'Hoefnie bad. Ga beer tekenen'

Body: 
Taalgebruik van kinderen ontwikkelt zich in vierstappen



De gave van het spreken is exclusief aan de mensvoorbehouden. Taal wordt in pakweg de eerste vijf levensjarengeleerd, de zogeheten 'kritieke periode'; blijf je in die periodevan taal verstoken, dan is het schier onmogelijk dat later nog inte halen. Het taalniveau dat een kind voor zijn vijfde bereikt, isvoor volwassenen dan ook nauwelijks te evenaren bij het leren vaneen tweede taal. Wat er in die 'kritieke periode' allemaal gebeurtheeft dr. Maaike Verrips beschreven in het onlangs verschenen boek'De taal van je kind'.

De taalkundige Verrips, onderzoeker bij de faculteit Letteren,is gespecialiseerd in de taalontwikkeling van kinderen. In 1989 wasdat al haar promotie-onderwerp, maar nu heeft ze er een boek overgeschreven dat niet alleen voor studenten en vakgenoten interessantis, maar ook voor ouders. Stap voor stap volgt ze de ontwikkelingdie kinderen in hun taalgebruik doormaken, vanaf het eerstebabybrabbeltje tot en met de volwaardige en grammaticaal correctezin van de zesjarige.

Kinderen hebben een aangeboren vermogen om een taal te leren,een soort 'talenknobbel' die extra actief is tijdens de eerstelevensjaren en die een kind in staat stelt het taalsysteem tedoorgronden; bijvoorbeeld het gegeven dat taal is opgebouwd uitzinnen, dat zinnen bestaan uit woorden, dat betekenissen van zinnenkunnen veranderen als woorden verplaatst worden, enzovoort. Sterkernog: met dat fysiek niet precies gelokaliseerde 'talenorgaan'(ergens in de hersenen) zijn kinderen zelfs in staat een primitievetaal grammaticale 'body' te geven.

Dat is gebleken uit onderzoek van Derek Bickerton naar 'nieuwetalen' die ontstonden op de koloniale slavenplantages, waar slavenvan diverse komaf en met uiteenlopende moedertalen bij elkaarwerden geplaatst. Om tóch te communiceren ontwikkelden deslaven een primitief soort contacttaal, bestaande uit eenmengelmoes van eigen woorden met die van de Europeseplantagehouders. Uit veel meer dan woorden bestond die contacttaal- het pidgin - niet: er waren geen werkwoordvervoegingen, geengrammatica, geen mogelijkheid om een bijzin in een hoofdzin onderte brengen, geen mogelijkheid om met woordvolgordes tevariëren. De kinderen die op die plantages werden geboren endie het armoedige pidgin als 'moedertaal' kregen aangeboden, blekendie taal echter te kunnen verrijken met zelfbedachte voegwoorden enanderefunctiewoorden en zelfs met grammatica. Ze maakten er met hunaangeboren taalvermogen een volwaardige taal van, de later zogenoemde creooltaal.

Oetsiekoetsies

Verrips onderscheidt in haar boek vier fasen in die kritiekeperiode. Allereerst is er de babytaal, die nog niet veel verderkomt dan wat ongecoördineerd gepruttel. Maar de volwassene -hier in West Europa althans - heeft toch het idee dat er dan al metbaby's gecommuniceerd kan worden. Door hoge en zangerige'oetsiekoetsies' uit te stoten, denken we te voldoen aan een zekeretaalbehoefte van de boreling. In andere culturen is dat anders: deK'iche uit Guatemala beginnen pas met hun kinderen te praten alsdie iets terug kunnen zeggen. De moedertaal leren ze, niet omdat erzoals bij ons, rechtstreeks tegen ze gepraat wordt, maar omdat debaby's in hun omgeving taal 'horen'.

De babybrabbels blijken behoorlijk universeel te zijn. Er is weleens aan ouders gevraagd om naar bandopnames te luisteren vankinderen met verschillende taalachtergronden. Ze moesten proberente ontdekken welke 'brabbels' behoorden tot hun eigen moedertaal,maar dat bleek helemaal niet te lukken. Taalverschillen worden pashoorbaar als er ook echt sprake is van 'woorden'. De eerste woordendie kinderen uitspreken, liggen qua klank nog wél in hetverlengde van de eerdere brabbels. Kleine kinderen zijn daarin alzeer behendig. Want ze leren niet alleen een spraakklank (de 'k'bijvoorbeeld), maar ook een klankcombinatie (de twee 'k's' in'zakdoek' klinken anders; de ene zacht - zoals de Franse 'g' ingrand, die aan het einde hard).

Desnoods passen ze de eerste woorden aan bij de eenvoudigeklanken die ze al beheersen: limonade wordt dan 'naje' of 'nane'.De eerste woorden, die een kind doorgaans begint uit te spreken nazijn eerste verjaardag, zijn nooit functiewoorden (de, het, of,als) of vraagwoorden (waarom, wie, wat), maar vrijwel altijdzelfstandige naamwoorden ('poes', 'mama' en 'eten' scoren hoog; ziede top-20 in het kader).

