55.000 proefdieren

Body: 
Zevenhonderdduizend gewervelde dieren. Dat is hetforse aantal dat jaarlijks wordt gebruikt voor een breed scala aanexperimenten op medisch en toxicologisch gebied. De UniversiteitUtrecht beschikt over bijna vijfenvijftigduizend proefdieren, diesinds 1989 zijn gehuisvest in het GemeenschappelijkDierenlaboratorium (GDL). Ter gelegenheid van het tweede lustrumnam het U-blad een kijkje in de opmerkelijke wereld van geiten,beagles en genetisch gemodificeerde muizen.


De honden worden elke dag een uurtje buiten gelaten

Honden, muizen, katten, konijnen, geiten en varkens.In het GDL zijn ze allemaal te vinden. Een dagje meelopen met dedierenverzorgers geeft meer duidelijkheid over de omstandighedenwaarin proefdieren leven.

"Mwèèèè." Toon Hesp heeft de deur nog nietopengedaan of de ruim dertig geiten in verblijf GB3 verwelkomen hetbezoek met een opgewekt gemekker. Nieuwsgierig steekt een groot witbeest zijn kop door het hek om te proeven hoe mijn jas smaakt,terwijl zijn broer nou eindelijk wel eens van de fotograaf wilweten hoe zo'n fototoestel precies werkt. "Je ziet het", grinniktHesp die als 'biotechnicus' verantwoordelijk is voor de verzorgingvan de dieren in het GDL, "ze zijn in ieder geval nog nieuwsgieriggenoeg..."

De geit is maar een van de talloze diersoorten in het GDL.Geiten zijn wel de beesten die vaak het langst meegaan. "Sommigevan hen zitten hier echt al jaren", vertelt Hesp, "ze zijn alsjonkie gekomen en lopen hier nu nog steeds vrolijk rond." Voor veelonderzoeken is een jarenlange observatie noodzakelijk. "Een tientalgeiten heeft als jonkie ijzeren pennen in het bot gekregen, entijdens de jaren wordt onderzocht hoe deze pennen zichontwikkelen", zegt Hesp. Vanwege het besmettingsgevaar mogen degeiten nooit naar buiten. "Er zwerven buiten veel te veelbacteriën rond, dat risico kunnen we niet nemen. Ik denktrouwens niet dat die geiten het missen, verstandelijke vermogenshebben ze toch niet?"

Een van de meestgebruikte proefdieren in het GDL is de muis,vertelt biotechnicus Mariska Peters. Peters werkt op de afdeling'kleine proefdieren' waar zich duizenden muizen en ratten inkooitjes bevinden. Een doordringende geur komt je tegemoet zodra jede eerste deuren openslaat. Het werk houdt volgensdierenverzorgster Peters meer in dan 'alleen de beestjes voeden enverschonen'. Om bacteriën buiten te houden moeten we een witteoverjas en witte klompen aan, dan mogen we mee naar binnen.

"Ik verschoon de knaagdieren eens per week, maar controleer elkedag of de bakken niet nat of vies zijn", zegt de dierenverzorgster."Ze krijgen in principe ook één keer per week vers voer,maar als het op is krijgen ze wel nieuw." Het GDL herbergt tallozekamertjes die vol staan met opeengestapelde bakken met daarin eenstuk of acht muisjes. Sommigen hebben een nestje jongen, want erwordt ook zelf gefokt. Peters zegt dat het vrijwel onmogelijk iseen exacte indicatie te geven van het aantal muizen dat zich in hetgebouw bevindt, maar dat het er heel veel zijn staat vast.

Staartpuntje

Peters doet meer dan de dieren verzorgen. Zo geeft ze de muizenoormerkjes en moet ze controleren of de diertjes transgeen zijn(kijken of er iets is veranderd in het gen). Dit doet ze de enekeer door bloed af te nemen, de andere keer door het staartpuntjeeraf te knippen. Peters vindt het geen vervelend idee dat demuisjes op een onnatuurlijke manier aan hun einde komen en gebruiktworden voor allerlei proeven. "De wetenschap wordt op deze maniergeholpen en dat vind ik heel interessant. Het welzijn van de diereninteresseert me natuurlijk ook, want zonder gezonde dieren is erook geen goed onderzoek mogelijk."

Volgens Peters scheelt het wel of je op de afdeling muizen of deafdeling honden werkt. "Met honden krijg je toch veel eerder eenband, omdat die op de een of andere manier veel dichter bij jestaan." Biotechnicus Toon Hesp beaamt dit. "Ik heb het er soms bestmoeilijk mee wanneer er weer een hond of geit afgemaakt moetworden. Tsja, wanneer we de dieren niet meer kunnen gebruikenmoeten ze dood. Dat staat in de wet. Je kan je er in dit werk niette veel van aantrekken. Dan ga je kapot. Om die reden maken wijnooit onderscheid tussen de dieren en geven we ze geen namen.Uiteindelijk worden ze toch gecremeerd."

