Hoe hoger de naslagwaarde hoe geringer de verhaalwaarde

Body: 
Nieuwe literatuurgeschiedenis in de maak

De Nederlandstalige literatuur heeft een nieuwegeschiedenis nodig, daar zijn de betrokkenen het over eens.Anderhalf jaar geleden begonnen twee hoofdredacteuren, negenschrijvers en zesentwintig adviseurs aan het door de NederlandseTaalunie geëntameerde, 2,4 miljoen gulden kostende project.Maar hoe moet die geschiedenis, waarvan het eerste deelwaarschijnlijk in 2004 van stapel loopt, er precies uit gaan zien?Studievereniging Awater organiseerde een debat.

De Senaatszaal in het Academiegebouw vormde half april eenwaardige omgeving voor een echt academisch debat. Daarbij steldeWilbert Smulders, verbonden aan het Instituut Nederlands van de UU,al snel de volgens velen centrale vraag. Hij vroeg zich af, hoe demedewerkers aan dit 'spannende project' de gigantische bergmateriaal gaan ordenen. Smulders: "Als je eenliteratuurgeschiedenis schrijft dan moet je enerzijds een verhaalvertellen, en anderzijds feiten leveren. Dat zijn conflicterendeelementen. Een verhaal veronderstelt dat je een visie hebt, dat jeeen methode hebt, dat je beseft dat je zo'n geschiedenis binnen eenbepaald kader schrijft." Aan de andere kant moet een geschiedenisvolgens Smulders een 'opzoekinstrument' zijn. "Hoe hoger denaslagwaarde, des te geringer de verhaalwaarde. En omgekeerd. Hetverhaal moet zo genuanceerd zijn dat het veel feiten kanbevatten."

Waarschijnlijk vroeg Smulders hier naar de hemzelf al bekendeweg maar de Gentse hoogleraar Anne Marie Musschoot, samen met deUtrechter Arie Jan Gelderblom hoofdredacteur van het project, wasniet te beroerd hem die nogmaals te wijzen. Musschoot: "Het wordteen verhaal. Die keuze sluit aan bij een internationale trend onderhistorici. Men vertelt tegenwoordig verhalen vanuit de constateringdat je 'de' geschiedenis niet kunt schrijven. Dat hangt weer samenmet de opvatting dat de waarheid niet bestaat, dat je altijdvoorlopige verhalen opschrijft. De informatieve kant komtuiteindelijk als een soort bijproduct in elektronische vormbeschikbaar, mogelijk als cd-rom. Daarnaast bestaan er nu al zeerinformatieve lexica, voor als studenten bijvoorbeeld willen wetenwat Willem Frederik Hermans allemaal heeft geschreven."

Een groot verhaal dus. En dat grote verhaal gaat verteld wordenin zeven delen, die elk ongeveer één eeuw bestrijken.Voor elk deel zijn één of twee aparte auteurs aangezocht,die begeleid worden door de twee hoofdredacteuren en door een panelvan zesentwintig vakbroeders en -zusters. 'Lassen' tussen de eeuwenmoeten voor de continuïteit in dat verhaal zorgen. Musschoot:"Dat betekent dat belangrijke verschijnselen soms op twee manierenbeschreven worden. Zo kun je de beweging van de tachtigers, eindvorige eeuw, zien als een uitvloeisel van de 19e eeuwse romantiek,maar ook als een voorloper van de moderne literatuur." Hetresultaat is uiteindelijk bedoeld voor een groot publiek,variërend van studenten en docenten Nederlands tot degeïnteresseerde leek.

Beschaving

"Iedere zichzelf respecterende beschaving die zijn eigengeschiedenis onderhoudt, besteedt ook aandacht aan het literaireverleden", licht hoofdredacteur Gelderblom het project nader toe."De afgelopen anderhalve eeuw zijn er dan ook behoorlijk watliteratuurgeschiedenissen geproduceerd. De laatste grote die wehebben, die de hele Nederlandstalige literatuur van begin tot eindemet een pretentie van compleetheid beschrijft, is de geschiedenisvan Knuvelder. De eerste druk verscheen eind jaren veertig, en hetboek beleefde nog herdrukken tot in de jaren zeventig." Maar ookover de oudere literatuur is er inmiddels, mede dankzij nieuwewetenschappelijke benaderingswijzen, zoveel meer bekend gewordendat een nieuwe geschiedenis nodig is. Gelderblom: "We stellen hetverleden de vragen, die wijzelf op een bepaald moment interessantvinden. Zo staan bijvoorbeeld de late 15e en vroege 16e eeuw op ditmoment meer dan vroeger in de belangstelling, mede dankzij het werkvan één van onze auteurs, de Amsterdamse hoogleraarHerman Pleij. Hij baseert zijn werk op teksten die vroeger nietgezien werden omdat men ze onbetekenend vond. Bijvoorbeeld liedjesdie in de steden gezongen werden op vastenavond en pamfletten diete maken hebben met carnavalsoptochten of rederijkerskamers." Zokan verschuiving van het historisch zoeklicht volgens Gelderblomweer hele nieuwe vondsten opleveren. Het werk van Pleij leertbijvoorbeeld, dat het voor de toenmalige burgerij belangrijk waszich op allerlei manieren te onderscheiden van andere groepen,onder andere door zich beschaafder te achten dan deniet-stedelingen.