Geruime tijd blijft het aantal gebezigde woorden rond de vijftighangen, maar dan ineens vindt er een 'woordenschatexplosie' plaats.In een razend tempo en gedurende een aantal maanden breidt hetidioom zich uit met tientallen woorden per week. Dat brengt dewoordenschat van een kind van zes jaar op ongeveer veertienduizend'actief' gebruikte woorden; voor een volwassene lopen deschattingen wat dat betreft uiteen van twintig- tot honderdduizendwoorden.

Mama beer

Na de brabbel en de woord-periode breekt eenderde moment aan inde taalontwikkeling: die van de telegramstijl. Het kind maakt kortezinnetjes van twee tot vijf woorden, echter zonder lidwoorden,verbuigingen of vervoegingen. Van een zin als 'Mama, wil je me debeer even geven?' blijft over: 'Mama beer'. In deze periode gaathet kind ook met de grammatica aan de slag. Omdat eenwerkwoordvervoeging nog te moeilijk is (pop huilt) zoekt het zijntoevlucht tot een kwistig gebruik van de werkwoorden 'doen' en'gaan' (pop doet huilen). Het weglaten van het onderwerp van eenzin is ook een strategie om grammaticale hobbels te nemen. Het kindzegt dan niet 'Ik ga de beer tekenen', maar 'Ga beer tekenen'.

Een fraai voorbeeld van hoe handig en logisch kinderen metgrammatica omgaan is het gebruik van het werkwoord 'hoeven'. Geenenkele ouder kan uitleggen wanneer je dat werkwoord gebruikt inplaats van 'moeten'. Hoeven wordt alleen gebruikt in combinatie meteen ontkenning. Dus: 'Sander hoeft geen huiswerk te maken' kan,maar 'Sander hoeft huiswerk te maken' is geen Nederlands. Kinderen,zo blijkt, halen die ontkenning er snel bij: 'hoefnie bad'. Paslater doen ze dat fout, analoog aan het gebruik van werkwoorden alsmoeten en kunnen. Als je 'Ik moet fietsen' kunt zeggen, kun jekennelijk ook 'Ik hoef fietsen' zeggen, aldus de logica van hetkind. Het in eerste instantie reeds aangebrachte onderscheid tussenhoeven en moeten komt in derde instantie, na die zogeheten periodevan 'logische terugval', pas weer terug.

Deze derde periode van de 'telegramstijl' en van het doorgrondenvan grammaticale regels loopt tot het derde of vierde jaar. Daarnabegint het spelen met de taal. Een kind schept er dan genoegen inom zelf woorden te bedenken - vooral ook vanuit de behoefte om decomplexe werkelijkheid om zich heen beter te duiden. 'Ik, jij, hij'gaat een rol spelen, getallen en kleuren verschijnen aan hetkinderfirmament.

Soms lijkt het erop alsof een kind in deze periode een terugvalheeft in taalvaardigheid. Maar wie experimenteert maakt fouten, alzijn dat vaak heel creatieve fouten. Van een groen stoplicht maaktde peuter dan een 'rijlicht' en een thermometer wordt een'brillenprikker' genoemd. Soms menen kinderen een woord verstaan tehebben en maken er vervolgens iets van wat er én op lijktén een zekere logica heeft. Het buurmeisje dat achter de muurwoont heet dan 'muurmeisje' en ook 'openreren' en 'peutermuntjes'spreken voor zich. Via dit soort 'vergissingen' zijn trouwens in degrote mensentaal óók woorden ontstaan: 'hangmat' alsverbastering van het oorspronkelijke woord 'hamaca'. Of deverschrijving 'pubertijd' voor 'puberteit'.

Na die laatste periode van spelen met taal heeft het kind eenvolwassen taalniveau bereikt. Niet dat het leren danophoudt, maarhet gaat daarna om een soort leren dat eigenlijk het hele levenverder gaat: het aanleren van steeds weer nieuwe woorden, hetverfijnen van de kennis van de grammatica enzovoort. Dat een kindin zo korte tijd zo'n prestatie levert, moet volgens Verripssamenhangen met het eerder genoemde 'talenorgaan'. De beperkte maardramatische voorbeelden van kinderen die tijdens hun vroegelevensjaren geheel van taal verstoken bleven, lijken dezeveronderstelling te bevestigen.

Zo is er de gruwelijke geschiedenis van Genie, een meisje dat inde jaren zestig opgroeide in Californië bij een blinde moederen een ernstig geestelijk gestoorde vader. Toen ze twee jaar oudwas bond haar vader haar in een kamertje vast; haar enige contactmet de buitenwereld was het babyvoedsel dat ze af en toe kreegtoegeschoven. Als ze geluid maakte, mishandelde haar vader haar.Toen Genie 13 jaar was, slaagde de blinde moeder erin met het kindte ontsnappen. Ze werd in een ziekenhuis opgenomen, en er werdacuut met haar gepraat. Haar eigen praten ging echter niet verderdan wat opeenstappelingen van klinkers en medeklinkers. Deklankstructuur ontwikkelde zich niet verder en de ontwikkeling vanhaar grammatica bleef steken op het niveau van de telegramstijl.Uit dit soort voorbeelden hebben onderzoekers kunnen afleiden dattaalverwerving kennlijk sterk gebonden is aan die bepaalde,kritieke periode.

Armand Heijnen

Maaike Verrips, De taal van je kind. Uitg:Kosmos-Z&K. Prijs: tot 1 september 29,90 gulden; daarna 39,90gulden.