Schaken op het digitale onderwijsbord

Body: 

Praktisch gezien is het geven van online onderwijs goed te doen, maar is het een wenselijke vorm? Docent Marij Swinkels komt na een digitaal koffiemoment met collega’s tot de slotsom dat er wel wat essentieels mist aan college geven via de webcam.

Tijdens de dies van vorig jaar was de grote vraag wat de rol van de docent zou zijn in de wereld van morgen. Ik vertelde daar dat ik in het werk van Gert Biesta aanknopingspunten vind om over die vraag na te denken. Biesta veronderstelt dat onderwijs altijd van invloed zou moeten zijn in drie domeinen: kwalificatie (het verwerven van kennis en vaardigheden), socialisatie (deel worden van een gemeenschap, van tradities, van praktijken), en subjectivering (het mens-worden). Aandacht geven aan deze drie domeinen in onderwijs is ingewikkeld, want het vraagt van een docent om op verschillende ‘schaakborden’ tegelijk actief te zijn. Wat ik, net als u, toen niet wist, is dat de wereld van morgen waar het over ging, te maken zou krijgen met een pandemie, die het universitair onderwijs – en de kwaliteit daarvan – op haar grondvesten zou doen schudden.

De grote vraag waar ik nu mee rondloop is: hoe schaak je op de borden van het online onderwijstoneel? In onze ad-hoc en snelle crisisrespons naar online onderwijs hebben we niet heel lang stilgestaan bij die vraag - we waren wel even met andere dingen bezig! Maar, de ad-hoc keuzes hebben wel een effect, want het onlineonderwijs dat we tot nu toe verzorgen is vooralsnog voornamelijk gericht op de kwalificatiefunctie.

De transitie naar online was vooral een kwestie van snel schakelen om achterstand te voorkomen, met de hoop dat we snel weer terug zouden kunnen naar ‘normaal’. Vooralsnog zitten we met het vooruitzicht dat veel van ons onderwijs na de zomer ook nog grotendeels online zal plaatsvinden. Dat vraagt van docenten om ons over die grotere pedagogische vragen te buigen, iets waar onder andere ook UU-docent Bjorn Wansink ons toe opriep.

Barend Last van de Universiteit Maastricht, werkte alvast twee didactische scenario’s uit. In het eerste scenario, de campus lite, vindt de socialisatie en subjectiveringsfunctie vooral op locatie plaats, en de kwalificatiefunctie online. Bijvoorbeeld door mentoren die een klein cohort studenten offline begeleiden, of door offline ontmoetingen ten behoeve van kennismaking en groepsvorming boven offline aanbieden van inhoud te stellen. In het onderwijs dat online blijft, moet de didactiek worden verstevigd. In het tweede scenario, de virtuele campus, staat doorontwikkeling van onlineonderwijs centraal. Daarbij is onder andere het nadenken en inrichten van online interactie en actieve betrokkenheid online belangrijk om aan de verschillende functies van universitair onderwijs te kunnen voldoen.

Het zijn beide mooie en goed doordachte scenario’s, en het is dus niet onmogelijk om ook in een coronacrisis kwalitatief universitair onderwijs te kunnen bieden dat ingaat op die drie domeinen van Gert Biesta die voor mij – en vele anderen – als docent zoveel betekenen. Kortom: met de nodige aandacht en investeringen kunnen we ook hybride of virtueel goed onderwijs bieden.

Voilà, column af dacht ik. Maar toch, er bleef iets aan me knagen, en ik begreep het pas toen ik vandaag digitaal koffiedronk met een paar collega’s. De grote vraag is misschien niet of we kwalitatief goed onderwijs “lite” of “virtueel” online kúnnen geven, maar vooral ook of het wel iets is dat we wíllen geven? Hoe lang houden we het eigenlijk nog vol denken we, zonder fysiek contact met onze studenten, zonder de mogelijkheid om actief door een onderwijsruimte te bewegen, zonder dagelijkse praatjes met studenten en collega’s, zonder fietstochtjes door de binnenstad langs een stralend Academiegebouw? Tuurlijk, we zetten alles op alles om het zo goed mogelijk te kunnen doen, maar we voelen ook frustratie omdat online lesgeven ineens energie kost in plaats van energie oplevert, en we niet zelden met hoofdpijn uit onlineonderwijs en meetings komen.

Evenals in ons onlineonderwijs nu de druk op socialisatie en subjectivering voor studenten onder druk staat, drukt het ook op onze docenten: wat is die vertrouwde academische gemeenschap nog als die volledig online is? En wie ben ik nog als docent als ik alleen maar vanuit mijn werk- of slaapkamer les mag geven tegen een computer? Dat zijn naast het uitwerken van didactische scenario’s voor september, ook belangrijk zaken om bij stil te staan, al was het maar om te voorkomen dat we straks bij bosjes omvallen.

Facebook Twitter Whatsapp Mail