Naast dergelijke cultuurhistorische doorkijkjes kan eenverandering van blikrichting ook nieuwe literaire inzichtenopleveren. Gelderblom: "Zo zocht een projectgroep onder leiding vande Utrechtse hoogleraar Riet Schenkeveld-van der Dussen naarschrijvende vrouwen uit de periode 1550-1850, waar we niets vanwisten. Daar is nu een boek van een kilo of drie over verschenen,vol met informatie over tot voor kort onbekende schrijfsters. Diehele groep was uit het zicht verdwenen."

Een voorbeeld dat aansluit bij één van die moderneinvalshoeken, het'gender-perspectief'. Anne Marie Musschoot:"Daarbij is de vraag naar de kwaliteit van die vergeten vrouwelijketeksten moeilijk te beantwoorden, omdat die altijd werd beantwoordvanuit een mannelijk oogpunt. Zo noemden Ten Braak en Du Perron hetsoort literatuur dat in hun tijd massaal verslonden werd heeldenigrerend 'die vrouwenromans'. Dat moet je in elk gevalsignaleren, en verder kun je eventueel kijken hoe dat mannelijkoordeel tot stand kwam, en de betreffende romans mogelijkherwaarderen. Het zijn de vragen waar we als redactie voortdurendmee worstelen en die de betreffende auteurs voor een belangrijkdeel zelf zullen moeten beantwoorden." Overigens relativeertMusschoot deze momenteel populaire invalshoek ook weer. "Het iséén van de vele benaderingswijzen, en in die zin minderbelangrijk dan het basisprincipe dat we bij het opstellen van degeschiedenis hanteren: de relatie tussen tekst en context."

Context

Daarbij gaat het volgens Musschoot om een wisseling vanparadigma in de literatuurwetenschap. Musschoot: "Tekst tegenovercontext is een heel fundamentele manier om aan wetenschap te doen.De onderzoekers gaan ervan uit dat je de tekst niet mag losmakenuit zijn omgeving. Zij gaan niet alleen in op zaken als stijl,beeldspraak en inhoud, maar betrekken daar voortdurend bij dat eentekst een uitdrukking is van wat zich afspeelt in de wereld, en datdie tekst ook naar een lezer toegaat die er betekenis aan geeft.Daarnaast wordt gelet op poëticale tegenstellingen, op deinterne dynamiek van de literatuur."

Het zijn uitgangspunten waarin Utrechter Joost Kloek, auteur vanhet boek over de 18e eeuw, zich goed kan vinden. Kloek: "Juist voor'mijn' eeuw is die context heel belangrijk, omdat literatuur toengrotendeels als instrument werd gezien om de mensen tebeïnvloeden. Het was een tijd waarin de Nederlanders zagen dathun land zijn vooraanstaande plaats aan het verliezen was, en menwilde alle krachten in de natie mobiliseren om die plaats weerterug te krijgen. Vandaar dat de schrijvers sterk op vermeendenationale deugden tamboereerden." En daarom werd de 18e eeuwseliteratuur, bij latere beschouwing zonder deze context, tenonrechte gezien als moralistische schrijfsels van een ingeslapennatie.

Binnen deze brede context gaat Kloek bij het schrijven uit vande kleinere contextjes van afzonderlijke literaire verschijnselen.Die verschijnselen inventariseert hij momenteel aan de hand vanbinnen- en buitenlandse voorbeelden. Kloek: "Het hele literaireleven veranderde bijvoorbeeld. Door de opkomst van landelijketijdschriften en het ontstaan van literaire genootschappen kwamener voor het eerst opnationale schaal discussies over literatuur opgang. Verder maakt de persoonlijke, direct op het gemoed werkenderoman in de 18e eeuw zijn grote opmars. Dat gaf de mensen eentotaal nieuwe leeservaring." Aan de hand van de besprekingen vandeze en andere verschijnselen introduceert Kloek de auteurs. Kloek:"Ik ga bij het schrijven dus niet van de individuele schrijversuit, maar een groot deel komt uiteraard wel aan bod."

De vraag, welke verschijnselen nu wel of niet tot die contextbehoren is een constant onderwerp van discussie tussen de auteurs,waarbij verschillende tijden ook verschillende eisen stellen Kloek:"Bij een bespreking van de 20e eeuw ontkom je er niet aan iets overde invloed van moderne media als film en televisie te zeggen. Aande andere kant is een verschijnsel als het mecenaat, rijkeindividuen die dichters geld verschaften als ze een mooie bundelschreven, tegenwoordig vrijwel uitgestorven."

Adri Bolt