Iedere nieuwe afdeling die betreden wordt, vereist weer eennieuwe overjas en klompen. Of blauwe plastic overschoentjes, wat jewilt. De biotechicus vertelt dat 'hoe groter de dieren, hoe'viezer' het wordt'. Hiermee bedoelt hij dat de hygiëneregelsbij de muisjes optimaal zijn, omdat dit hele kwetsbare diertjeszijn. Bij de varkens is het veel moeilijker om de zaak helemaalschoon te houden, en daar is het dus ook minder hygiënisch. Degeuren worden er naarmate de rondleiding volgt overigens ook nietbeter op.

Om te zorgen dat de bacteriën van de geiten nietovergedragen worden op de muisjes, is het verboden zomaar van deene naar de andere afdeling te lopen. Dat vereist een speciaalpasje en de verplichte kledingswitch. De afdeling waar de muizengefokt worden is het strengst beveiligd. Hier mag je alleen in naeen douche en gekleed met mondmasker, kapje, handschoenen enspeciale jas. De werknemers mogen onder het werk ookgeen gebruikmaken van het toilet, of iets eten of drinken. "Ach, het maakt weldat ze harder werken", lacht Hesp.

In een kamer voor de konijnenafdeling zit een tiental ratten inmetabolenkooien, ook wel stofwisselingskooien genoemd. Petersvertelt dat ze dit een nare ruimte vindt. "De dieren kunnen zichnauwelijks bewegen, en hun pootjes schieten tussen de tralies vanhet rooster door." De ratten bevinden zich 24 uur lang in eenvreemdsoortige kleine kooi, met daarboven een ingewikkeld apparaatdat nauwkeurig bijhoudt hoeveel voedsel en water de rat tot zichneem. Onder het rooster waarop de rat zit bevindt zich een bak diede urine en ontlasting van de rat opvangt. Door deze proef kunnenonderzoekers exact aangeven wat het verband tussen de voeding en deontlasting van de rat is.

Galblaas

Sinds 1 januari 1978 moet er geregistreerd worden hoeveelproefdieren er gebruikt worden, en wat er met hen gebeurt. Hetproefdiergebruik is sindsdien met de helft afgenomen. "Er istegenwoordig veel meer mogelijk met statistiek en computermodellen.Toch denk ik niet dat proefdieren in de toekomst helemaal gaanverdwijnen. Dierenartsen en artsen in opleiding zullen toch op deéén of andere manier aan praktijkervaring moeten komen",aldus Hesp.

Om dit voorbeeld te illustreren laat hij de operatiekamer zien,waar een instructie van aankomend chirurgen gaande is. Bij wijzevan training voeren tien studenten een kijkoperatie uit op tweevarkens. Herman Koning begeleidt deze operatie. "De studenten lerenom een operatie uit te voeren met behulp van een camera. In debuikwand van het varken zijn twee 'pennen' en een cameraaangebracht. Het is de bedoeling dat ze vanmorgen de eierstokken,en vanmiddag de galblaas van het varken verwijderen. Op een schermkunnen ze precies zien waar ze de pennen heen moeten bewegen om ditvoor elkaar te krijgen." Varkens worden meestal gebruikt voorproeven met betrekking tot hart- en vaatziekten, of onderzoek vanhet darm- en maagstelsel omdat dit bijna identiek is aan dat van demens.

Bij de honden is het een stuk gezelliger dan in de o.k.. Eenstuk of tachtig beagles lopen hier vrolijk blaffend door hunhokken. Het is een bewuste keuze dat het GDL alleen deze kleinezwartbruine hondjes in huis heeft, en geen andere soorten. "Hetzijn hele lieve hondjes. Zolang ze maar genoeg aandacht krijgen isalles best. Bovendien is het handig dat ze vrij klein zijn. Je kuntje voorstellen dat het voor experimentele chirurgie niet handig iseen golden retriever te gebruiken. Wanneer zo'n hond nog ondernarcose is sjouw je je een breuk", zegt Hesp. De honden worden elkedag op een binnenplaats een uurtje buiten gelaten, zodat ze evenmet elkaar kunnen dollen. De rest van de dag zitten ze in vrijruime hokken, van elkaar gescheiden door tralies. Op trotse toonvertelt Hesp dat 'honden het hierqua ruimte beter hebben dan in eendierenasiel, en qua hygiëne ook trouwens."

