Calimero-effect in Duits-Nederlandse betrekkingen belangrijker dan oorlog

Body: 
In het boek 'Van vijand tot bondgenoot' dat morgen inAmsterdam wordt gepresenteerd neemt bijzonder hoogleraar moderneDuitse geschiedenis Friso Wielenga stelling tegen het clichévan het anti-Duitse Nederland. Meer dan vijf decennia na de TweedeWereldoorlog mag er volgens de historicus, die na negen jaar de UUverlaat, gesproken worden van een normale verhouding tussen tweebuurlanden.

Calimero-effect in Duits-Nederlandse betrekkingen belangrijkerdan oorlog

Het onderzoek dat bijzonder hoogleraar en universitairhoofddocent Friso Wielenga voor Van vijand tot bondgenootverrichtte voltrok zich in een periode waarin de onderlingeirritaties tussen de zwei ungleiche Nachbarn Nederland en Duitslandaanvankelijk aan de orde van de dag waren. In 1993 werden door hetInstituut Clingendael resultaten gepubliceerd van een onderzoeknaar het Duitsland-beeld van Nederlandse jongeren. Uit de cijfersbleek dat de jeugd zeer negatief stond tegenover Duitsland en deDuitsers. In hetzelfde jaar demonstreerden 1,2 miljoen Nederlandershun morele superioriteit door met een 'Ik ben woedend'-ansichtkaartte reageren op de aanslagen op asielzoekers in Solingen. Even laterwerd de nationale trots Fokker overgenomen door de Duitseindustriële grootmacht DASA en werd de kandidatuur van RuudLubbers voor het voorzitterschap van de Europese Commissiegeblokkeerd door de Duitse zwaargewicht Helmut Kohl.

De wrijvingen leidden toentertijd tot een ongekende opleving vande academische en publieke debatten over de verhouding tussenNederland en Duitsland. Algemene tendens in de bespiegelingen wasdat in Nederland een persistent anti-Duitsland-gevoel heerste.Wielenga weigerde echter "mee te huilen met de wolven in het bos".In zijn boek dat een verdere uitwerking is van het in 1989voltooide proefschrift over de Duits-Nederlandse betrekkingentussen 1949 en 1955 verzet de historicus, die per 1 september isbenoemd tot hoogleraar-directeur van het Centrum voorDuitslandstudies in Nijmegen, zich tegen het beeld van een al teproblematische buurrelatie.

Overwinnaar

Wielenga onderscheidt verschillende fases en niveaus in denormalisatie van onderlinge betrekkingen na 1945. De economischerelaties werden met steun van de publieke opinie al vrij snelhersteld. En toen de herbewapening van Duitsland in de jarenvijftig aan deorde kwam, was Nederland zelfs een van de eerstepleitbezorgers. De gevoelde noodzaak van een krachtige westersedefensie maakte dat Nederland zich neerlegde bij de "psychologischmoeilijke stap" om voormalige Wehrmachtofficieren in deEuro-Atlantische defensie op te nemen en Duitse soldaten opNederlands grondgebied te legeren. "Het verstand zegevierde wanneerde vitale belangen van Nederland in het geding waren", aldusWielenga.

Op een ander niveau, te weten de bilaterale Wiedergutmachung,verliepen de contacten in de eerste decennia na de oorlog veelmoeizamer. Bij zaken als grenscorrecties en restitutievraagstukkenbleek Nederland een zeer volhardende en lastigeonderhandelingspartner. Van Duitsland werd een schuldbewustehouding verwacht. De Duitsers zagen de Nederlandse vasthoudendheidbij een verdergaande westerse samenwerking echter als eenanachronisme. Wielenga: "Voor Nederland was de oorlog pas tien jaargeleden, voor de Duitsers was het àl tien jaar." Het verleiddeminister van Buitenlandse Zaken Luns ooit tot een uitval naar zijnDuitse gesprekspartner. "Wij zijn de overwinnaar. Was denken Sie."Het moeizame proces werd uiteindelijk in 1960 afgesloten met deondertekening van een akkoord tegen wil en dank. Deze'Generalbereinigung' zou drie jaar later worden geratificeerd. Debilaterale verhoudingen werden echter pas geheel genormaliseerdtoen Gustav Heinemann in 1969 als eerste Duitse bondspresidentNederland bezocht.

George

Het laatste gedeelte van Wielenga's boek staat in het teken vanwat de psychologische normalisering genoemd mag worden. Degeestelijke acceptatie van Duitsland als normale staat verliepvolgens Wielenga "veel grilliger en met meer golfbewegingen" dan deeconomische- en veiligheidspolitieke acceptatie. Perioden van groteonderlinge gevoeligheden zoals in het begin van de jaren negentigzijn er eerder geweest. De jaren zestig kenmerkten zichbijvoorbeeld door enkele uitbarstingen van antagonismen. Vooralrondom het huwelijk van Beatrix en Claus was er de nodige ophef.Wielenga stuitte tijdens zijn archiefonderzoek op beraadslagingenvan het kabinet Cals waaruit bleek dat het Koninklijk Huis gevraagdzou worden Prins Claus om te dopen tot prins George. Een'ontduitste' Claus zou voor de bevolking gemakkelijker teaccepteren zijn, zo was de gedachte. De vondst, een detail in hetboek, bezorgde Wielenga's boek behoorlijk wat voorpubliciteit.

