Derde geldstroom voorkomt krimp in onderzoek

Body: 
Utrecht is een uitzondering

Het universitaire onderzoek is in 1997 voor het eerstin drie jaar tijd niet gekrompen. De overheid betaalde minderonderzoekers, maar dat werd goedgemaakt door een groei v an de'derde geldstroom'.

Volgens cijfers die de vereniging van universiteiten VSNUbinnenkort bekend maakt is er in 1997 door het wetenschappelijkpersoneel voor 14.131 mensjaar onderzoek gedaan, éénpromille meer dan het jaar daarvoor. Van 1993 tot 1996 was het onderzoekvolume van de universiteiten met bijna vijf procent afgenomen.Nu was er dus stabilisatie.

De bron van het goede nieuws was in 1997 niet de toenmaligeminister Ritzen. Uit zijn directe bijdragen aan onderzoek, de'eerste' geldstroom, konden 150 onderzoekers mínder betaaldworden: opnieuw een daling met twee procent. De pijn we rd ietsverzacht door subsidies van de landelijke organisatie NWO (detweede geldstroom). Maar alleen de contracten met derden(instellingen en bedrijven) konden inkrimping van het onderzoekvoorkomen. Deze derde geldstroom groeide met drie procent, tot 3.960 mensjaar.

Koploper

Niet alle universiteiten hielden hun onderzoekscapaciteit oppeil. Leiden en Groningen ging er vijf en zes procent (of: bijnahonderd mensjaar) op achteruit. Ook in Delft kromp het onderzoekmet vier procent. De grote boosdoener was bij alle drie de ee rstegeldstroom. In Delft nam die zelfs met elf procent af. De TU hieldde schade nog beperkt door een forse groei van de derde geldstroom(+ 12 procent).

De sterkste groei noteerden Nijmegen en Maastricht, met negen entien procent winst. In Limburg was de groei van het aantalstudenten vier jaar lang niet gepaard gegaan met meer onderzoek -al hadden ze daar wel geld voor gekregen. In 1997 maakte deuniversiteit de inhaalslag. Daarbij lukte het óók om forsmeer subsidies uit de tweede en derde

geldstroom binnen te halen.

Nijmegen dankt zijn vooruitgang aan een zeer sterke toename vanhet aantal onderzoekers uit de derde geldstroom (+ 23 procent).Deze groei komt voor bijna de helft door het Instituut voorToegepaste Sociale Wetenschappen (ITS). Dit zorgde ervoor dat dederde geldstroom in de Nijmeegse gammafaculteiten groeide van 73naar 111 onderzoekers.

Landelijk is de derde geldstroom nu goed voor 28 procent van deuniversitaire onderzoeksinspanningen. Wageningen is koploper met46procent, gevolgd door Nijmegen met 37 procent. In Tilburg enGroningen wordt slechts 22 procent van de onderzoekers uit d ederde geldstroom betaald.

In Utrecht is het onderzoeksvolume gegroeid met 2 procent.Anders dan veelal elders het geval is, is deze groei echter niet tewijten aan een toename van het derde geldstroomonderzoek (dat juistmet maar liefst 5 procent afnam), maar van een toename va nuit deeerste geldstroom.

Na de landbouwwetenschappers zijn de medische faculteiten in hetalgemeen de afdelingen met het meeste onderzoek voor derden (42procent). Ook was de groei in 1997 d''r het sterkst.Collectebusfondsen zoals de Hartstichting zijn daarbij een belangrijke financier. De minste contractresearch doen alfa's (8procent) en juristen (10 procent).

Frank Steenkamp, HOP


Groeiers en krimpers

In onderstaande tabel zijn opgenomen het aantal mensjarenwetenschappelijk personeel per 'geldstroom' in 1997, met daarachterde percentuele toe- of afname van het onderzoeksvolume vergelekenmet het jaar daarvoor.

InstellingTotaal1eGS2eGS3eGS

Maastricht

577(+10%)364(+7%)44(+38%)169(+11%)

Nijmegen

1326(+9%)598(+4%)241(+ 0%)487(+23%)

Eindhoven

674(+5%)387(-1%)100(+19%)187(+13%)

UvA'dam

1632(+3%)886(+4%)358(+ 6%)389(+ 1%)

VUA'dam

1014(+3%)566(+3%)187(+ 3%)261(+ 4%)

Utrecht

1896(+2%)1065(+7%)364(- 3%)467(- 5%)

Twente

663(-2%)347(-6%)111(+ 9%)204(- 1%)

Tilburg

396(+0%)277(-6%)34(+17%)85(+13%)

Wageningen

898(-2%)342(-6%)146(+16%)410(- 4%)

Rotterdam

821(-3%)456(-4%)100(+12%)266(- 7%)

Delft

374(-4%)780(-11)204(- 1%)390(+12%)

Leiden

1496(-5%)842(-6%)300(- 5%)354(- 4%)

Groningen

1326(-6%)740(-9%)297(- 4%)288(+ 0%)
Totaal14131(+0%)7685(-2%)2487(+2%)3960(+3%)