Academische Omnivoren

Body: 
Bundel over Utrechtse geleerden tussen universiteit ensamenleving



Geen weldenkend mens zal de universiteit nogkenschetsen als een Ivoren Toren. In de eerste plaats omdat ditbegrip door het intensieve gebruik wat sleets is geworden. In detweede plaats omdat het evident is dat de universiteit allang ineen open verbinding staat met alle aanpalende gebieden. Datbewijzen ook de negen portretten van Utrechtse geleerden in hetboek 'Beroep op de wetenschap'.

Het hoger onderwijs is toegankelijk voor een ieder die zich erop basis van intellect en belangstelling voor kwalificeert. Hetonderscheid tussen toegepaste en fundamentele wetenschap heeft allebetekenis verloren. De eerste, tweede en derde geldstroomvloeien

samen, vrijwel meteen nadat zij het Lobith van de academischewereld zijn gepasseerd. Onderzoek wordt mede aan zijnmaatschappelijke relevantie getoetst. De universiteit neemt demores van het bedrijfsleven over, getuige de verzakelijking van debedrijfsvoering.

En de student? Die ontzegt zichzelf al jaren de genoegens vanhet dolce far niente; het academisch Arcadia - gesteld dat dat ooitheeft bestaan - is verwoest, en vrijwel niemand lijkt het tebetreuren.

De beeldvorming van "de universiteit die allang niet meer is watze wordt verondersteld ooit te zijn geweest" heeft iets weg van eeninvented tradition. Er manifesteert zich dezer dagen dan ook eenbehoefte om met de mythe van de besloten universiteit af terekenen. Zo verdedigde de Wageningse filosoof Peter Baggen vorigjaar september een proefschrift waarin hij poogde aan te tonen datop de sereniteit van weleer wel wat valt af te dingen. Ook in denegentiende eeuw werd de universiteit op haar maatschappelijkeverantwoordelijkheid aangesproken, was van sociale exclusiviteitgeen sprake en was het hoger onderwijs onderhevig aan deturbulentie van een grillige overheid en een gretige markt.

Diezelfde motivatie - het relativeren van dediscontinuïteit in de universiteitsgeschiedenis - gaf deaanzet tot een opstellenbundel over spraakmakende engezichtsbepalende Utrechtse hoogleraren. De roem van sommigen -zoals C.H.D. Buys Ballot, F.C. Donders en H.R. (Hugo) Kruyt -strekt zich tot deze tijd uit. Al was het alleen maar omdat er inUtrecht straten of gebouwen naar hen zijn vernoemd. Maar van demeesten is de naam slechts nog bij een enkele vakgenoot bekend.

Nietig

Neem Willem Gerard Brill (1811-1896), telg uit een bekenduitgeversgeslacht, holist avant la lettre. Als hoogleraarNederlands en Vaderlandse Geschiedenis heeft hij zich nadrukkelijkbinnen de culturele elite van Utrecht gemanifesteerd. Met eeneindeloze reeks pamfletten en voordrachten waarin hij het bezielendverband opriep van taalkundige fenomenen of van de Nederlandsegeschiedenis. Niet de details interesseerden hem, of de feiten -die hij zielloos achtte - maar de hoofdlijnen van het grote geheel,en het plan van God dat zich in de geschiedenis der mensheidmanifesteerde. In de nadagen van zijn professoraat stonden devakspecialisten op. Maar Brill bleef dapper en onbegrepen naarwijsheid streven. Want wijsheid leidde tot een hogere orde vaninzicht dan wetenschap.

Aan deze taakopvalting, waarmee Brill zich in zijn eigen tijd alver buiten de wetenschappelijke mainstream plaatste, ontleent dehedendaagse biograaf weinig houvast. Pogingen om 's mans werk enleven te duiden, culmineren in welwillend geformuleerde zinnenwaaruit blijkt dat hem geen enkele blijvende betekenis kan wordentoegekend. "Brills oratorisch talent zal veel hebben moetencompenseren", schrijft L. van Driel, de auteur van dezebijdrage.

Ook anderszins kon hij niet met zijn illustere tijdgenotenwedijveren. Op menigeen wekte hij de indruk de nietigheid van zijngestalte - hij mat anderhalve meter - met academische pretenties engeposeerde deftigheid te willen compenseren. In geen beschrijvingvan Brill ontbreekt een verwijzing naar zijn postuur. Brillscollega-hoogleraar Quak bracht in zijn 'Herinneringen' deprofessorenkransen ter sprake die zowel door de 'betooverende'Donders als door Brill werden bezocht. "Zijn kleine onaanzienlijkegestalte, gestoken in een iets te deftig voorkomen, maakte dat hijin een eenigszins grooten kring niet dadelijk de hem toekomendebelangstelling of aandacht, die hij zozeer verdiende, trok."