Vooral na de Machtswechsel in 1969 toen met kanselier Brandt'een goede Duitser' aan het roer kwam werden de verhoudingen tussenNederland enDuitsland aanmerkelijk hartelijker. Gevoelighedenleefden echter keer op keer weer op. Vooral aan de linkerzijde vanhet politieke spectrum werd geprotesteerd ten tijde van het hardeDuitse anti-terreurbeleid eind jaren zeventig. En ook de groteherdenkingen van de jaren tachtig gaven aanleiding tot pijnlijkeaanvaringen.

Wielenga vertolkt de mening dat nieuwe spanningen veel mindermet de oorlog te maken hebben dan vaak wordt gedacht. "Wij zijngeneigd alles daartoe te herleiden, onvoldoende beseffend dat hetin veel gevallen gaat om structureel geprogrammeerdetegenstellingen." De hoogleraar denkt bijvoorbeeld dat een grootaantal problemen voortkomt uit een Nederlands 'Calimero-effect'.Duitsland is groot en Nederland is klein. Dat zorgt enerzijds vooreen afhankelijkheidsrelatie. Aan de andere kant is in de zoektochtnaar een eigen identiteit een grote buur om zich tegen af te zettenvan belang.

Volgens de bijzonder hoogleraar waren er ook in hetproblematische begin van de jaren negentig voldoende elementen dieer op wezen dat er niet alleen sprake was van anti-Duitsegevoelens. Nederland had zich bijvoorbeeld niet net als de Brittenen Fransen tegen de Duitse eenwording gekeerd, zoals vaak werdverondersteld. Het ministerie van Buitenlandse Zaken nam eerder eennuchtere en zakelijke houding aan. Dat desondanks het beeld bestondvan een wantrouwig Nederland is volgens Wielenga vooral te wijtenaan minister-president Lubbers die zich bij verschillendegelegenheden hoogst ongelukkig uitte. Ook demonstreert dehoogleraar door middel van verschillende opinie-onderzoeken dat deNederlander in vergelijking met andere Europeanen een grootvertrouwen had in het nieuwe Duitsland. "Associaties met een VierdeRijk waren incidenteel en vormden zeker niet de grondteneur."

Ophef

Wielenga hoedt zich er nadrukkelijk voor de Tweede Wereldoorlogvan tafel te vegen of de betekenis ervan te ontkennen. Toch denkthij dat ook zonder de Tweede Wereldoorlog structureletegenstellingen bepalend zouden zijn geweest voor de relatie tussende twee landen. De hoogleraar: "De oorlog wordt vaak gebruikt ombepaalde gevoelens op te roepen. Maar ik zou de spanningen dieoptreden graag willen ont-dramatiseren. We zouden moeten beseffendat het ook een beetje hoort bij een normale bilaterale relatie."Zo zet Wielenga "de hele ophef" over het voetbal ook in het juisteperspectief. "Op het veld is de tegenstelling groot-kleinverdwenen: met elf tegen elf kan Nederland net zo goed winnen alsDuitsland. Als dat gebeurt geeft dat Nederland hetzeldzamegeluksgevoel de grote machtige buur te hebben afgetroefd."

Volgens Wielenga mag er zeker na 1995 -het jaar waarin HelmutKohl een succesvol staatsbezoek aan Nederland aflegde- ook op hetpsychologische niveau van een normale buurrelatie worden gesproken.Daarmee trekt hij een andere conclusie dan bijzonder hoogleraarDuits-Nederlandse betrekkingen Henk Dekker die vorige week in hetU-blad sprak van een socialisatie van anti-Duitse gevoelens."Natuurlijk vindt er een overlevering van clichébeeldenplaats, maar ik onderscheid toch geen hardnekkig anti-Duitsvooroordeel dat voortdurend wordt overgedragen binnen gezinnen, opscholen of in de media. Ook de onderzoeken onder de jeugd na 1993wijzen daar niet op."

Wielenga vermoedt dat de verwikkelingen uit het begin van dejaren negentig een louterende en heilzame werking hebben gehad.Vooral in linkse kringen was het voorheen bon-ton om op badinerendewijze over Duitsland te spreken. Het lijkt er volgens de bijzonderhoogleraar op dat links-denkenden zich na deClingendael-enquête de vraag hebben gesteld in hoeverre zijschuld dragen aan het beeld dat jongeren hadden van Duitsland. "Indie periode is naar mijn gevoel een besef doorgedrongen dat datbeeld niet strookte met de Duitse werkelijkheid. Bovendien was hetin het kader van de Europese integratie van groot belang deversleten beelden los te laten."

Xander Bronkhorst

Friso Wielenga: Van vijand tot bondgenoot.Nederland en Duitsland na 1945, Uitgeverij BoomAmsterdam

ISBN 90 5352 386 3