Inspanning voor visitatie is buitenproportioneel

Dit academisch jaar nog worden twee van de opleidingen gevisiteerd van onderwijsdirecteur Mariëtte van den Hoven. Ze geeft een kijkje in de keuken hoe ze op zoek gaat in het woud der regelingen.

Ik mag van geluk spreken. Mijn directe collega is voorzitter van het landelijk overleg waar afspraken over de samenstelling van een commissie voor visitatie van opleidingen worden gemaakt, en waar een landelijk ‘referentiekader’ wordt vastgesteld. Ik zit dicht bij het vuur, mag suggesties doen en hoor uit eerste hand wat er besloten is.

Er moet worden gevisiteerd. Onze zuiderburen schijnen het hele circus al te hebben afgeschaft, maar wij zijn binnenkort aan de beurt voor deze lakmoesproef. Omdat niet alle opleidingen bij Geesteswetenschappen de vorige ronde goed hebben doorstaan, is iedereen alert en misbruik ik dit gegeven al een jaar lang door iedereen met enige regelmaat te wijzen op de komende visitatie. Het legitimeert vernieuwingen en het strenger naleven van onszelf opgelegde regels.

Onderwijskwaliteit is ontzettend belangrijk, en de (voormalige) onderzoeksslogan van de UU lijkt zelfs beter geschikt voor het onderwijs ‘onderwijs is nooit af’. Toch is de inspanning voor een visitatie wel een beetje buitenproportioneel.

Alleen al de zoektocht hoe je zoiets, als redelijk broekie in onderwijsdirecteurenland, moet organiseren. Ik ben al een paar maanden aan het hamsteren (documenten, procedures, overzichten) en probeer helder te krijgen wie wanneer aan zet is.

Tot op heden zonder veel resultaat, maar sinds kort pas voor het eerst met de volledige duidelijkheid dat het allemaal mijn verantwoordelijkheid is. Hoe moet je dan tegen zo’n visitatie aankijken? Is zo’n visitatie niet een cumulatief hoogtepunt van allerlei thermometers die we in opleidingen steken; van cursusevaluatie tot NSE, van onderwijsgesprekken tot en met proefboringen van examencommissies?

De nachtmerries van commissies die scripties naar de prullenbak verwijzen en melden dat afstudeerders een waardeloos diploma hebben, wil je graag voorkomen. Is daar aanleiding toe? Nee, natuurlijk niet, kwaliteitszorg is een belangrijk onderdeel van opleidingen aan de Universiteit Utrecht. Het is een cyclisch proces waarin elk onderdeel steeds opnieuw gecheckt, aangepast, bedacht en uitgevoerd wordt. Volgens het kader van de NVAO gaat vooral daar op gelet gaat worden: de zelfstudie laat ‘de reflectieve cyclus die de instelling doorloopt (zien) om kwaliteit te waarborgen en telkens te verbeteren: van visie en doelstelling naar uitvoering, van evaluatie en resultaten naar verbetering en ontwikkeling.’

Dit klinkt allemaal mooi, maar een goede opleiding begint en eindigt natuurlijk altijd met goed onderwijs: als docenten kundig en enthousiast zijn en studenten fair beoordelen is onderwijs in de basis goed, lijkt mij. Dit moet je echter kunnen laten zien, en dan komt er een andere laag in je organisatie voor het voetlicht, een laag die vaak wat minder goed georganiseerd is, en die de concrete interactie in het onderwijs ook niet laat zien: studiehandleidingen, toetsen, studenttevredenheid en ga zo maar door.

De hamvraag is hoe je dat zo goed mogelijk kunt laten zien, dus hoe je dat opschrijft, presenteert. Daarmee voel ik me eigenlijk toch als de student die voor een zwaar tentamen blokt: je zoekt naar aanwijzingen, naar voorbeeldvragen, naar mensen die het al eens hebben gedaan om van hun kennis te profiteren. Tegelijk wordt het ook tijd om te gaan schrijven en te wachten op een definitieve datum waarop de commissie langs zal komen…

Advertentie