Een dictatuur van de rood gevlekte nek

Body: 

Onze campuscolumnist komt terug op een oude zaak die nog steeds actueel is. Wat mag nog wel en wat niet meer gezongen worden in de studenten- of studievereniging? En wie bepaalt dat eigenlijk?

Studenten- en studieverenigingen komen geregeld in het nieuws vanwege grensoverschrijdende praktijken. Als er op iemands hoofd wordt gestaan of als er drank wordt geschonken aan minderjarigen, behoeft het woord ‘grens’ geen toelichting. Deze valt immers samen met de wet. Soms biedt het wetboek echter geen houvast, zoals bij de schunnige liedjes die worden gezongen tijdens het introkamp van de studievereniging van Aardwetenschappen. Waar ligt in dit geval de grens?

Een berucht lied uit de zangbundel gaat als volgt:

‘Mijn moker is mijn derde been.
Ik ram er stenen mee kapot.
Maar ’k douw ’m liever in je grot.’
Dat vindt het meisje ‘wonderbaar’, blijkt later in de tekst, maar wel wat ‘raar’.
‘Want ik ben pas veertien jaar.’

‘Ontoelaatbaar en onaanvaardbaar,’ luidt het oordeel van de universiteit. Men schort de financiering van de studievereniging op en inmiddels is het liedje uit de zangbundel verwijderd. De ‘zogenaamd studentikoze’ tekst zou haaks staan op het beleid dat diversiteit als speerpunt heeft. Ik twijfel er echter aan of dit werkelijk de doorslaggevende factor is.

Als studentenliedjes niet mogen conflicteren met een diversiteitsideaal, dan is geen zangbundel veilig. Tijdens mijn introductiekamp van studentenvereniging UMTC zongen wij als mannelijke aspirant-leden: ‘Wij zijn de jongens van de landbouwhogeschool. We willen zááien, we willen zááien, we willen zaaien als dat kan.’ Hierop repliceerden de vrouwen: ‘Wij zijn de meisjes van het confectieatelier, we willen nááien, we willen nááien, we willen naaien als dat kan.’

De genderrollen in dit lied zijn het tegenovergestelde van divers: de mannen studeren en de vrouwen zitten ergens kleren in elkaar te naaien. Bovendien kan de structuur van het lied door een genderfluïde iemand als hoogst ongemakkelijk worden ervaren. Als diversiteit de meetlat is, scoort dit liedje een onvoldoende. Is het daarmee volgens de universiteit automatisch ‘ontoelaatbaar en onaanvaardbaar’? Ik denk het niet.

Zodra de aardwetenschappers in spe zijn teruggekeerd van hun introkamp, bekijken twee ouders de zangbundel van hun dochter. Ze schrikken zich kapot. Met rode vlekken in hun nek trekken ze aan de bel. Doorslaggevend in het oordeel van de universiteit lijkt niet zozeer een diversiteitsideaal, maar eerder de fluïde grenzen van het fatsoen, die zichtbaar worden in de rood gevlekte nekken van de ouders. Een relatief onschuldige wens van boeren in opleiding of naaisters laat de gemiddelde ouder niet in de stress schieten. De bezongen penetratie van een minderjarig meisje wél. Om een grens te baseren op de fatsoensnormen van ouders gaat echter ver. Als ik alle gedachten moet inslikken die mijn moeder aanstootgevend zou kunnen vinden, veranderen mijn familiebezoeken in stilteretraites.

Wie een groep achttienjarige aardwetenschappers op kamp stuurt, weet dat het woord pik niet alleen als voorzetsel van houweel wordt gebruikt. Hoe ver deze schunnigheid mag gaan, valt over te twisten. En dat moet ook gebeuren. Misschien zijn de bezwaren van fatsoensrakkers al verholpen als er niet meer wordt gezongen over pedofilie, of als de mannen in de liedjes ook af en toe door de vrouwen worden gepenetreerd. Hierover kunnen de betrokken partijen in dialoog gaan. Doordat de universiteit echter meteen de financiële guillotine tevoorschijn haalt, dreigt het vrije woord te worden onthoofd door een dictatuur van de rood gevlekte nek.

Facebook Twitter Whatsapp Mail