Fantoompublicaties

Body: 

Niet alleen een artikel van Diederik Stapel met verzonnen data kan een toptijdschrift halen, zelfs een geheel verzonnen artikel kan blijkbaar jarenlang op een publicatielijst blijven circuleren. Marian Joëls staat perplex.

Deze week heb ik weer een Science publicatie geschreven. Als u nu denkt dat ons werk regelmatig in Science verschijnt, moet ik u snel uit de droom helpen. In mijn hele loopbaan is dat maar tweemaal gebeurd.

Niet alleen een artikel van Diederik Stapel met verzonnen data kan een toptijdschrift halen, zelfs een geheel verzonnen artikel kan blijkbaar jarenlang op een publicatielijst blijven circuleren. Marian Joëls staat perplex.

Deze week heb ik weer een Science publicatie geschreven. Als u nu denkt dat ons werk regelmatig in Science verschijnt, moet ik u snel uit de droom helpen. In mijn hele loopbaan is dat maar tweemaal gebeurd.

De uitdrukking hoorde ik voor het eerst toen ik als postdoc werkte in een bekend instituut in San Diego. Mijn baas bleef onder het mom van ‘deze week schrijf ik onze Science paper’ een paar dagen thuis, waar hij het surfen aangenaam combineerde met het schrijven van het artikel. Ik was nog vrij groen in de wetenschap maar wel zo ervaren dat ik dacht “ja ja, eerst zien, dan geloven”. Niet lang daarna werd het artikel inderdaad zonder al te veel commentaar geaccepteerd door Science. Wat ik er nog niet bij heb verteld, is dat de directeur van het instituut als editor (later zelfs editor-in-chief) aan Science was verbonden, dus de lijntjes waren kort. Dit is de belangrijkste les die ik in die zes maanden in Californië heb geleerd: de snelste route naar een publicatie in Science of Nature loopt via mensen die zeer goed ingebed zijn in het circuit. Het is niet uitgesloten om in deze tijdschriften te komen als je buiten het circuit zit, maar de aanloop is toch heel anders dan wanneer je even opbelt naar de board om te horen of ze belangstelling hebben voor je meest recente werk.

Niettemin heeft de uitdrukking stand gehouden. Als we in het lab iets heel bijzonders te melden hebben, schrijven we het artikel in het format van Science en sturen het in. Zolang het nog onder behandeling is –en dat varieert van twee dagen tot drie maanden, al naar gelang het type van afwijzing- is het ‘onze Science publicatie’. Pas als het afgewezen is verandert het artikel in een PNAS publicatie, niet voor niets vaak als afkorting gezien van Probably Not Accepted in Science.

Thuis gebruiken we het zinnetje vaak als running gag. “Ben jij op het moment ook bezig met een Science paper” vraag ik dan bij het avondeten aan mijn echtgenoot. We hebben er wel eens over gefantaseerd dat we die grap nog verder kunnen voeren door het artikel op te maken in de stijl van Science en het rond te sturen naar collega’s. Naar ons idee zou het zeker wel een dag duren voordat iemand er achter kwam dat dit een grap was. Inmiddels hadden ze wel allemaal het werk gelezen en waarschijnlijk als bijzonder geregistreerd. En terecht, je stuurt niet zomaar iets naar Science, dat is je beste werk.

Wat bij ons een gedachtenexperiment is, is voor anderen werkelijkheid geworden. Vorig jaar waren de droompublicaties van Diederik Stapel in het nieuws. Ook in Science gekomen, maar dan op basis van bij elkaar gedroomde data. Als je dat kundig doet, duurt het heel lang voordat het uitkomt; misschien wel nooit. Deze week blijken er niet alleen droompublicaties maar ook fantoompublicaties te bestaan. In plaats van de moeite te nemen data te verzinnen ben je natuurlijk nog sneller klaar als je verzint dat je publicaties hebt: ze bestaan gewoon niet, zoiets als onze Science papers, maar nu niet meer als grap.

Om twee redenen wilde ik hier toch even bij stil staan. Ten eerste is dit opnieuw een knauw voor de geloofwaardigheid van de wetenschap. Bij het grote publiek blijft toch vooral één ding hangen: wetenschap kun je ook al niet vertrouwen. Het laatste bolwerk van zekerheid in onze maatschappij is gevallen. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, en we kijken inmiddels naar de staart van een hengst die weggaloppeert.

Daarnaast vind ik het opmerkelijk dat fantoompublicaties zo lang voor echt kunnen doorgaan. In ons fantasietje zou dat maar een dag duren, maar als je niet kiest voor een toptijdschrift kun je blijkbaar jaren ongecontroleerd doorgaan. Mogelijk is het ook afhankelijk van het vakgebied, dat kan ik niet goed beoordelen. Goede documentatie van publicaties helpt beslist: In veel vakgebieden weet je met één druk op de knop precies hoeveel publicaties iemand heeft geproduceerd en hoe vaak die geciteerd zijn. Maar hier is wel een zenuw blootgelegd. Zit iedereen dan zo in zijn eigen cocon dat we niet eens meer de tijd nemen om andermans werk te lezen? Leven we dan in één grote fantasiewereld behalve de werkelijkheid van ons eigen kokertje? Ik sta perplex.

Facebook Twitter Whatsapp Mail