Dagelijks zijn er in het GDL zo'n 150 verschillende onderzoekengaande. Het konijn is na de muis het meestgebruikte proefdier. Ingrote bakken bevinden zich ongeveer vierhonderd pluizige wittekonijnen. Deze worden voornamelijk voor orthopedisch onderzoekgebruikt. Dat is handig omdat konijnen zulke lange poten hebben.Terwijl de konijnen een aanval doen op hun brokjes schalt door deruimte het vrolijke deuntje Mambo nr. 5. Het was al eerderopgevallen dat er overal in het gebouw muziek aanstaat. Hesp legtuit waarom. "Die muziek staat van 7 tot 7 aan om te voorkomen datde dieren schrikkerig worden. Zoveel mensen zien ze natuurlijkniet. En het houdt ze een beetje bezig, ons ook trouwens."

Fleur Baxmeier


Proefdieren en dierproeven

Terwijl in 1978 in ons land nog jaarlijks 1,6 miljoenproefdieren werden gebruikt, is dat aantal inmiddels teruggelopentot zevenhonderd duizend. Meer dan de helft van die dieren hebbenoverigens nauwelijks last van de proeven, zoals bijvoorbeeld depoezen die in het GDL worden gebruikt om vlooienbanden uit tetesten. Volgens een officiële registratie ondervindt 55procent van de dieren weinig ongerief, 25 procent matig en 20procent veel ongerief van de experimenten.

Proefdieren worden voor de volgende doeleinden gebruikt(getallen in percentages):

Het uittesten van nieuwe geneesmiddelen: 23

De productie van vaccins: 21

Kankeronderzoek: 13

Testen veiligheid stoffen: 10

Onderzoek naar hart- en vaatziekten: 4

Onderwijs: 1

Overige doelen: 28

In 1998 werden in het GDL de volgende aantallen proefdierengebruikt:

Muizen 29901

Ratten 20438

Cavia's 3052

Konijnen 631

Hamsters 428

Varkens 297

Katten 51

Geiten 43

Honden 38

Vogels 4

Grootste verbruikers waren in 1998:

Geneeskunde 25806

Farmacie 11258

Diergeneeskunde 6813

Biologie 4269

Externe klanten 3170

GDL 2751*

AZU 499

Scheikunde 317

*Het betrof hier de zogeheten 'knock-out' muizen die door hetGDL genetisch zijn gemodificeerd.

EH


Een rechtstreekse verbinding tussen dunne darm en anus

Het uitproberen van nieuwe operatietechnieken voormenselijke patiënten is één van de doeleindenwaarvoor proefdieren in het GDL worden gebruikt. Vorig jaaropereerden chirurgen uit het AZU achttien varkens om zo'n nieuwetechniek te testen. Daarbij wordt de dunne darm rechtstreeksaangesloten op de anus.

Ongeveer zestienduizend patiënten lijden in ons land aaneen slijmvliesziekte van de darmen die het nodig maakt om de dikkedarm en vaak ook de endeldarm te verwijderen. Om te voorkomen datde patiënten na de ingreep met een stoma door het levenmoeten, werd twintig jaar geleden in Engeland de zogeheten'pouch'-operatie ontwikkeld. Na verwijdering van de dikke darm ende endeldarm wordt in het laatste stukje van de dunne darm eennieuwe blaas gemaakt (een 'pouch'), die vervolgens wordtaangesloten op de sluitspier van de anus. Weliswaar werkte deingreep, maar een probleem was dat in een kwart van de gevallenernstige complicaties optraden, zoals abcesvorming, incontinentieen erectieproblemen.

Vier jaar geleden startten chirurgen in het AZU daarom met deontwikkeling van een alternatief. Van de endeldarm werd nu alleenhetslijmvlies weggehaald, terwijl het laatste stukje van de dunnedarm juist werd ontdaan van spieren en bindweefsel, zodat daarvanalleen het slijmvlies overbleef. Door dat slijmvlies als het warein de endeldarm te schuiven werd dus een nieuwe verbinding totstand gebracht, met als groot voordeel dat de sluitspier van deanus nu intact bleef.

Voordat de nieuwe techniek kon worden toegepast op mensen, werdhij eerst uitgetest op dieren, want de vraag was of het slijmvlieszou overleven en of de endeldarm na de ingreep zijn werking zoubehouden. Gekozen werd voor een test op varkens omdat hetdarmstelsel van mens en varken zo op elkaar lijken dat het verschilzelfs voor kenners moeilijk te zien is. Pas toen bij achttienvarkens bleek dat de ingreep succesvol was en dat ook na geruimtetijd geen complicaties optraden, werd begin dit jaar de eerstepatiënt op de nieuwe manier behandeld.

Inmiddels is de operatie in Utrecht nu op twaalf patiëntenuitgevoerd en volgens chirurg H. van Laarhoven zijn die ingrepenzonder uitzondering succesvol verlopen. Hoewel de verenigingProefdiervrij aandringt op het ontwikkelen van alternatieven voordierproeven, stelt Van Laarhoven dat hij in dit geval geenalternatief had kunnen bedenken. "Zonder dierexperimenteel bewijsvan het succes zou ik het niet hebben aangedurfd om de operatie oppatiënten uit te voeren."

EH