Maar de kleine Brill en de grote Donders hadden ook iets metelkaar gemeen. Dat hun biografische schetsen elkaar flankeren in debundel 'Beroep op de wetenschap', is door meer overwegingeningegeven dan dat zij tijdgenoten waren. Zij meden, net als deoverige geportretteerde hoogleraren, het isolement van de Academie.Zij wilden de gemeenschap dienen, en ieder deed dat op zijn eigenwijze. Zij waren actief op meerdere fronten, en ontleenden hunreputatie vaak aan werkzaamheden die zij in andere hoedanighedendan die van hoogleraar ontplooiden. Zo mocht de hoogleraar in denatuurkunde C.H.D. Buys Ballot in zijn eigen tijd dan als de'glorie van de Utrechtse hogeschool' hebben gegolden, dit lofdichthad feitelijk betrekking op zijn métier als meteoroloog. Heteenwas in zoverre van belang voor het ander dat de Utrechtseuniversiteit volop in de algemene eerbied voor Buys Ballot heeftkunnen delen, maar van een vruchtbare interactie tussen zijnacademische en buiten-academische werkzaamheden was nauwelijkssprake.

Integendeel. Noch als onderzoeker, noch als onderwijsgevendeheeft hij een verpletterende indruk op zijn tijdgenoten gemaakt.Uit frustratie hierover heeft hij in zijn levensmiddag 'demeteorologie als een speelpop ter hand genomen'. Daarbij ging hijniet als wetenschapper te werk, maar meer als verzamelaar vanweerkundige data waaraan hij een bepaalde wetmatigheid hoopte teontlenen. Daarbij achtte hij het stramien in zijn waarnemingen vangroter belang dan een mogelijke verklaring voor het gebodene. Hijwilde niet in de eerste plaats een bijdrage leveren aan detheorievorming rondom de meteorologie, maar aan haar praktischebetekenis voor - onder andere - de scheepvaart. In die zin was BuysBallot, aldus zijn biograaf F. van Lunteren, "het tegendeel van demoderne beroepsbeoefenaar."

Toepasbaarheid

En zo ontlenen alle hoogleraren die met een biografisch portretin 'Beroep op de wetenschap' zijn bedacht hun reputatie voor eenbelangrijk deel aan activiteiten die zij buiten de studeerkamerhebben ontplooid. Donders gold als 'weldoener der menschheid' opgrond van zijn inzet voor minvermogende ooglijders en zijn bijdrageaan de professionalisering van de optometrie (die tot dan toe hetdomein was geweest van kwakzalvende brillenventers). Kruytbelichaamde het maatschappelijk engagement van de onderzoeker.Fundamentele wetenschap ontleende haar betekenis niet aan vernuftmaar aan toepasbaarbeld - al was die niet altijd meteen zichtbaar.De bioloog Pieter Harting stelde zich teweer tegen de opmars dervakspecialisten die, zo meende hij "opperlieden (blijven) maarnooit architecten worden." Die rol was weggelegd voor deacademische omnivoren die de verschillende disciplines vandwarsverbanden wisten te voorzien. Mensen zoals Harting zelf. Hijzette zich niet alleen in voor de paalwormbestrijding, maar greepook het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog aan voorbespiegelingen over de ontwikkelingsgang der mensheid.

Soms doet het getoonde engagement verrassend eigentijds aan.Zoals de vermaning van de historicus G.W. Kernkamp aan zijnvakgenoten om zich meer rekenschap te geven van het lot van denaamloze onderworpenen van de geschiedenis. "Zelden wierpen zij eenblik in de werkplaats van den industrieel, het kantoor van denkoopman of de kajuit van den schipper; nooit overtraden zij dendrempel van de woning van den arbeider, of het krot van denproletariër." Nog herkenbaarder is debijdrage van Kernkamp aande eeuwige strijdvraag of de universiteit specialisten ofgeneralisten moet opleiden. En ook de wenselijkheid van een innigerelatie tussen wetenschap en bedrijfsleven hield hem bezig.

Sander van Walsum, Illuster


Beroep op de Wetenschap

De bundel 'Beroep op de wetenschap - Utrechtse geleerdentussen universiteit en samenleving' is de tweede publicatie diedoor de commissie geschiedschrijving van de Universiteit Utrecht isverzorgd. In 1995 verscheen onder auspiciën van deze commissiehet boek 'Ook al voelt men zich gewond - de Utrechtse universiteittijdens de Duitse bezetting 1940-1945' van de hand van Sander vanWalsum, toenmalig hoofdredacteur van het U-blad.

De commissie verricht haar werkzaamheden onder devleugels van de vakgroep Geschiedenis en wordt gesubsidieerd doorde Universiteit Utrecht. Momenteel onderzoekt de commissie demogelijkheden om een complete geschiedschrijving van de UU te doenverschijnen, die het wat gedateerd rakende standaardwerk van dehoogleraar Kernkamp 'De Utrechtsche Universiteit 1636-1936' zoumoeten gaan vervangen.

L. Dorsman (red.): 'Beroep op de wetenschap -Utrechtse geleerden tussen universiteit en samenleving1850-1940'.Uitg. Matrijs. Prijs: 49,95 gulden.