wordt beweerd dat wij toch ook vooral naar onszelf moeten kijken. Lievers lijkt daarbij de hoop op het voortbestaan van de Geesteswetenschappen al te hebben opgegeven (‘De samenleving kan heel goed zonder de geesteswetenschappen’. NRC). Hadden wij ons maar moeten blijven richten op Bildung en niet op research output.

Schinkel trekt in twijfel of meer geld iets zal veranderen (‘Waarom ik niet actievoer voor de universiteit'. De Groene Amsterdammer). Want, zo betoogt hij, wij voeren als universiteit zelf een zodanig beleid dat leidt tot uitbuiting. Bijvoorbeeld in de manier waarop wij onderzoek en onderwijs waarderen. Het is een herkenbaar beeld. Succes in onderzoek, en met name onderzoekfinanciering, legt de werkdruk onevenredig bij diegenen die niet succesvol zijn in het zich uitkopen uit het onderwijs. Dit betekent niet dat veel onderzoekstijd minder werkdruk met zich meebrengt, want je moet uiteraard wel die positie kunnen behouden en succesvolle aanvragen schrijven om niet terug te vallen tot diegenen die een grote onderwijslast hebben en weinig onderzoekstijd. Is dit het beleid dat wij niet meer moeten pikken? En, zijn wij dan ook niet zelf verantwoordelijk voor de instandhouding van dit systeem? (Rathenau: ‘Focus op excellentie is doorgeschoten’. DUB).

Het betoog van Schinkel was tegen het zere been van zowel Ido de Haan als Ingrid Robeyns (‘Hoe strijd te voeren om een betere universiteit’, De Groene Amsterdammer en ‘Is meer geld voor de universiteiten wel een oplossing?’ NRC) die voorrekenden dat het onrecht weldegelijk te herleiden is tot een groeiend tekort aan financiering vanuit de overheid. Het Rathenau instituut spreekt dit tegen en stelt dat er juist geld is bijgekomen. De VSNU bestrijdt dit weer en zegt dat het per student in ieder geval een kwart minder is geworden sinds 2000. Daarvan zegt het Rathenau dat dat niet waar is. De lump sum is weliswaar kleiner geworden, maar dat komt omdat het onderzoeksgeld nu anders wordt verdeeld. De bijdrage per student is zelfs hoger. (‘Waarom Nederlandse wetenschappers ‘voor het eerst in de geschiedenis’ gaan staken’. De Volkskrant. Kaya Bouma en Rik Kuiper). Is het dan zo dat in ieder geval een deel van het geld dat nu anders wordt verdeeld en uit de lump sum is gehaald, ten koste is gegaan van de financiering van het onderwijs?

Ik pik dit beleid niet meer, maar of het nou het beleid is geweest van de overheid die de universiteiten structureel heeft ondergefinancierd of het eigen beleid van de universiteiten die collectief zijn meegegaan in een systeem dat ten koste gaat van zichzelf, is mij niet duidelijk. Die discussie moeten wij voeren, met de overheid, maar ook zeker met elkaar. Hoe heeft het zover kunnen komen dat de universiteit een werkgever is geworden waarvan de medewerkers aangeven dat ze overbelast zijn (‘Drijfveren van onderzoekers 2018’. Rathenau) en de tijdelijke collega’s amper een toekomst kan worden geboden. Tot die tijd stel ik voor dat we boel nog even niet platgooien.

Facebook Twitter Whatsapp Mail